21 I VERHANDELINGEN, UITGEGEEVEN DOOR DB HOLLANDSCHE MAATSCHAPPYE D WEETENSCHAPPEN, T E HAARLEM, XX //. > I & e Maatfchappy heeft goedge- I vonden , om ^ tot een Ver~ * volg van haar Bericht nopens haaren toeftand 5 aan het Algemeen me- detedeelen 5 dat Zy federt den 22. Oc- tober 1784. het ongeluk gehad heeft ^ van eenigen haarer waardige Direffieu- ren en Leden 9 tot haare innige ftaerte 5 door den dood tc verliezen. *' ? Dus vi VOORBERICHT. Dus ontvielen haar de Heeren . DlRLCTEUREN : Mr. IMAN WILLEM FALCK , Gouvertwr yan Ceylon 9 in den ouderdom van ruim 48 Jaaren op den 6. February 1785. te Coiumbo overleeden ; als meede Mr. H. H. VAN DEN HEUVEL ,'. Secretary yan Staat yan de Provinrie Utrecht , oud ruim .54 Jaaren , op den 25. Oftober laatst- leeden geftorven. En^van de. Heeren LEDEN is kaor door den dood ontrukt : PAULUS FRISI 9 Profesfor te Milaan 9 den 22. November 1784. J. F. MARTFELDT , 'Collanel yan de Artil- lery ten dienlle yan deezen Staat. LUDOVICUS CASPARUS VALCKENAAR, Profesfor te Ley den 9 4en 14. Maart 1785. oud byna 70 Jaaren. A. YPEY , Profesfor te Franequer , op den 14. July 1785. oud ruim 71 Jaaren. CHARLES CHAIS ^ Emeritus Predikant der WcdJ'che Gemeente in V Hage ? oud 85 Jaa- ., den 8! November laatstleeden. En iViAXI- V O O R B E R I C II T. VII MAXIMILIAAN JACOB DE MAN, Medic. Dofior , Archiater der Stad en des Qjtar- tiers yan Nymeegen , oud 54 Jaaren en zes maanden ? den 12. Novemb. van dit Jaar. Op ckn 123. Mcy van dit zelfde jaar 1785. zyn daar tegen door de Groote Vcrgaderinge deezer Maatfchappye be- noemd tot DIRECTEUREN 3 de Heeren Mr. W. VAN HOOGENDORP, Raad en Schepen der Stad Rotterdam , enz. enz. JOHAN GERARD VAN ANGELBEEK, Raad extraordinair yan Nederlandfch Indien enz. enz. op Ceylon. En tot LEDEN, de Heeren M. DUFAY 5 Membre de la Societt Roy ale des Sciences de Montpellier te Qr leans. JOSEPH MANDRILLON, Mewbre des Academies de Eourg en Bresfe & de Phila- delph:e ^ en Koopman te Amfterdam. Oofc is op den zelfden ag. Mey van dit jaar 1785. beflooten cm uittegeeven het volgende Programma ,: VOORBERICHT. den 23. Mey van die Jaar 1*85. is door d Hollandfche Maatfchappye der Weetenfchap- opgericht binnen deeze Stad Haarlem , in derzel- , ver Jaarljkjcbe (Iroote fergaderinge , beflooten hec 9 volgende aan het Algemeen medetedeelen : , I. Met opzicht tot de ANT wo OR DEN op haare j VRAAGBN, en byzonder met betrekkinge op , haare Vraage , A. ) In den Jaare 1779- opgegeeven , om te be- , antwoorden vddr den i. January 1785. luidende aldus: . h'aaaemaal etn zuivcre Dampknng van zoo groot btiang is wor de gezondheid der Ingezetenen , en d(~ zefoe by h,.t flaanae oftc te langzaam afloopende Wa- lev in de Rivicr , C dit dagelyks in den omtrek van Butavia met veele duizende ponden f^uiligheeden aangs- vuld inordt ) onmogelyk kan verkreegen worden ; . Wclk is het beueMiddel, otn eene fterken fchuuring en afvoenng deezer vuils floffen te verktygen en te on* derbouden , en aan Batavia sen zuroerer en gezonder lucht te bezorgen ? Is geoordeeld , dat dezelve zoo onvoldoende is beantwoord * dat men den Schry ver daar 9 van de Prsemie niet heeft kunnen toekennen, maarword , dezelve Vraag op nituw voorgefteld, om te beantwoor- s den voor primo November 17^9. , A) De V O O R B E R I C H T. K B-) De Vraag: Hoe verrt kan men thans de tyke Historie des Dampkrings van ens Vader* land , uit de Meteorologifche Waarneemingcn ,. of Zwaanenburg genomen , vergclefktn met die *uan dn~ fare plaatjcn , opmaaken ? Men bedoelt byzon- zonderlyk , dat men hier uit aantoone : i. Welken de doorgaande , of meest gewoone gevolgen van het We- der zyn , die men naa het vermeerderen of verminderen van de zwaarte of dichtheid van den Dirnpkririg , dac is , naa het ryzen of daalen van den Barometer , als mede na de veranderingen van Warmte en Koude , en van de krac'K en ftreek der Winden , op verfchiilende tyden van het Jaar en Plaatfen , waameemt ? 2. Of de verandering van Wind en Weder hier te Lande ook fom* tyds eenen zekeren loop houde ? 3. Welken. invloed d^ verfchiilende (land der Maane op dezelven hebbe ? 4. Of 'er aan de verfchiilende ftanden der Planeeten ook eenige invloed op den Dampkring zy toe te fchryven ? , 5. Welke overeenftemming 'er is tusfchen de verfchii- lende afwykingen van de Compasnaalden en de Weers- , veranderingen ? 6. Welke Regelen 'er uit deeze Waar* neemingen kunnen worden afgeleid , volgens welken men , in fommige gevallen , eene aanftaande verande- , ring van Wind en Weder met waarfchynlykheid kan t vooruit zien ? * - Men zag hier ook gaarne byge- t voegd : of 'er , behalven deezen , ook eenige andere , Voortekenen voor aanftaande Weersveranderingen in ons , Vaderland waargenornen worden? zoja: welken? , In het Jaar 1778. voorgefteld , om te beantwoorden 5 v66r prime January 1781. Is beflooten in de , Vergaderinge van 1781. de gemelde Vraag nog pens op , te geeven , om ze te beantwoorden v<56r priwo January , 1785. onder aaiibod van eene dubbelde Goude Mcdailk , aan den Schryver , die ze volledig beamwoordr. * 5 i * VO O R B E R I C H T, , Hier op is wel geantwoord , doch onwldocnde , zoo , dat men.niet heeft kunnen den Eerprys uitdeelen. , Dan , overmits deeze Vraag in hec |aar 1778. voor de. , eerfie reize , en in het Jaar 1781. voor dc tweedemaal t is voorgefteld en tothiercoe gene voldoende Antwoor- , den daarop zyn ingeleverd , en de Maatfchappy 5 toch gaarne zou zien , dat dezelve eens w61 beantwoord , wierd ; zoo is beflooten , om de beantvvoording 9 van deeze Vraag open te ftellen zonder bepaalmge vaa , tyd , zoo en in diervoege , dat het den geenen , die. , goedvindt om dezelve te beantwoordcn , ten alien tyde , zal vryltaan , om aan den Secretaris van deeze Maat- , fchappye te zenden zyn Antwoord , en dat dan daar* 9 over op de eerst daaraan volgende Groote Vergaderinge , zal worden beflist , indien hetzelve Antwoord voor den.. 5 i. November, en dus tydig genoeg , om behoorelyle , geexamineerd te worden * zal zyn ingekoomen , en in- 3 geval het voor voldoende gekeurd word , als dan aan , hem de uitgeloofde dubbelde Goude Medaille zal wor-. , den uitgeleverd ; r maar , onverhoopt , niet vol- , doende,, zal het wederom -insgelyks vryitaan aan wie , zulks verkiest^ om na voornoemden Prys te dingen ,. , tot zoo lang , dat dezelve behaald zy. , C. ) De Vraag: Welken zyn de Onderwer-, pen , betreffende. de NATUURLYKE HISTORIC ONZES. VAD^RLANDS , waar van men met gegronde veden te, verwachten hcbbe , dat ctnc verdere naafpoorivg ten nutte van het Vaderland verftrekken zal ? In het; Jaar 1780. voor de eerfte , en in het Jaar 1782. voor de tweede reize opgegeeven, om te beantwoorden voor het begin van het Jaar 1785. met byvoeginge : dat d* Maatjchappy niet enkel vcrlangt een lyst van Qnder- werpen , dewelken met vrucht zouien kunnen naagz- ffoord worden } maar towns ecne nanny zing van de VOORBERICHT, xr Redenen , waarom men van derzelver Onderzoek zicb uoordfel wor bet Vaderland hcbbe te Iclooven ? . Is beancvvoord , maar niec zoo, dat.de Maatfcfoppy vryheid heeft gevonden , ora daarop den Eerprys ukte- geeven ; ^ maar uit byzondere overweeging van hec belang , dac de Maatfchappy fteh in deeze Vraag wel bean'twoord ce zien , is beflooten , dezelve op nieiuvs ter beancwoprdinge v66r primo November 1787. voor- , D, ) Op de Vraag , opgegeeven den 21. Mey 1782 Juidende : Sctioon men thans in de Lucht* kermis zccr verre gevorderd is , beeft men ccbter tot nu t)cs. HALLEY Dan zy oordeelt , dat de Schry. ver dier Verhandeling weinig of niets gevoegd heeft by het geene reeds te vooren door de beroemde Heertn B A i L L Y , DE LA GRANGE en FRISI omtrenc die Onderwerp gedaan was , en dat hy aan het voor- naame oogmerk der Vraag, om namentlyk de Theorie aan de ff/a&rncemittgen te toetfen, en daardoor de ge- grondheid zyner 7 ' hevriefboven die der gemelde Hee- ren aau te toonen , in hec geheel niet voldaan heeft : Zy rk-eft derhalven die Verhandeling de dubbelde Me- daiiie niet waardig kunnen odrdeelen , maar beflooten r uit aanmeikinge der andere wezenlyke verdienften van dat S uk , den Schryver van het zelve met de enkefc Medaille te vereeren , onder herhaalde en op nieuws gedaane aanbieding van den dubbelen Eerp>ys , zoo hy door het veranderen zyner Verhandeling aan het verlan<< gerider Maatfchappye zal hebben voldaan. i De Maatfchappy verlangc niet zoo zeer , dat de Schryver zich bezig houde met de enkele Tbeorie , uic de Wet der aantrekkings-kracbt afgeleid , maar veel meer en wel voornamentlyk, dat hy de Tbeorie op de IVaarneemlngen toepasfe en met dezelven Vergelyke , op dat men , door de meerdere of mindere overeen- komst met de Waarneemingen over den graad van juist- heid , zoo wel van zyne als van andere Tbeorien , zou- de kunnen oordeelen. Het voornaame oogmerk der Maatfchappye is , om , langs dien weg , van de Beweegingen der Satelliten van Jupiter zulke Jafels te verkrygen , welken naauvvkeuriger zyn , dan de toe , hier VOORBERICHT, DC , bier toe bekende , 't zy dan dat die Tafels volgens de , nkele Tbeorie wierden zamengefteld , of wel , zoo , deeze alleen onvoldoende bevonden wierd , met behulp , van Empirifcbe %uatien uit de Waarneemingen afge- y leid. En dewyl de Waarneemingen van den derden en , vierdtn Trawant onnaauwkeuriger en zeldzaamer zyn , , dan die der twee overigen , zal de Maatfchappy zich , vergenoegen , wanneer het geene zy verlangc , voorna- , mentlyk maar omtrenc den eerften en tweeden Trawant , , wier waarneeming wel den grootften invloed heeft op , ^e Zewaart en Jardrykskundc , door den Schryver , word volbragt. - Zy noodigt den kundigen Schry- 9 ver hiertoe uit , en het zal haar aangenaam zyn , Hera , , onder gemelde voorwaarden, mec de dubbelde Medaille , te kunnen bekroonen. , F. ) Eindelyk het zelfde gebeurd zynde met een Antwoord op de Vraag van de Droogmaakeryen in ons Paderland , waar van de Termyn van antwoord reeds met primo Jan. 1780. was geexpireerd, heeft de JVlaat- fchappy aangenomen en beoordeeld een Antwoord , on- der de Zinfpreuke : TOT HEIL VAN 'T VADERLAND ; maar Zy heeft den inhoud daar van zoodanig gevon- den , dat Zy nut heeft kunnen befluicen orh het zelve goedtekeuren , en dus het zelve met den Eerprys niet bekroond. , II. De Vraagen , door deeze Vergaderinge vasrge- 9 fteld , zyn deeze Twee : , a. ) ' Om te beantwoorden voor primo November ,1787. de Vraag: Kan men uit de Gefchie- , ? denizen aancoonen . dat de Gemeenebesten , wanneer 5 , zy den hoogtlen trap van welftand naar de gefteldheid *> der menfchlyke IVlaacfchappyen van die tyden , in wel- ken xiv . VOORBERICHf/ ken zy bloeiden , bereikt hadden , immers fcheeneh bereikc te hebben , telkens wederom gedaald zyn '? < . En zo ja ; moet dceze daaling aangemerkt worden als 5 , een gevolg van die zelfde oorzaaken , welken hen heb- ben doen bloeijen ? Of zyn 'er altoos toevallige re- denen bygekoomen , die dit Verval te weeg gebragt hebben ? En onderftellende het eerfte Waar te - 3, zyn , is zulks mede toepasfelyk op de tegenwoordige r meer verlichte tyden ? Zo ja , welken zyn in het al- gemeen de middelen , die de naadeelige werking van atsderszints heilzaame oorzaaken beletten , en dus doen- de den bloei en welftand van een Gemeenebest duur- zaam kunnen maaken ? " 9 De Maatfchappy verwacht geene byzondere , maar , eene algemeene wysgccrige befcbouwing , toepasfelyk , op alie Gemeenebesten van den tegenwoordigen tyd : , Zy verwacht derhalven , dat , by aldien derzelver ver* , val geoordeeld wierd toegefchreeven te moeten worden , aan dezelfde oorzaaken, die hen hebben doen bloeijen 9 9 de moogelykheid daarvan , zoo wel uit den aart der , zaaken , als uit de daadlyke gebeurtenisfen zal aange- , toond worden , om vervolgens re doen blyken , door , welken in zich zelven uitvoerlyke middelen deeze naa- 9 deelige Uitwerkingen belet of voorgekoomen kunnen , worden. , b. ) Uit het byzondere Fonds van wylen den Heer , Direfteur NICOLA AS WILLEM KOPS , om te beantwoor- , den v66r primo November 4786. , Daar het eene onbetwistbaare waarheid is, . i. Dat door Fabricquen in een Land meerder Inge- zetenen , vooral in plaatfen tot buitenlandfche Commer- , cie ongelegen , gebezigd worden , dan door de Com- , mercie zelve. , 2. Dat V O O R B E Rl C H f . xv , Q. Dat men door dezelve Fabricquen tot kleeding , 5 als anders benoodigd , in het Land te hebben , nice , genoodzaakt is deeze nooddruft uit andere Landen te , hnalen , waar door men moet verarmen , zoo men , geen Andere eigen Lands Produften in de plaats kan , leveren. ,3 Dat , zo men ook zoodanige Fabricquen in een , Land had , die niet alleen dienden tot onze nooddruft , , maar ook daarenboven om eenige door ons gefabriceer- de Goederen aan andere Natien te kunnen verkoopen i door deeze verzending buiten 's Lands , 'c geld van Bui- tenlatiders door onze Ingezeienen zoude worden ver- diend , en dus in ons Land koomen ; zoo leert nocb- tans de ondervinding , dat de gevoelens zeer verfchil- lende zyn. , Immers fornmigen oordeelen , dat eene belasting op , de Inlandfche Confumtie van buuenlandfche Fabricq- , Waaren van zeer veel nut zou.de zyn ; anderen daaren- , regen dat zulk eene Gene geeven zoude aan de Com- , mercie , en aan Iiet oogmerk niet voidoen ; ook zegc , snen, dat 'er buitenlandfche Fabricq-waaren zyn , die , men in ons Land niet kan ontbeeren, en dus noodzaak- , lyk dienden te bly ven ingevoerd; , Voorts zyn zy , die de Fabricquen in ons Land voor- , ftaan , van begrip , dat het nuttig jaa noodig zou zyn , fommige Fabricquen te favorifeeren en te gratificeeren , waar door zy in Gaat-^ouden zyn , om hunne Waa- ren , even zoo goed en goedkoop , dan de Buicenland- fchen, 'tzy in, 't zy bujten 's Lands , 't zy beiden, te kunnen leveren. 5 Zoo is de Vraag: Heeft svj VOORBERICHT* Hccft (2e bloei en het verval onzer Fabricquen een noodzaaklyken invloed op den bloei en het verval van de Cogimercie en Navigade deezer Landen ? Zo ja , in hoe verre? En hocdanige Fabncq - waaren eifcht het belang van het Algemeen , dat van buiren worden ingevoerd , en hoedanigen dat bkinen 's Lards 5 , gewerkt worden , 't zy om binnen 's Lands gebruikt , 'c zy om buiten 's Lands verzonden te worden? En welken zyn de beste en uitvoerelyke Middelen , om .,, door zoodanige Fabricquen de Welvaart onzer Rcpu- ; , blicq te bevorderen?" ,111. De Vraagen , voormaals door deezc , fchappye opgegeeven , waarop het haar insgelyks _,_ , aangenaam ?yn Antwoorden te bekoomen , zyn de in 5 1784. voorgeftelden : , A.) Welkcn zyn de waarlyk onderfcheidene foor- , ten der LUCHTGELYKENDE VLOEISTOFFEN , aan wel- , ken nen de Naamen.van vaste Lucht , gedepblogif , teerde iMcht , ontvlambaare Lucht , Salpeter-lucbt , , zuure Lucht , Loog-lucht, en anderen gegeeven heeft; , en waarin zyn dezelven van elkander en van de Lucht , des Dampkrings onderfcheiden ? 2. Heeft elk deezejf foorten van veerkrachdge VloeiftofFen zoo veel met de Lucht van den Dampkring gemeen , dat zy voor eene foort van Lucht verdient gehouden te worden ? 3. Hoe verre kan uit de Proeven en Waarneemingen omtrent de genoemde Luchten , de aart der Lucht van den Damp- kring worden opgemaakt ? In het Jaar 1780. opgegeeven voor de eerfte 9 en in het Jaar 1782. voor de tweedc reize , om te beantwoorden vddr het begin" van het Jaar 1784. De Maatfchappy heeft toen , onder anderen Twee fraaije Verhandelingen ter beant- , woordinge van dezelve ontfangen , waarvan de eene roc . Zin- VQORBERiCHT. > 2infpreuk had : Qyam Fulcrum eft , in principiis S* , origins rcrum defixijje oculos & nnbile mentis acumen ; 9 ptrvotat hue Japiens. ANII LUCRETIUS. En de anderei Pnncipibus placuiffe wis non ultima laus eft. , Beide deeze Verbandelingen is de Maatfchappy ge- , negen te bekroonen * dan niectegenfhande Zy de vei> , dienften van deeze Verhandelingen dus erkennen wil , , is hec haar echter voorgekoomen , dat derzelver Schry- , vers deeze hunne Stukken noch zeer aanmerklyk zou- , den kunnen voltooijen , i.) door meer te leccen op het , geen door de Heeren SENEBIER , LAVOISIER , en ande- y ren , betreklyk dit Onderwerp , is in het licht gegee- , ven : a. ) door zich meer op hec vinden van beflisfendc , Proeven en rechtttreekfche bewyzen , ter ftaavinge van , hunne gevoelens , toeteleggen : 3. ) door hec beweeze- , ne van het onzekere beter te onderfcheiden. , Waarom dan de Maatfchappy heeft goedgevonden t ) deeze Vraag wederom voorteftellen , om beantwoord , te worden voor primo November 1785. Zy verzoekt , den Schryveren in de verbetering van deeze hunne Ver- , handelingen, zoo veel doenlyk, de kortheid te betrach- > ten , en beloofc eenen dubbelden Gouden Eerprys aan , den geenen van hen , die het best aan de gemelde ver- , eifchten zal voldaan hebben. , B.) Orn te beantwoorden raede v66r primo No- vember Naadien de Ondervinding geleerd heeft , dat de BoRST- WATERZUGT in eenen gevorderden ftaat , doof alle bckende Middelen ongeneeslyk is ; weiken zyn de oorzaaken van die Ziekce , en weiken zyn de zekere Tekenen* , waar door dezdve in haar aliereerfte begin XXU. Decl. ** I'M xviu V O O R B E R I C H T. ,, kan onderkend, en van alle andere'Borst-ziekten ten duidelykfte kan onderfcheiden worden ? YVel- ,, ken zyn de MIDDELEN , die deeze Ziekte kurneri voorkoomen ? dezelve in haar eeifte begin geneezen ? en , in ecnen verre gevorderden ftaat kunnen verzag- , C.) De Vraag, in het Jaar 1780. voorgefteld , , om te beantwoorden vdor primo January 1786 : - - , Vermics men , uic gebrek van eene goede inrichdng ter , opvoedinge van de Jeugd te Batavia , genoodzaakt is ) zyne Kinderen na het Vaderland ter opvoedinge te zen.- , den , of , zoo men hen aldaar houd , zy alsdan door- , gaans eene goede Opvoeding misfen ; zoo vraagt de , Maatfchappy : is th beste inficbting , om aan de , Batavia eem Opvoeding te geevcn , die meest gefchikt , i.\ om bun Verftand te befchaaven, ben in nuttige Kun+ , ften en Weeien fchappen bedreeven te maaken , en bun , goede Zedelyke gewelens in te boezemen ? , D. ) Om te beantwoorden v66r primo January , t;86. de Vraag, opgegeeven den 21. Mey 1783, - In hoe verre kan de Iheorie van Dr. CRAWFORD , omtrent het Vum en Warmte , door Proefneemingen bevestigd of wederlegd worden (*J ? En zo deeze Tbeorie door de ondervindipge geheel of gedeeltelyk ( * ) Zie "Experiments and olfervations on animal boat and the i"n- flammation ofcombujlible bodies by A. C R A w F o R D , Lond 1 779. - Effrifur la nouvelle Tbeorie du Feu Element air e , par J. H. DE MAGELLAN, London 1780. - An Examination of Dr. CRA\\* FORDS Theory by WILLIAM MORGAN, Loadon 1781. V O O R B E R I C H T, xm , geftaafd wordc ,'welk een licht geefc dezelve in de , Vuurkunde ? " , De Maaifchappy eifcht eene zeer duHeiyke befchry- ' ving der Prpefneemingcn , waardoor men dt.v-e Tbcorie (haft ofte wederlegc; en zo nien tor dezelven Werktui- gen van eene buiccngewoone naauwkcurigheid gebruikr, verlangc de Maaifchappy eene opgaave , hoe foorrge- Jyke Werktuigen te verkrygen , ten einde zv , zulks- go'jdvindende , /ioodanige Proefneerningen zoude kun- nen herhaalen. , E ) Uic bet Fonds van wylen den Heere Nico- , L\A$ WiLUEM.Kops , de Vraag in 1783- voorgefteld , ^ om te beantwo*rden voor pnmo January 1780: , Terwyl de Condenfatetir ., door d^n lieer VOLI A on- , langs uicgedagc (f)^ gelegenheid geefc , om eere zeer , gerihge Eleftrike krachc van den Dampkring te onidek- 9 ken , en men dus nu met behulp van dit VVeik ? uigde , Ele6Iriciteic von den Dampkring , veel beter dan vuor- , heen , zal kunnen waarneeraen ; zoo vraagc d^ iViaac- , fchappy : , Hoe- kehvor-t dit Wsrkluig en de overige to$fttl te , voor den inge>ic.bt , om op de zekerjie en gemd^ykfte j wyze de E.le&riciteit van den Dawpkring te kunnen be* , proewn , en we! be is de beue Elcdrometer , die by 9 deezen toeftel den graad van krdchi nan aariwyzen ; 9 ten einde men in ftaai Afield z\ , om by de f(agrl-\k* 9 fcbe waarneemingen der Luchngffteltheid . ook i(ff t tff5 y de dagelykfche grander in gen der Eleftfike hacbt des , Damp- Zie PJJijofofrbicel Transa&iwr , for the Year 1782. Part. I. App. pag. vii. xx VQORBERICHTX , Dampkringf , byzonderlyk in Nederland , te , waarneemen , en dus de Natuurlyke Historic des Damp' , firings van ons Vaderland verdcr te volmaaken. , F. ) Ook was in 1781. voorgefteld de Vraag, om , te beantwoorden v66r 1783 ' - Kan men de Snel- , held der firoomcnde Waieren op allerleije Diepten , en , dus ook de middelbaare Snelheid in iedere Doorjnede , , door cent gen Tbeoretifchen re gel , die door de onder- , t?f nding bevestigd is , bepaalen? - ofitzulksaUecn , mogelyk door middel van daadfyke Proeven ? - En , welk is in dat geval het Werktuig , het geen aan de , minfte gebreeken onderhevig , en door votdoende Proef- , neemingen gewettigd, in alle gevallen tot het vinden* , dcr verfchillende Snelbeeden gebruikt kan worden ? -> , Welke Vraag als toen niet voldoende beanrwoord zyn-t , de , is beflooten dezelve op nieuws voorteftellen , cm , te beantwoorden vodr het begin van het Jaar 1786. , G.) In het Jaar 1784. opgegeeven om te beant- , woorden voor primo November 17^6. uit het Fondt , van wylen den Heere N. W. KOPS : Hoe verre kan men uit de onlangs in \ licht gegee- vene Proefneemingen van den Heere SLNEBIER ( *) en anderen , door nieuwe beflisfende Proeven bewy- zen , in welke omftandigheeden de Pianten in haarert natuurlyken liaat lucht uic den Dampkring inneemen ; van welken aart dat gedeeke der Dampkringsluchc zy , ,, het geen de Pianten inneemen ; hoe deeze inneeming C * } Memoir ss Pbyjico Cbymiques t? recbercbe fur I' Inflwnce de la Lumierc jolnire , par JEAN SENCBIER,; Geneve 1782 & 1783. 4 tome?. VOORBERICHT. xxr of opflorping der lucht gefcbiede ; welke verandering deeze luchc in de Planten ondergaa ; in welke omftan- ftandigheden en op welke wyze de Plan ten dezelve we- der uitgeeven ; en ten welkin nucte deeze in - en uit- adenmig voor de Plamen diene ? " , IT.) De Vraag, opgegeeven in 1781. om tebe- , ancwoorden v66r hec begin van 1787 : zyn de beste en vaardigfte Middelen , om het gebmik der Nederduitfche Spraak onder de Mala- jers , Javaanen , Cingaleezen en Mulabaaren intevoe- ren , en meer en meer algemeen gebruikelyk te maaken N'idemaai bet ontegenzeggelyk if , dat het gebruik der fpraak ecner Natie , de andere , die ze aanleeit, m^r ain bjar verbind , baar meer genegenbeid en yver voor die Natie inboezcm; ; ze gejcbikter maakt , zo bet een n g onbcjcbaafde Natie is , tot betere begrtppen van Godsdienst , Zedekunde , Natuurkundige Naafpewin- gen , om befcbaafdbeid van bet verjland te ontvangcn , en dur brutkbaarder tot de Zeevaart , Wapenneffening 9 en veele andere nuttige en noodzaakelyks Kunften en Handwerktn te wordent , T. ) De Vraag, voorgefteld den &i. Mey 1782. ,- , om te beantwoorden v66r primo January 178^ : , Door welke Theoretifche , en door de ondervinding , bevestigde Voorfcbriftcn , ban men de gezondbeid zul- 9 ker Menfcben bebouden , die uit dn gantjcb verjcbil* , lend Climaat , en by een zoo weinig ovsreenkomftige , noodzaaklyke levenswyze met bunnen eertyds gewoonen , in Oosc- Indicn aankoomen '? Welke zekere Algemee- ne Rcgels kan men daaromtrcnt geeven ? en welke by- * * 3 , zon- XXI) VOORBERICHT, , znndcrpn , naar den vcrfcheelenden uiterlyhn flaat Zut* , ket Mwjchen ? , K ) De Vrang : Wa* wott ir.fn denhn van de 9 l*t.f) wyze Opklimmingt , weUe vcele , zoo Oude als , bedttifiaag/cbe Wysgeercj htbben gc field plaats te htb- 9 ben tus/chen de h'atuurlyke Weeens , en toi welk eens , '<,cktrheid kunr^n w\ gitaaben owtrent het daadlyke be* , jiua" van din Upkiimm'inge , en van de orde , dcuoelke , tie- Katuur daann volf>t ? In het Jaar 1781. 9 voo r de eerjit reize opgegeeven , om te beantwoorden , v66r den i January -78^. en toen niet voJdocn- , de beamwoord zynde , ih op den 21. iVley 1783. voor , de tweede rei^e voor^efteld , om te beantwoorden v66r , den i. anuary 1789. met byvoeginge , dat de Maat- , (chappy op deeze Vr^age geene (Jvcrnatuitrkundige , Ycrhanddingen veilangt , maar Antwoorden , uit de , Naturnlyke Histojie ontlcend , alleen in aanmerking , zai neemen. , L ) De Vraag , in 1784. voorgedeld , om te , beantwoorden vo6r pritrio November 1789 : , H/elke fr de tegenwoordipe Genees-en Heelwyze dcr 8 OOSl IN DISGHE VoLKfe N, O'/k der C H IN E E Z EN , , en wtiken zyn de Natuurlyke /''oortbrwigzels , die %y I daarjoe bezigen ? Voorts VOORBERICHT. xxw Voorts zyn de Toorwaatden 9 even als naar gcwoontc 3 en by voorige Pro- grammata dikmaals genoeg vermeld ; weshalven korthcids-halven daar toe , die hec mqgt aangaan. , word gewee- zen ; met byvoeging van het geen in hct Foorlerkht voor het Een en-twin- tigfte Deel dcezer Verhandelingen 5 bl. xx en xxi. gevonden word , ten aanzien van lleeren Leden deezer Maatfchap- pye ? dewelkcn mogten goedvinden om op eene van haare voorgeftclde Vraagen tc antwoorden. God en het Fadeland te dienen , bl) T ft de onveranderlyke Grondwet dee- per Maatfchappye ^ en y zoo lang dit * * 4 haar V O O R B E R I C H T, haar doel is en zyn zal , vertrouwt Zy , dat de Godlyke Goedheid 9 en de braaf- heid van haare welmeenende Landge- nooten haar niet zullen begeeven. Hit naam far Maatfchappye , C. C H. VANDEK AA, Sccretaris. Haarlem , den 6. December 1785. jf "V NAAM. N A A M L Y S T DER TEGENWOORDIGE fff S St SV DIRECTEUREN VAN D E HOLLJNDSCHE MAATSCUAPPYE, DER WEETENSCHAPPEN, GESCHIKT NAAR DE ORDE DBS TYDS. MR. ANTONIS SLICHER , Raad in de Vroed- Jcbap en Burgemeester der Jtad Haarlem , enz. ct>z. den ai. Mey 1752. Mr. JAN THEODORUS KOEK , Raad in de ywifihap en Burgemeester derzelvcr flad Haarlem , den a i. Mey 1752. ** 5 ZVNE ( xxvi ) ZYNF, DCORLUCHTTGE HOOGHEiD W I L L E M >RINS VAN CK'/N3E NASSAU , J s LANDS ERFSTADBOUDER , ENZ. ENZ. CNZ. , Aan wien door de Heeren utrefteuren de Tyrel van P ROT EC TO il deezer Maatfchappye is opgedraagt-n , den 31. July 1754. * ' "' ' "* f* m *i ' 4* 'if * T Mr JAN FREDRIK PARVE , T?J^ in A, Fr^- y^p en Burgcmecster dcr (lad Haarlem , Rentmees- tcr van Rhwland , enz* enz. den 15. July 1755. ANTON! K'UITS , Raat in de frocdfcbap , ^ hwgcmetster der jtad Haarlem , enz. enz, den i. February 1757. ZYNE DOaHLUCHtrC^ HOOGHEID CAREL , Prins van Nas/av-iyeilburg , enz. enz. enz* den 22. Mey 1758. OTTO F R E p E R I K , Graa^c^an Lyndon , He c- re van Nederbemert en de I'oorst , dmp'inan van de Overbetuwe, enz. enz. den 5. February 1765. ADOLPH JAN HESHUYSEN , Raad in de' Proedjchap , en Burgemeester der flad Haarlem , den 5. February 1765. JEAN GYSBERTO DECKER, SchcpencnRaad der flad Haarlem , den 21 , Mey 1766. Mr. IWr- ABRAHAM CALKO^N , Heer van Kortenloef, enz. enz. den 21. Mey 1772. Mr. JAN VAN LOON, Oud - Secret arts der Jtad Awfterdam , enz. enz. den 21. Mey 1772. Mr. RUTGERUS PALUDANUS , Burgemcestcr en Raad in de I'roedfchap der ftad Aikmaar , enz. enz. den 21. Mey -1772. Mr. CORNELIS VAN LENNEP , Schepen en Raad 9 enz. enz. te Amfttrdam , den 21, Mey 1772. Mr. PIETER VAN BLEISWYK , Raadpcr.fi marts en Grout- Zegelbcwaarder van Holland en land , Curator van ^ Lands H.,ogc Scboo.'e te Ley 'den , enz. enz. in V Hage , den 24. Mty i/^j. Mr. ZACI1 ARIAS HENRIC AI EWYN , Heer van Mynden en de belie Loosdrecbten , Schepen en Raad der ftad dmfterdam, enz. inz. den 24. Mey 1773. CORNELIS JACOB VAN DER LYN, enz. enz. te dm/terdam , den 24. Mey 1773. Mr. ALEXANDER HIERONYMUS ROYER, Secretans van Hun Edele Grooi Mogenden , ^722. enz. den 2.2 Mey 1775. Mr. N T C O L A A S FA AS , Schepen en Raad der /lad Amfterdam , enz. enz. den 21. Mey 1776. Mr. JOACHIM FERDINAND DE BEAUFORT, VAN DUIVENDYKS, Raad der Dometnen van Zyne Do-rluchtige Ho gheld , Drost van Ysjelftein , enz. enz. den 25. Mey 1776. PRINS ( XXVII! ) PR INS DEMETRIUS VAN GALLITZIN , Geweeten &xna*rdin. Envoyt van haare Rwteizerl. Majefltit by hun Hoog M^genacn , den 21. Mey 1777. Mr JOACHIM RENDORP, Hesr van Marqucne , Jlu'gemeeMer der /tad Amfierdam , enz. enz. den 2U IVley .777. Mr. GYSBERT ADRfAAN PATYN ,| Burgemeester en Raad aer fta.i Haarlem , den 24. Mey 1777. Mr YSBRANDUS JOHANNES FABER VAN K IE 'VI S D YK , Raad in de froedfchap en Hoofd* (:>ffi:.ter der laatstgemetde Stad , enz. enz. den 21. M.'V 1777- JOHANNES MATTHIAS ROSS , Oud Direfour van \a-en , enz. enz. den 21. Mey 1777. Mr. HERMAN GERLINGS , Scbepen en Raad der flat Haarlem , enz- enz. den 21. Mey 1778. CORNEL1S PIETER BARON VAN LEYDEN, Prybecr van Warmond ^ Schefen en Raad der ftad Haarlem , den 21. Mey 1778. WILLEM ANNE LESTEVENON, Prybeervan Hazaartswoude , Schefen en Raad der flad Haarlem 9 den 21. Mey 1778. JOAN FREDRIK o'ORVILLE, Scbepen en Raad der ftad Amjterdam , den 21. Mey 1778. Mr. ERNESTUS EBELING, 4ttoocaat 9 enz. enz. te Amfterdam , den 21. Mey 1778. Mr. Mr. WILLEM EMMERY DE PERPONCHER DE SEDLNITZKY, Heer van Wulpkaaniayk , geeligeerde Raad in bet Ee*fte Ltd van bun tdel- Mtgtnden* de Heer en Staaten V Lands van Utrecht* den ai. Mey 1778. GERLACH THEODQRUS VAN DER CAPELLEN , Heer van Schonauwe , befchreeven in bet Ltd van de , Heer en Edelen enMdderJ chaff en 's Lands van Utrecht, den a i. Mey 1778. GERARD AARNOUD TAATS VAN AMERONGEN, Heer van Scbattwyk T befchreeven in het Lid van de beeren Rdelen en RidderJ chaff en 'j Lands van Utrecht, den 21. Mey 1778. FREDRIK CHRISTIAAN REYNHARD, Baron van Reede en dgrim , Graave van dthlone , Pry beer van dmerongen , enz. enz. den 21. Mey 1779. Mr. G. VANDER HOOP* GYSBERTSZ. Scbepen enz. enz* der ft ad Amsterdam , den 21. Mey 1779. WILLEM ARNOLD ALTING , Gomermur Gene- raal van Nedwlandjch Indien , enz* enz. te Batavia , den 21. Mey 1779. JOHANNES JACOBUS CRAAN, Raad Extraor- dinair van Nederlandlch Indien , enz. enz. te Bata* via , den 21. Mey 1779. ALBERT VERRYST, Medit. Doft. Scbepen en Raad der ftad Gouda , enz. enz. den 22. Mey 1780. Mr F. M. VAN BERGK , ddvocaat voor den Edelcn flow van Gelderland , enz. enz. te Arnhem , den 22. Mey 1780. *M Mr. ( XXX ) Mr. JAN CAREL GO DIN, en*, enz. tc Utrecht, den iii. Mey 1781. Mr. FREDRIK WILLRM BOERS, Jdwcaat van d* E. R. Qostindijche Compagme deezer Landen , enz. enz. te slfnftcrdam, den 21. Mey 1782. Mr. JAN TEDING VAN BERKHOUT, -pen en Raad der ftad Haarlem , enz. enz. den 21* Mey 1783. Mr PI :TER LEONARD VAN DE K ASTEELE , penfijnar'n der gcmeide Stad , enz. enz. den ii. Mey 1783. JACOB HOOFMAN , Koopman binnen de Stad Haarkm , den 21. Mey 1783. Mr. JOHAN BARON MEERMAN , Fryheer van Dalem , tiewindhebber der Oust- Indifchc Compagnie ter Kamer Amfterdam^ enz. enz. m 9 s tiage* den 21. Mey Mr. JOHAN PIETER VAN Dr. R HAAR, Secretaris' der fide *s Hage , den 21. Mey 1783. Mr. CORNELL ASCAMUS VAN SYPESTEYN, Heer van Moermoni en Renafe , en in Noordwelle r Schcven en Raad der [lad Haailem , enz. enz. den 21. Mey 1784. ADRIAAN MOENS , Dlrcfteur Ceneraal van Ncdct landjcb Indien , den 21. Mey 1784. Mr. JAN GERARD WICHERS, Gouwrneur van Sunnamen , den 2 1. Mey 1784. Mr. C Mr. H. VAN ALPHEN, Procurer Grneraal van d* Provintie Utrecht , den si. Mey 1784 Mr. W. VAN HOOGENDORP ^ Raad en Schepen der (lad Rotterdam , enz* en&, den 23, Mey 1785. JOHAN GERARD VAN ANGELBEEK , Raad Ex- traorlli*. van Neaerlandfch Indien , enz. enz. of Cey Ion , den a 3. Mey 1785. t , . NAAM- C xxxn ) NAAMLYST VAN D E T G N W O R D 1 G E L E D E N 9 NAAR ORDE VAN HET JNKOMEN. * * # .: .' - .: -.. ^ : ^ . ^r> CC. H. VANDER AA , Leeraar der Gemeente , toe* gedaan de Onveranderde Aygsburgfcbc Confesfw , binnen deeze ftad Haarlem , Secretaris dcczer Maat- fcbappyc , den 21. JVfcy ^52. Mr. A. WE IS , Profesfor^te Leydcn , den 22. Au* gustus JOANNES NICOL. SEBASTIANUS ALLAMAND, Profesjor te Ley den , den 10. January 1753. JAN SNELLEN, te Rotterdam , den 10. January 1753- JOAN GEORGE HOLTZHEY , Oud Munt-Mees- ter van de Provinciate Munt te Utrecht , enz. enz. te Amflerdam , den 10. January 1753. Mr. Q XXXIII ) Mr P. LYONNET, Jdwcaat in'tHage, den 10* January 1,53. Mr. IAN FRANCOIS DRYFHOUT, Jdvocaat in 'sffage , den 15. July 1755. LAURENS PR A ALDER , Mathematics te Utrtckt 9 den 15. July 1755. HERMANNUS VENEMA , Profesfor te Franeker , den 22. Mey 1758. NICOLAUS YPEY, Profesfor te Franeker , den 22. Mey 1758. DAVID RUHNKENIUS , Profesfor te leyden , den 22. Mey 1758. Mr. NICOLA AS BONDt, ddvocaat te Amfter dam , den 22. Mey 1758- DIRK KLINKENBERG , Ordintrir Klerk ter Sccrc- tarye van Holland , den ?2. Mey 1758. JOHANNES CASTILLON, Profesfor in de Matbeftr, enz. enz. te Berlin , den 21. Mey 1760. PETRUS CAMPER , A. L M. Philofnph. ? Medi- cincs Doctor fc? Profesjor , R. Lond. Soc. &c. $c. den 21. Mey 1760. A. KLOEKHOF , Med. Doftor en Burgemeestcr der ftad Kuilenburg , enz. enz. den 21. Mey 1760. SALOMON DE MONCHY, Med. Doaor en Profesfor te Rotterdam , den 21. Mey 1760* r. TEN HAAFF, Heelmeester te Rotterdam, en Steen* fnyder te Delft , den si. Mey 1760. JU//. Dul. * * * C xxxiv ) MARTINUS VITRINGA, Predikant te Arnbem; den 21. Mey 1761. JACOBUS HOVIUS , Medicine Dottor te Amfletdam, den 21. Mey 1761. JOHANNES FREDERICUS HENNERT, Proftsfor te Utrecht , den 21. Mey 1761. GERARDUS FRIDERICUS MULLRR , Hiftono- grapbus Rusjicus , Academ. Imper. Sclent. Petrop. f$c. ffc. den 21. Mey 1762. EWALDUS HOLLEBEEK, Profafar te Leyden 9 den 24. Mey 1763. HERMAN DB GORTER , Medicine Dtttvr te Am- (lerdam , den 24. Mey 1763. LAMBERTUS BIKKER , Medicine Dottor U Rot- terdam , den 24. Mey 1763. JOHANNES PETSCH, te Tsjelfayn , den * 4 . Mey 1763. JACOB VANDER HAAR , Heel- en Hand -Arts van de Stad en hct Hospitaal der hoofdftad 'sHcrtogen- bo/ch, den 24. Mey 1763. GEORG VAN STENGEL , Gehime Staats- Raad en Kabinet-Secretaris van Zyne Keurvorstl. Doorl. van de Paltz , enz. ent. den 21. Mey 1764. JO HAN DAVID MICHAEL IS, Pbilof. Profesfor Ordinarius op de Hvoge Schoole te Cottingcn , enz. enz. den 21. Mey 1764. JOHANNES OOSTERDYK SCHACHT , Medicine Doclor en Profesjor op de Academle te Utrecht , den 21. Mey 1764. M. C xrxv ) M. MESSIER, 4/lronome , attache 1 au depSt des Plant ds la Marine de France , den 21. Mey 1764. J. J. BLASSIER5 , Pbihfopb. Cottor , Mathematics in 'stiagc , den 21. Mey 1764. CHARLES BONNET , Lid' van den Raad van Geneve , en van verfcheide geleerde Genooijchappen 3 den 5. February 1765. GEORGIUS COOPMANS , Medicine Doftor te Fra- neker , den 5. February 1765. M DE LA LANDE , Lid van verfcheide geleerde Genott- fcbappen , enz. cnz. ie Parys , den 3. Dec. 1765. Mr PET"Rt 7 S BONDAM , jf. U. D. & Profesfor te Utrecht ^ den 3. December 1765. WENCESLAUS JOHAN GUST A V KARSTEN, Pfofesjvr in de Phihfuphie en Mathtjis , te Halle , den 21. Mey 1767. JACQUES DE STEHLIN , Perpetuel Secretaris van de Keizerlyke Academic der Wcetenfc happen , te Pe- tersburg , den 21. Mey 1767. MARTINUS SLABBER , Bailluw en Secretaris van Baarland en Bakendorp , Secreiaris van Oudelande , Lid van de Zeeirwfehe en Keurvorftel. Sax [chc Phyfi* caatfcbe Maatfibappyen , den-c,i Mey 1707. CORNELIS PLOOS VAN AMSTEL, JACOBCOKNE- iisz. , Diretteur van de Academic aer Tckenkurut der Jiad AmfterdaiHy enz. enz. dtn 24. Mey 1768. DIONYSIUS VAN DE WYNPERSSE, A. L M. Pro* fesjor in de Pbilof. Aftrvn. en Matbefis , op de Hooge Stboolc te Ley den 9 den 22. Mey 176^. ***a JEAN JEAN HENRY VAN SWINDEN , Pbilofopb. Doftor tn Profesfor , enz. enz. op het llluflre Atbenaum te Amfterdam , den 22. Mey 1769. JOHANNES FLORENT. MARTINET, A. L. M. mhlloffipb. Doftor , en Bedienaar des H. Euangeliums te ZuipL-en , den 22. Mey 1769. CHRISTIAAN BRUNINGS , Infyefaur Generaal der Rhieren van Holland en IVest - Vriesland , en Op- zicner Man *s Gemeenen - Lands Werken van Rhyn- land , enz. enz. op bet huts Zwaanenburg , den 22. Mey 1709. JOHANNES FRANCISCUS CLEMENS MORAND, Ridder , Doftor en Profeff. in de Medicynen , enz. enz. te Parys, den 21. Mey 1770. A. BRUGMANS, Pbilofopb. & Matbef. Prof ei lor Or dinar. , op de dcademie te Gron inge , den ii. Mey 1770. ALLARDUS HULSHOFF , A. L. M. & Phihfopb. Doftor , Leeraar der Doopsgezindw te Amsterdam , den 21. Mey 1770. AARNOUD VOSMAER , Direfteur van bet Kabinet van Zyne Doorlucbtige Hoogh. den Heere Prince van Oranje 9 enz. enz. den ai. Mey 1770. MATTHIAS VAN GEUNS , Med. Dottor en Profesjor te Harderwyk , den 21. Mey 1770. . BOUDEWYN TIEBOEL, dpotbccar te Groningen, den ai. Mey 177. DAVID C xxxvii ) DAVID VAN GESSCHER, Heclmeetter, enz. enz. te dwfterdam , den ai. Mey 1770. M. IE MARQUIS DE ST. SIMON, den 21. Mey 1771. Mr. FREDERIK ADOLPH VAN DER MARCK, j- # > Profesfor te Deventer , *HS. #22. den ai. Mey 1771. EDUART SANDIFORT ,' Med. Docl. 4nat. p Chir. Profesfor te Ley den , den ai. Mey 1771. ENGELBERTUS MATTH^EUS ENGELBERTS , Bcdien&ar det Heiligen Euangeliums te floorn , den si. Mey 1771. ALEXANDER PETRUS NAHUYS , Medic. Dottor en Profesfor te Utrecht , den ai. Mey 1771. JOH. FRED. CLOSSIUS , Medic. Doftor in 'sHage, den 21. Mey 1771. PYBO STEENSTRA, Pbilofoph. Doftor , LeBor in de Wis- Zeevaart- en Sterrekunde , te dmfterdam , den a i. Mey 1771. GEORG BRUGMANS, Med.Doftor, Burgemeester 9 enz. enz. te Dockum , den 21. Mey 1772. P. BODDAERT , Medic. Dottor , Qud.Raad der ftad Wisfingen , Lid van wrfcbeide dcademien , enz. enz. te Utrecht , den ai. Mey 1772. *3 Mr. Mr. HENRICUS JOHANNES ARNTZENIUS, J U D. & Profesfor te Groningen , enz. enz. den 21. Mey 1772. Mr- GERARDUS NICOLAUS HEERKENS, J. V. D. Lid van de Arcaden te Romcn, van dc Aca- (fetnie van Cortnne , van Vli^in^en , en Correspondent van dc /Jc'a-ieinie des Belles Littres te Pary*, enz enz. le Gromngen i den 21. Mey 1772. BENJAMIN CARRARD, Miniftre du St. Ev. a Orbe , Cantons de Berne fcf Fribourg , en Suisje , den 21. Mey 1772. FRANCOIS HEMSTERHUIS 9 . Cmtnis van den Raarl van Staaitn , enz. enz. in *s tia&e , den 21. Mey 1772. JOHAN GOTTLOI^ WILHELMI , Predik. te Diebfa in den Opper- Lausnits , Lid van verjcheide Maat* f chappy en, enz. enz den 21. Mey 1772. NICOLAUS LAURENTIUS BURMANNLS , Met. Doftor en llntan. Proft>Jor> enz. cnz. te Amftetdam^ den 24. Mey 1773. PETER JONAS BERGIUS, Pro fa for Hi/tor. Natur. tfc. fcfc. te Stokholm , den 24. Mey 177,5. JOHAN-N ESAIAS SILBERSCHLAG , Koninglyti Pruisjifcbe Opper . Confiftoriaalraad en Upper - Bourn- raad , Direfteur der Reaal - School* , *-erft* Predi* kant , en Lid van de Kuninglyke Pnnsfifche Maat* fchappye der Weetenfchappen te Berlin , cnz. enz. den 24. Mey 1773. N.J. ( XXXIX ) f{. J. DE NECKER, Botanicusl en Hiftoriograpbu* wan Zyne Keurvorstl. Doorluchtigheid van de Paltz , Or din. Lid van Hoogst - derzeluer Academic te Man- teim , enz. cnz. den 24. Mey 1773. HUGO WILLIAMSON, Medic. Doftor, en Profesfor te Philadelphia , enz. enz. den 24 Mey 1773. GEORGE WILLEM STEIN , Hofmedicus van Zyne Doorluchtigheid , den Heere Landgra if van Hesfen- kasjel enz. enz. te Kasfel, den 24. Mey 1773* WOLTER FORSTEN VERSCHUUR, MilDoSor en Profesfor te Groningen , den 25. Mey 1774. . J. F. W. JERUSALEM , Viceprafident van *t Confljl. en Abt van Riddagsbauzen , enz. enz. te Brunswyk , den 22. Mey 1775. JOH. THEOD. ROSSYN , A. L. M, PbiloJ. Doctor , Philofopb. 6? Matbef. Profesjor te Utrecbt $ enz. enz* den 22. Mey 1775. ANTONY PORTAL , Leeraar der Geneeskunde van de Hooge Schools te Montpeltter , van bet Konlnglykj Genootjchap der We etenfc happen , en Foorleezer der Ontleedkunde , enz. enz. den 22. Mey 1775, . . . . LOUIS, Secretaire de F Academic d& Cbi- rurgie , &c. &c. & Paris , den 22. Mey 1775. IMAN JACOB VAN DEN BOSCH, Medic. Doftor in , den 22, Mey 1775. ADOL- C ) ADOLPHUS YPEY, A.L.M. Phihf.cn Doftor , en Botanicus Left* , enz. enz. te Franeker y den 22 AJey 1775. JACOBUS ROCQUETTE , 'Medic. Doftor, en Lctlor in de Anatomie , Chirirgie en froedkunde , enz. te Haprkm , den 22, Mey 1775- JOH. FRED. MIEG , Profeijnr op de Academie, te Heiaetkerg, den 3,2. IVIey 1775. C. HOEFMAN, JANSZ. Medicine Doftor, en Lee- $or m de fa >edkundc , enz. enz. te Alkmaw , den 22. Mey 1775. JOHANNES LUBLINK , Direfaur der Maatfchappye tot redding van Drenkelingen , enz. enz. te Amlter* dam, den 22. Mey ^775. JOHANNES MUNNfKHOF, Cbtrurgyn , enz< tnz. te Amfterdam, den 22, Mey 1775. FLORENTIUS VERSTER , Mid. Doftor in 'sBofeh, den 21. Mey 1776. GAD SO COOPMANS, P'-ofisfor te F*aneker, en* enz. den 21* Mey 1776. J. DE VR'ES , Anat. 6? Chirurg. Lettor te Leeuwaar- den , den 21. Mey 1776. f . . , MICHAIN,-^ 'tr&nome de la Marine de France , den 21. Mey 1776. P. J. COLLIN, Confiilhr Imp fc? Royal a la Re genet lie la Basje Autriche , fc? Phyflcien de 2' Hopital Paz- , deq 21. Mey 1776. MAR* MARTIN US VAN MA RUM , A. L M. Phtlofopb. fi? Mediants Dcftor , Phyfites & JMatbefeos -LtStor , DIRECTEUR van bet Kabinet der Natuurlyke Ztld- zaamheden deezer Maatjchappye , enz. enz. te Haar* lem, den ci. Mey 1776. JERONIMO DE BOSCH, JCRONIMUSZ. Eerfte Clercq ter Secretary e te dinfterdam , den 21. Mey 1776. EVERARD PIETER SWAGERMAN , Chirurgyn te Amjierdam , den 2?. Mey 1/76. M- MOREAU , Conjeiller. A fa Cour des Aifas de Provence , Hiftoriographe de France , a Paris , den si. Mey 1777. Mr. M. T YD EM AN , y. V. D. & Profesfor op de Hooge Schools te Utrecht , den 21. Mey 17/7. NIC. WILH. SCHROEDER, Profesfor in dt Oosterfche Taalen en Antiquiieiten , te Croningon , den a i. Mey 1777. G. J. BEUTH, Med. Doftor, Profesfor artis Qbfletr. te Cleve , den si. Mey 1777. Mr. WILLEM HENDRIK VAN HASSELT^ te Zutphen , den 21. Mey 1777. FERDINAND DE JEAN, Medic. Dottor te Leyden, den si. Mey 1777. AGGE ROSKAM KOOL, Koopman in de Beverwyk , enz.enz. den 21. Mey 1777. * 5 MEL ( XL11 ) JWELCHIOR HURTER , toen te Amflerdam , tiiab* waonende te Schafhaufen , den 21. IVJey 1778. , . . . A C H A R D , Lid van de Koninglyke Aca- demie te Berlin , den 21. iVIey 1/78. J. BALLEXSERD , Burger van Geneve , woonendetc Parys, den a,. Mey 1778. JEAN S N E B I E R , Mini fire du Saint Evangile , fjf 'JtbHothecaire tie la Piile de Geneve , den 21. Mey I?? 8 - DIRK VAN DEN BOSCH , Scbewn dtr (lad Ysfelftein , enz. em. den 21. Mey 1779. CHRISTOPHORUS SAXE , A. L. M. &? Pbihfopb. Doctor , dmiq. & Human. Liit. ProfesJ. of de hooge Scboote te Utrecht , den 21. Mey 1779. JACOBUS DE RHOER , JACOBI FIL. Eloqu. & U Gr. Prof. Ordin. te Groningen, den ai. Mey 1779. Mr. CORNELIS W. DE RHOER , J. U. D. Hi/lor. * Eloq. 6? Ling. Gr, Prof. Or dinar, te Harder tbyki den 21. Mey 1779. Mr. HERMANNUS TOLLIUS, J. U. D. Hfa Eloq. ?c. ffc. Prof, op het Illu/tre slthenavm te Amfter- dam , den 21. Mey 1779. . ADAM SMITH, Profesjor te Glaskow , den 21. Mey 1779. JONA WILLEM TE WATER, Profesfor enz. enz. te Ley den , den 21. Mey 1779. PETRUS { XLUI ) PETRUS NICOLAUS LOTICHIUS , Medic. Dottor te Nyrnegcn , den 21. Mey 1779. PIETER MATTHYS NIELEN, Medicin* Doftor te Utrecht 9 den 21. Mey 1779.* GERH. GYSB. TEN HAAFF , Med. Doctor enz. enz. te Rotterdam , den 21. Mey 1779. ANTOINE GEORG ECK HART, Lid van de Ko- , ninglykc Londenjcbe Societeit , den 21. Mey 1779. JOHANNES HOOYMAN, Luterfcb Predtkant tc Batavia, den 21 Mey 1779. JOANNES RUNNELS , A L. M. 6f Pbihf. Dottor of St. Eu/tacbius , den 21. Mey 1779. ANDREAS BONN , Mcd. Doftor , Anal. 6f Cbirurg. Pr-ifetfor am het Llluflre Atbtnaum , enz. enz. t? Amfterdam , den 22. Mey 1780. FREDERIK CHRISTIAAN MEUSCHEN, Legations - Raad van verjcheiden Duitjche Forften t en Lid van verfcheide Genootjcbappen , den 22. Mey I78O. 2;|- CHRISTIAAN ROSE , //. L. M. Philofopb. ? Doftor , 0^^- Commandeur van Jaffanafatnam, enz. enz. den 22. Mey 1780. Mr. PJETER PAULUS , Fiscaal van ds Admlraliteh of de Maze , den 22. Mey MARTINUS HOUTTUYN , Medic. Doftor enz. enz. te Amfterdam , den 21. Mey 1780. LAU- XLIV LAURENTIUS MEYER , Predikart te Tmyzel en Kooten in Fnesland , den as. Mey 1780. FRANCOIS WILLEM DE MONCHY , Med. Dottor enz. enz. te Rotterdam, 4 en * 2 M e Y 1780. JAN WILLEM VAN ARP , te Amsterdam , den 22. Mey 1780. J, W. C. A. BARON VAN HUPSCH , Lid van ver- Jcbcide geleerde Gen^otjcbappsn , enz. enz. te Keulen, den 21. Mey 1781. CASIVHR CHRISTOPH SCHMIEDEL , M. Ge- beime fJof Raad en Eerfte 'Archiaier van Zyne Door- lucntigc Hoogbtid van Brandenburg dnjpach enz.tnz. den 21. Mey 1781. CAROLUS PETRUS THUNttERG , Medic. Dottor en Pr fe'/or op de Hooge behove enz. enz. te L'pjal , den 21. Mey 1781. JACOBUS GUMMER, Medic. Dottor , en Ar* chiater van bet Landfcbap Drentbe , te Groningen , den 21. Mey 1781. JOSEPHUS BENKO X , 'Predikant te Kozep-4jtc in Zevenbergen , den 21. Mey 1781. BERNARD KEUN, Predicant in de Gereformeerde Gemeente te Smyrna , den 21. Mey 1781. H. ^ENE^E , A.L.M. Pbilofoph. Dotior , enz. enz. te Amflerdam , den 21* Mey 1781. HERMANUS VAN DYL, ttjlmfterdam, den ar. Mey 1781. MAR- MARCUS ELEASAR BLOCK , Medic. Doftor, enz. teBerlyn, den 21. IVJey 1788. DE ABT TOALDO , Profesfor in de Aflronomie , enz. . tePadoua , den ar. Mey 1782. ALEXANDER m VOLTA, ProfesforPhyficesExpe- rimentalis &c. &c. te Pavia, den *I. Mey 1782. ABRAHAM ARENT VANDER MEERSCH , Profet- for in de tieilige Godgeleerdbeid en Kerkelyke Gejcbie- denl^en onder de Remonftranten enz. enz. te dmfter* dam * den ai. Mey 1782. NICOLAAS PARADYS , Profesfor enz. enz. te Ley nen , den 21. Mey 1782. MEINARD SIMON DU PUI , Medic. Dottor , Anal. Chirurg. f Artis Obftetr. Leftor , &c. &c. te Kam* pen , den 21. Mey 1782. ADRIAAN PAATS VAN TROOSTWYK , Koopman, . enz. te Amfterdam , den 21. Mey 1782. RUD.*FORSTEN, Medic. Doftor en Profesfor te Harder wyk , den 21. Mey 1783. JAN RUD. DEIMAN , Med. Doftor te Amfardam , den 2f. Mey 1783. HENDR NIC. LA CLE , Koopman en Secretaris van de Weeskamer te Baiavia den 21. Mey 1783. JACOB CASPER METZLAR, oudPred.te Batavia, Pred.te Beujecom, den 21. Mey 1783. M. BU- ( XLVI ) M. B UC H OZ , Medecln fa Movfr. fnn du Roy h Paris, den 21. Me? M. B A I L L Y , Garde des Tableaux du Roy h Paris , den 21. Mey 1783. PHILIPPE ROSE ROUME m ST. LAURENT, den 21. Mey 1783. JOHANNES SAMUEL CREUTZ, A. L M. Philof. Doftor , en Direfteur der Werken van deftaddtnfter* dam , den 21. Mey 1/83. JAN LUCAS VAN DER TOOREN , Notaris en Procu- reur te Alkmaar , den 21. Mey 1783. CORNELIS ZILLESEN , Hoofdgaarder der befchree- vene Middelen over de Stad en Resforte van Schie- dam , den 21. Mey 1783. PETRUS THEODORUS COUPERUS , PrediL der Hervormde Gemeente te Gouda, den 21. Mey 1784. Mr. ADRIAAN WITTERT VAN BLOEMENDAAL, enz. enz. In de Beverwyk, den 21. Mey 1784. JOHANNES WILLEMSE, Gz. Stads DoCtor te Haar* lent , den 21. Mey 1784. JOANNES GEORGIUS BUSCH, Profesfor in de Mathejis te Hamburg , den 21. Mey 1784. J. H. DE MAGELLAN, te Londen , den fti.Mey 1784. FLORIS JACOB VOLTELEN, Medic. Dottor, ejus* demqut Facult 6? Cbem. P f ofesjor opde Hooge Schools te Leyden, den 21. Mey 1784* J-c Xtvn j. C KLOCKNER, Medic. Dn&v , Dire fauna* het Natural i en -Cabinet van bet Genootfcbap te Bata* via , tfen 41. Mey 1784. GERRIT JACOB GEORGE BACOT, A. L.M. Pbiloi. Doftor , en Predikant in Groningcrland , den 21. Mey 1784. CHRISTIAAN HENDRIK DAMEN , A. L. M. ? Philof. Doft. en Prof, te Leyden, den 21. Mey 1784. JAN BERNARD JACOBS , An. Obftetr. Profetfor fubl. & Coll. Med. Gand. Asjesfor 9 Gezwooren Heelmeester , Gepenfioneer dc dsr Stad Gend, den ai. Mey 1784. M. DUFAY, Membre de la Soctttt Royale des Sciences de Montpellier , te Orleans , den 23. Mey 1785. JOSEPH MANDRILLON , Membre des Academies de liourg en Bresfe & de Pbiladelpbie , en Koopman te Amflcrdam , den 23. Mey 1785. JNHOUD I N H O U D VAN 0IT X X I L D E E L. ; A NTWOORD op de VRAAGE : Welken zyn de Cron- /-\ den en Kenmerken van de Analogic ? En boe ^" betaamt btt eenen Wysgeer zicb daar van te be- dienen by bet onderzoek der Phyfifche en Moreele Waarbeden ? door Frederic de Castillon , Profesfeur en Mathematiques TAcademie Royale des Gen- tils Homines a Berlin* ... BLadz. I II. ANTWOORD op dezelfde VRAACE , door Jofepbus Pap de Fagaras , Dodlor en Profesfor in de Philo* fophie, en Profesfor in de Mathefis, op hec Athe- nasum te Vafarhely in Zevenbergen* - 87 Onderzoek nopens het ZEDELYK LOT der Kinderen na die leven ; door Lambertius Meyer. 249 Bericht nopens het V o G K L G R A s , van den Heer D. de Gorier , Jz. M. L). en Profesfor , enz. 471 JBefchryving van een NAVEL- EN BUIK BREUKBAND; door Adrianus de Bosfjn , Heel - en Vroedmeester te Amfterdam. - 474 Waarneemingen op Zwaancnburg $ voor de Jaaren 1782, 17*3 e *7&4- AIST- ANTWOOR.D P D E V R A A G E , VOORGESTELD DOOR DE HOLLANDSCHE MAATSCHAPPYE DER WEETENSCHAPPEN TE HAARLEM, Welken zyn ds Gronden en Kcnmerken van de Ana- logie ? En hoe betaamt bet ecu en FFysgeer zicb daarvan te bedicnen by bet onderzoek der Phyfifche en Moreeie Waarbedcn ? DOOR FREDERIC DE CASTILLON, Profejfeur en Matbematiquer d V Academic Royale des Centils Homines d Berlin. ONDER DE ZINSPREUKE: Brevis effe labor o. HORAT. R E P O N S E ALA QUESTION, PROPOSEE PAR LA SOCIETE DE HARLEM : Oaeh font les Princifes & les Carafttres de /'Ana- logic , ? comment le Philojopbe doit il fen Jervir dans la Recherche des Writes Phyilques S* Morales ? XXIL DecL A Biadz. 3 A N T \V O O R D OP D E V R A A G E : Welken zyn de Gronden en Kemnerken van de Ana- logie ? En hoe betaamt het ecnen Wysgeer zicb daarvan te bedienen by bet onderzoek der Phyfifche en Moreele pjSaarheden ? I. Gronden en Kent eke nen der Analogic. Gevolgen. 7* r zyn a^leen twee Middelen > om naauw- *. keurig het denkbeeld te bepaalen 5 het geen rtien hegten moet aan een woord ? het welk men reeds zeer lang gebruikt heeft s zonder deszelvs waaren zin te doorgronden. REPONSE A LA QUESTION: ont les Principes & Ics Carafteres de /'Ana- logic , fcf comment le Philo/opbe doit it s'cn fervir dans la Recherche des Writes Pbyfiques 6? Morales? J. Principes &P Caratteres de /'Analogic. Confluences. Tl n'eft que deux Moyens de fixer avec pr^cifion Pidde 9 qu'on doit atcacher a un mot , dont on s'eft longtemps icrvi , fans jamais en approfondir le vrai fens, A z If 4 ANTWOORD op DE VRAAGE Of men moet Schryvers , die eenige agting hebben , en dit woord gebruiken , met elkan- der vergelyken , en uit deeze vergelyking des- zelvs waaren zin afleiden , of de taalkundige oorfprong ( Etymologic ) en de daar uit voort- vloei'ende beredeneering te hulp neemen.' Het eerfte deezer Middelen zoude onmoge- lyk zyn in het onderzoek dat wy ons voorftel- len , wegens deszelvs langwyligheid ; en zoude ook behalven dat onzeker zyn , wyl zelv de naauwkeurigfte Schryvers dikwerf zeer verfchil- lende denkbeelden hegten , aan een Woord, welkers gebruik noch door algemcene overeen- komst ? noch door gezag vastgefteld is. Laaten wy ons dan tot de taalkundige aflei- ding en daaruitvloeiende redeneering wenden. Het II faut, ou comparer entr'eux tous les Auteurs un peu refpedtables qui ont employ^ ce mot , & cteduire fa veri* table Signification de cette comparaifon ; ou recourir h Terymologic & a la discuffion. Le premier de ces Moyens feroit inpraticable par fa longueur , dans la recherche que nous nous propofons ; il feroit encore peu fur, parceque les e"crivains mme les plus exadts , attachent fouvent des iddes tres difFerentes & un mot, dont la convention , ui 1'autorit^ , n'ont fix^ }' ufage. Recourons done a Tctycnologie & a la discullion. Le OVER DE ANALOGIE, ENZ. g Het woord Analogic is uit twee Griekfche woorden zamengefteld , waar van het eene dui- delyk iets aanduid , dat tot het verftand of de reden behoord , en het ander een zoort van over 'shandfch verband tusfchen twee Onder- werpen. Dit geeft gelegenheid om te denken , dat 'er eene Analogic is , alom waar men een verBand of gelykheid* ziet 5 die tot de Reden behoord , of van het verftand kan begreepen worden. De zin 5 welke de Meetkunde de naauwkeu- rigfte der Wetenfchappen aan het woord Ana- logle hegt , fchynt deze gisfing te ftaven. Twee redenen maaken eene Analogic ^ wanneer zyge- lyk zyn ; deze gelykheid nu kan niet begreepen worden , dan door de reden , of het verftand. Verder is het blykbaar , dat Analogic in dit ge- val juist gelykheid van twee redenen aantoond. Om Le mot Analogic efl compofe de deux mots Grecs * dont Tun fignifie manifeltement quelque chofe qui tient a la raifon , S 1'intelled- , 1'autre une efpece de liaifon , de icciprocir^ entre deux objecs. Cela fait foupgonner que YAnalogie fe trouve par- tout 011 fe trouve une liaiion , une reflemblance du rcflbrt de la raifon , ou perceptible a 1'intelied. Le fens attache en Ge'omc'trie la plus exafte des fcien- ces au mot Analogic , paroit confirmer ce foupc/oo. Deux raifons font une Analogic lorsqu'el.les font dgales ; or cet- te c^galit(i ne peut s'appercevoir que par la raifon , ou par I'entendeiiitpt. D'ailleurs il eft clair q\ Analogic iigmfie exadlemcnt ici i cgalite de raifous. A 3 Four 6 ANTWOORD OP DE VRAACE Ora hct obfcurus fio van HORATIUS te ver- "mydcn , moet.ik wat wydloopig zyn , omtrent het geen ik , gelykenis of overcenkomst in het algemeen noem ; en de gelykenis of overeen- komst die tot de reden behoord , of door het ver- nuft kan begreepen worden, in het byzonder. De Menfch is vatbaar voor gewaarwordingen. en aandoeningen. Ik noem aandoeningen {Senfatien} alle xvy- zingen (rnodificatien) der ziele , die middelyk of onmiddelyk door de zinnen veroorzaakt worden. Gewaarwordingen noem ik alle rnodificatien der ziel 5 die noch middelyk noch onmiddelyk door de zinnen voortgebragt worden , fchoon dezelve hen dikwyls tot geleiders ftrekken% Ik zie dus het azuur des Kernels , myn ziel heeft dan eene aandoening van Blaauw , door mid- Pour dviter Yobfcuniffio d* Ho RACE, il faut m'eren- dre un peu fur ce que j'eppelle reflemblance en gendrl , & reflemblance du reflbrt de la raifon , ou perceptible a Tin- tell eft en particulier. T Homme eft fufceptible de fenfations & de perceptions* J'appelle Senfarion route modification de Tame produite dircctement ou mdireftement par les fens. Et Perception toute modification de Tame qui n'eft pro- duite direftemeqe ni indireftement par les fens 9 quoique fouvenc cciu-ci lui fervent de v^hicule. Ainfi je regarde 1'azur des Cieux, <5c mon ame a la fen- fation du bleu produite immWiaceinsnt par les fens. Je Us; OVER BE ANALOGIE, ENZ. ? middel myner zinnen. Ik lees , of hoor eeno onregtvaardige daad verhaalen , dan heeft myn ziel een begrip van onregt ; in dit laatfle geval is het oog of het oor als een geleider tot myn begrip , maar het heeft het zelve noch midde- lyk , noch onmiddelyk voortgebragt , want ze- ker hebben noch myn Gezigt , noch myn Ge- hoor 9 my een denkbeeld van onregt konnen geeven , even min , als alle mogelyke redenee- ringen ? my een aandoening van blaauw konnen verfchafFen , zonder myn gezichts zin, De aandoeningen konnen elkander gelyken ,' even als de gewaarwordingen. De eerfte de- zer gelykenisfen of overeenkomften , noem ik Natuurkundige gelykenis ? wyl zy op het Na- tuurkundlge , of vermoogen der gewaanvording van den Menfch werkt. De tweede noem ik Zedekundig? gelykenis of overeenkomst ? wyl Us, ou j'entends raconter une aiflion injufle , & moa ame a la perception de Tinjufte ; dans ce dernier cas le fens de la vue , ou celui de 1'oui'e a fervi de ve*hicule ^ ma perception , mais ne Ta produite direftement m indi- redlemenc ; a coup fur ce n'efl ni ma vue ni mon oui'e , qui nVont donn^e 1'id^e de .Tinjuftice, tout comme tous )cs raifonnements du monde ne m*auroienc jamais caufe la fenfation du bleu , fans le fens de la vue. Les Senfations peuvent fe reflembler entr'elles, aind quo les Perceptions. La premiere de ces reflembiances eft ce que j'appelle resemblance Pbyfique , parcequ'elle agit fur le Phvfique oa fur la faculte" fenficive de Fhornme. La feconde jc r appelle rejfemblance Morale , parcequ'elle af- A 4 fecte 5 ANTWOORD op DE VRAAGE zy op de Zedelyke of de redelyke vermogens van den Menfch betrekkelyk is ; en deze laat- fte is het , welke ik hier voor meldde , wan- neer ik van eene overeenkomst fprak , die tot de Reden behoord , en door het verftand kan begreepen worden. Alle gelykenis of overeenkomst loopt uit op eene ge'ykheid van aandoehingen , of gewaar- wordingen. Het afbeeldfel van een Menfch gelykt hem, wanneer de trekken, het coloriet, en de gcheele houding van het tafereel dezelve uitwerking op het Gezigt doen , als het origi- neel of de Menfch zelv , die afgebeeld is ; dat is te zeggen : dat zy aan de ziel dezelve ge- zigtsaandoening mededeelen. De wyzen van denken van twee Menfchen gelyken elkander , wanneer die twee perzoonen , in dezelve gele- gendheden gevoelens toonen , die aan de ziel dezelve gewaarwording mededeelen. Maar le Moral ou la facult raifonnable de V Horn me 3 & c'eft cette derniere que j'ai indiqu^e plus haut, en par- ianc d'une reffemblance du reflbrc de la raifon ? ou per* ceptible T intellect. Toute refTemblance fe rduit a une ^galit^ de fenfations ou de perceptions : le Portrait d'un Homme lui reflem* ble , lor.que les traits , le colons , 1'enfemble du tableau, font fur la vue le me^me efFet que TOriginal ; c'eft ^ dire : caufenc a 1'ame la m^rne fcnfation vifuelle. Les fagons de penier des deux perfonnes fe reflemblent , lorsque , dans les mmes occafions , ces deux perfonnes manifeftent des feiniments qui caufenc la me'mj perception a Tame. Mais OVER DE ANALOGIE, ENZ. <> Maar eene gelykheid van aandoeningen en gewaarwordingen onderfleld noodzakelyk eeni- ge gelykheid van oorzaaken. Want indien 'er geene gelykheid in de oorzaaken was , zouden de uitvverkingen 5 die 'er uit voortkomen , en dc aandoeningen en gewaarwordingen, vanwel- ke ik fpreek , niet gelyk konnen zyn. Ik zeg eenige gelykheid, wyl de gefteldheid der zintui- gen , of der ziel noodwendig voor een gedeelte op de aandoeningen of de gew % aarwording werkt. Maar deze gefteldheid kan maar alleen invloed hebben , op den meerderen of minderen indruk der aandoeningen of gewaarwording 5 doch niet op hunne Natuur zelv. Een Af beeldzel in Miniatuur van een Per- zoon , gelykt denzelven , wanneer de trekken der Miniatuur denzelven omtrek toonen , en dezelve evenredigheid hebben met het Origi- neel ; Mais une e'galire' de fenfations & de perceptions , fup- pofe n^ceflairement quelqu'^a/fie dans leurs caufes ; car 5l les caufes n'avoienc pas quelqu'^a/f^' entr'elies. les ef- fets qui en r^fultent, & qui font les fenfations & les per- ceptions done je parle , ne pourroienc pas toe epiux non plus. Jedis: quelqu' tgalite , parceque la dispofhion des organes ou de 1'ami entre neceflairemenc pour fa pare , dans les fenfations ou les perceptions : mais cetre dispo- fition ne peut influer que fur Ic plus ou moins de force de la fenfation ou de la percepcjon, non fur fa Nature mme. Le portrait en Miniature d'une perfonne lui reflemble parceque les traits de Miniature offre-nt les mcmes con- tou;-s ^ one einr'eux la pi.6me proportion, que ceux do A * rori- Jo ANTWOORD OP or, VRAAGE neel ; dat is te zeggen : dat men tusfchen het Scfo'lery en het Origineel , een gelykheid van omtrekken , en evenredigheden (^Proportien^ vind , om niet te fpieeken van het Coloriet , dat zonder twyffel ook gelyk is. Maar de ee- ne Menfch zal dat afbeeldzel meer gelykend vinden dan de andere , of geheel niet gelykend na de gefteldheid van zyn gezigt. Men zal my echter toeftaan , hoop ik 3 dat , indien 'er in het Miniatuur geen trek , geen omtrek 9 geen evenredigheid was 5 die eene gelykheid had met een trek , een omtrek , eene evenredigheid in het Origineel , en dat daarenboven de beide Co- lorieten geen gelykheid altoos hadden 5 niemand 'er eenige gelykenis in zoude konnen vinden. Op dezelve wyze gelyken de Chara&ers van twee pferfoonen elkander alleen daarom , wyl zy rede- I'Original ; c'efl-a-dire: qu'il fe trouve entre la peinture & FUriginal, egalite" de contours, & de proportions, fans compter le colons qui eft inconteftablement e"gal encore. Mais une perfonne trouvera ce Portrait plus reflemblant , & 1'autre moins , ou m^me point du tout, fuivant la dis- pofuion respeQive de leurs yeux. Cependant on m'ac- cordera , j'efpere , que s j il ne fe trouvoit dans la Minia- ture aucun trait , aucun contour , aucune proportion , qui cut de Tegalit^ avec un trait , un contour, une pro- portion de rOriginal, & que les colon's fuflent aufli tota- Icment depourvus d'^galit^ , perfonne ne pourroit y trou- ver de la reflemblance. De mfime les Carafteres de deux perfonnes ne fe res- fern- OVER DE ANALOGIE, ENZ. ir redenen voeren en daaden doen , die in de ziel gelyke gewaarwordingen doen gebooren wor- den ; dat is te zeggen : dezelve gewaarwordin- gen. Indien de eene Perfoon levendigheid , haastigheid , zagtheid of koelbloedigheid toont , zal het de andere ook toonen 5 en beide zullen zy in de ziel van den Waarneemer eenerlei ge- waarwording , dat is , dezelfde gewaarwording doen gebooren worden 5 van levendigheid , haastigheid , zagtheid en koelbloedigheid ver- wekken, en deze eenzelvige gewaarwordingen, die meer of min fterk zullen zyn , na de ge- fchiktheid der ziel van den Waarneemer ? heb- ben ook eenzelvige ? of dezelve oorzaaken , namentlyk de levendigheid , de haastigheid , de zagtheid , of koelbloedigheid., die yder der Perzooneu van zyne zyde vertoond. Alle femblent que parceque celles-ci tiennent des discours , & font des afti'ons , qui rcveillent dans Tame des percep- t;ons gales ; c'eft-^i-diic : la mme perception. Si Tu- ne de ces perfbones t^moigne de la vivacit^, de 1'empor- temenc , de la douceur , du fang froid , 1'autrc eft temoi- gnera aufli , & toutes les deux rgveillent dans Tame de TObfervateur des perceptions identiques , ou la mnie perception de vivacite, d'emportemenc . de douceur, de fane; froid ; & ces perceptions identiques , qui feront plus ou moms, fortes fuivanc la dispofhion d'anic de TObferva- teur , onr auffi des caufes identiques ou la m^me c mfe , la vivacite" , Temportement , la douceur, le fang froid, chacune de ces perfonncs ttooigne de fon cot^ Done 12 ANTWOORD OP DE VRAAGE Al 1 e Natuurkundige gelykenis korat derbal- ven op ecne of meer gelykheden uit 5 en nlle Zedelyke gelykenis op een of meer eenzelvig- heden ' En dit is zoo waar , dat wanneer zommigea van die eenzelvigheden of gelykheden 9 die zo noodzakelyk zyn , ora de gelykenis te volmaa- ken, hct zy Natuurkundige , het zy Zedekun- dige ontbreeken , men de gelykenis uitzonderd. Men zegt : het af beeldzel van Mevrouwe , die of die , zoude volmaakt gelyken , indien de Mond niet te groot was , het Coloriet te fterk , de Oogen te klein ; dat is dus het zelve als : indien de Mond en de Oogen van het Af beeld- zel dezelve evenredigheid hadden , of eene ge- lyke evenredigheid met die van het Origineel , en indien beide Colorieten even fterk waren. Dus zegt men ook : het caracber van den Zoon gelykt Done toute reffembldnce Phyjique fe rdduic enfin h une ou plufieurs ^galice, & toute reflemblancc Morale , k unc ou plufieurs identite"s quelconques. Cela eft fi vrai , que lorsque quelques-unes des gali- tes ou des identitd's neceflaires, pour rendre complete la reffemblance tant Pby/ique que Morale $ manque , on Tex- cepte de la resemblance. On dit: le Portrait de Madame une telle lui reflembleroit parfaicement fi la bouche n'e"- toit pas trop grande, le colon's trop anirn^, les yeux trop petits; c'eft-4-dire : fi la bouche & les yeux du Portraic avoient avec les autres traits , la m^me proportion , ou une proportion e"gale a celle qu'ils one dans I'Original , & fi les colons dtoient ^aux, OD dit encore; le caraftere du Fils OVER EE ANALOGIE; ENZ. 13 gelykt aan dat van den Vader, behalven dat de jaaren en de ondervinding , den laatften om- zigtiger gemaakt hebben ; dat is te zeggen : dat de eenzelvigheid van omzigtigheid ontbreekt , om de Zedekundige gelykheid te volmaaken. De Analogic alom , gelyk wy zagen , plaats hebbende , alwaar men eene gelykenis vind die tot de Reden behoord , heeft derhalven overal plaats , waar men eene Zedekundige gelykenis heeft , en loopc derhalven ait op eene eenzel- vigheid En de Anakgie onderfleld altoos eene ver- gelyking , want de eenzelvigheid (^Identiteit^ heeft geen plaats , dan wanneer twee onderwer- pen 9 die in fchyn verfchillen 5 in een en het zelve denkbeeld begreepen zyn. Men Fils reflemble i celui du Pere, except^ que l'4ge & Tex- p^rience ont rendu ce dernier circonfpedl ; c'efl-a-dire : que 1'identite" de circonfpeflion manque pour rendre cette reffemblance Morale completce. \* Analogic fe trouvant , ainfi que nous 1'avons vu, par tour oil fe trouve une resemblance du reflbrt de la raifon , elle fe trouve done oil fe trouve la resemblance Morale , & fe rduit par confluent a une identite. Et toujours r Analogic fuppofe une comparaifor , 1'iden- tit^ n'ayant lieu que lorsque deux objedls difF^rcnu en ap- parence , font compris fous la mme id^e. On I 4 ANTWOORD OP DE VRAAGE Men gebruikt het woord Analogic en 't geen men 'er van afleid , op tweederlei wyze. Men vind eene Analogic tusfchen twee voor- werpen, die men dan zegt anakgifch (gelyk) te zyn. Men befluit anakgifch of door Analogic. Eene Analogic tusfchen twee voorwerpen te vinden , te ontdekken dat zy analogifch zyn , zal dan zyn eenige eenzelvigheid (Jldentiteit^) in hen te ontdekken door vergelyking. En door Analogic , of anakgifch te beflui- ten , zal dan zyn , door kracht van eene een- zelvigheid een befluit op te maaken. In de voorgeflelde Vraag , denk ik door Grondbeglnzelen te moeten verftaan dat geene , dat eigentlyk de Analogic uitmaakt , of dezel- ve On employe le mot Analogic , & fes derives de deux manieres. On trouve de r Analogic entre deux obje&s , on les die analsgues. On conclut par Analogic ou analogiquement* Trouver de T Analogic entre deux objets , d^couvrir qu'ils font analogues , ce fora done d^couvrir en eux par ]eur comparaifon , quelque identic^. EC conclure par Analogic , ou analngiquement , ce fera conclure en vertu de quelque identite. Dans la Queftion propofde je crois devoir entendre par Principe* ce qui conftuue propreraenc r Analogic , ou lui fere OVER DE ANALOGIE, ENZ. 15 ve ten grondfteun verftrekt ; en door Kentee- kenen de Teekenen , uit welke men dezelven kennen kan ; dat is te zeggen : dat men niet alleen moec onderfcheiden , of het geen men ons voor eene Analogic opgeeft 5 'er waarlyk eene zy ; maar dat men ook moet ontdekken , of dezelve plaats kan hebben tusfchen twee ge- geeven onderwerpen. Ik zal dan zeggen , dat de Gronden der Analogic beftaan : 1. Uit de vergelyking der twee Onder- werpen. 2. Uit eene of meer eehzelvigheden , die uit deze vergelyking voortvloei'en. En deszelvs Kenteekenen : i. In fert de fondements , & par Carafteret les marques , aux- quelles on peut la reconnoftre , c'elt ^-dire : Don feule- ment diftinguer fi ce qu'on nous oiFre comme une Analo- gic en eft une effedlivement , mais encore dcouvrir li elle peut avoir lieu entre deux objets donnas. Je dirai done que les Principes de V Analogic font : 1. T.a comparaifon de deux objets. 2. Une ou plufieurs identitds , qui refultent de cet- te comparaifon. Et fes i. De 16 -ANTWOORD OP DE VRAAGE 1. In de noodzaakelyke onderftelling ee- ner vergelyking der twee voorwerpen , zo wel als 2. Eene of meer eenzelvigheden tusfchen die twee voorwerpen. 3* Dat zy derhalven eenig en alleen on- der het gebied der Reden ftaat. Laaten wy nu onderzoeken , of deeze grond- beginzelen en kenteekenen pasfen op het geen wy onloochenbaar Analogic noemen. De Wiskunftenaar zegt : Twee gelykheden zyn analogijch, of maaken een Analogic. De gronden van deze Analogic zyn wel : r. de vergelyking der tweeheden. 2. De eenzel- vighcid hunner Exponenten , welke uit die ver- gelyking voortvloeid. De 1. De fuppofer nceflairement la comparaifon des deux objets , ainfi que 2. Une ou plufieurs identite's entre ces deux objets. 3. D'etre par conf^quent du reflbrt delafeule rai- fon , ou du feul intelledl. Examinons maintenant (1 ces Principes & ces Carafte- res conviennenc a ce qu'on appelle inconteftablement des Analogies. Le Mathe"maticien dit : deux raifons ^gales forment une Analogic , ou font analogues. Les Principes de cette Anak&ie font bien : i. la com- paraifon des deux raifons ; 2. L'identite d'expofans qui r^fulte de cette comparaifon. Les > ovr.ti PE A&ALOGIE, De hoedanigheden van deze Analogic zyn : 1. de iloodzakelyke ondefitelling van de vergd- lyking der tweeheden, zo wel als de 2. eenzel- vigheid {identitdt} der Exponenten. 3. Dat 2y alleen onder hec verfland vallen ; inderdaad de denkbeelden van reden en gelykheid wdrden noch middelyk , noch onmiddelyk uic de Zin- tuigen gebooren* Men Vraagd aan een Wysgeef , wat de Hol- landers , de Duitfchers , de Engelfchen , de Italiaanen , enz. heeft kotinen bevveegen , om het onderde gedeelte van eeii Berg zyn voet te noemen ? De Wysgeer $:al antwoorden : de Analogic , die 'er is tusfchen den voet van eeti Berg 5 en die van een Menfch. Deze Anahgie grond zich i. op de verge- lyking van den Berg en den Menfeh. 2. Op de Les Caradleres de cette Anah^ie font : t. de fuppofer ii^ceflairemenc la comparaifbn des deux raiibns , amfi que 2. ridencite" des expofants ; 3. d'etre uniquemenc du res- fort de IMmelleft; certainenient les id^es de raifon , & d^galic^ ne font produites ni diredtement ni indireftemenc par les fens. . On demande au Philofophe , ce qui a pu engager les Francois , les Rollandois , les Allemands , les Anglois , Ie$ Italitns &c a nommer la partie inferieure d'une montagne fon pied , le Philofophe re'pond : YAnalos.it qui fe trouve entre le pied d'une montagne & celui de Thomme. Cette Analogic fe fonde ; i. fur la comparaifon de la XXII. >*/. B moil* 18 ANTWOORD OP DE VRAAGE de eenzelvigheid van het gebruik des voets van den Berg , en dien van den Menfch , wyl de eene en andere eveneens diend om zwaare lig- chaamen , fchoon zeer verfchillende , van wel- ke zy gedeelten zyn 5 te onderfteunen. Deze Analogle heeft tot kenteeken : i. de noodzakelyke onderftelling der vergelyking van den voet van den Berg , met dien van een Menfch ; en das ook 2. de eenzelvigheid van het gebruik van die twee onderfle deelen. 3. Dat zy zich alleen aan de reden of het verfland openbaard. Hier is het zintuig van het gezigt de geleider tot deze eenzelvigheid , want men ziet 5 dat de Berg en de Menfch beiden op hun- nen voet fteunen. . De Natuurkenner vind eene Analogic tus- fchen het Yzer en den Zeilfteen. Deze montagne & de Phomme ; 2. fur Pidentite d'ufage du pied de la monragne & de celui de rhomme, Tun & Tautre fer- vant 6galement a foutenir les raafles (i differences, dont ils font partie. Cette Analogic a pour Caradere : i. de fuppofer nces- fairement la comparaifon du pied de la montagne & de ce- lui de 1'hornme, ainfi que a. 1'dentit^ d'ufage de ces deux parties infe>ieures. 9, De ne frapper que la raifon ou Pin- telleft. Ici le fens de la vue fert de v^hicule a cetteiden- tite , car on voit que la montagne & Phomme pafent Pu- ne & Pautre fur leur pied. Le Phyficien trouve de P Analogic entre le Fer & i'Aimant. Cctte OVER DE ANALOGIC, ENZ. 19 Deze Analogic geeft i. de vergelyking der twee onderwerpen ; 2. verfcheide eenzelvig- heden , die 'er uit ontftaan , te weeten : een- zelvigheid van aantrekking , wyl zy beiden el- kander onderling aantrekken ; eenzelvigheid van rigting ( direStie ) , wyl de Zeilfteen zich na het Noorden rigt , en het yzer , aan den Zeil- fteen geftreeken , of door een yzer gewreeven , dezelve eigenfchap verkrygt : eenzelvigheid van mededeeling , dewyl het yzer en de Zeilfteen beide de eigenfchap hebben van een ander ftuk yzer zeilfteenkrachtig te maaken 5 enz. De Kenteekenen van deeze Analogic zyn : 1. de noodzakelyke onderftelling der vergely- king van den Zeilfteen en het Yzer , als ook 2. verfcheide eenzelvigheden {Identiteiten} , uit deze vergelyking ontftaande ; 3. dat zy al- leen tot het verftand behoord , want het Zin- tuig Cette Analogic prdfente i. la comparaifon des deux ob- jets ; 2. plufieurs identitanc cecce m^me proprietor identitc* de communication , puisque 1'aimant & le fer ont egalement la propriete d'aimanter un autre morceau de fer, &c. Les Carafteres de cette Analogie font : T. de fupppfcr ndceflairement la comparaifon de Faimant & du fer , ainfl que i. plufieurs identds refultant de cette comparaifon : 3. d'etre uniquement du reflbrt de Tintellecl: , car le fens B % dc ao ANTWOORD OP DE VRAAGE tuig van het gezigt dient tot geleider der denk- bcelden van aantrekking , richting 5 mededee- ling; maar het is zeer zeker, dat zy niet voort- gebragt zyn door het gezigt. De beroemde SAUNDERSON kende de kragten , die aan het Yzer en aan den Zeilfteen geineen zyn , fchoon hy blindgebooren was. Eindelyk , om niet langwylig te zyn , de Letterkundige zegt , dat de byvoegende woor- den , d* if tig en genegen , door Analogic afge- leid zyn van de zelfftandige , drift en gene- gendheid. Dezc Anakgie heeft tot grondbeginzelen : i. de vergelyking der twee byvoegende {ad- jeffiva') woorden; 2. de eenzelvigheid der uit- gangen van die twee byvoegende woorden ; en tot hoedanigheden : i. de noodzakelyke onder- ftelling de la vue fert lieu de veliicule aux iddes d'attraclion , de direction , de communication , mais elles ne font tres cer- tainement pas produites par la vue. L'illuftre SAUNDE&SON n'ignoroit pas les vercus communes a Taimanc & au fer 9 & il ^toit aveugle ne*. Enfin, car il faut fe borner , le Grammairien dit que les adjedlifs pasfionnd & affedlionn^ d^rivent analogiquement de leurs fubltantifs pasflon & affection. Cettc Analogic a pour principes : i. la comparaifon des deux adje&ifs , a. 1'identite" de terminaifon de ces deux " ; & pour Carafteres : i. de fuppofer n;ent OVER DE ANALOGIE, ENZ. ai {telling der vergelyking van de twee byvoegen- de woorden met de twee zelvftandige : als ook 2. de eenzelvigheid der uitgang {terminatle'} , of liever der vorming (^formatie^) ; 3. dat zy zeker tot het verftand behoord. De voornaamfte gebruiken , welke men van de Analogic maakt , komen das overeen met de grondbeginzelen en kenteekenen , die aan dezelve toegevoegd , en uit de woordafleiding ( Etymologie ) afgeleid zyn. Laaten wy nu tot eenige gevolgen overgaan. Telkens wanneer men , om te ontdekken , of twee natuurkundige voorwerpen eene gely- kenis of Anaiogk hebben , verpligt is om de- zelve niet alleen met behulp der zintuigen te onderzoeken , maar men ook het algemeene denkbeeld 3 dat men zich van die voorwerpen maakt , ment la comparaifon des deur adjedifs entr'eux, & avec leur fubftantifs ainfi que z. I'identitd de terminaifon , ou plut6t de formation : 3. d'etre a coup fiir du reflbrt de 1' mcclled. Les principaux ufages que Ton fait de V Analogic 9 s'ac- covdent done avec les Principes & les Caracleres asfign^s & deduits de P Etymologic &de la discusfion. Paflbns h quelques conf^quences. Toutes les fois que pour de"couvrir fi deux objets Phy- fiqucs ont de la reffimbhnce ou de VAnahgie on eft obli- ge, non feulement de les examiner a Taide des fens, mais encore d'avoir recours a l'idc g^n^rale qu'on fe fait de ces ii 3 objecs, ANTWOORD OP m VRAAGE maakt , inoet te hulp roepen , is 'er tusfchen hen geeji gefykenis 9 maar eene Analogie , de- wyl men tot eene eenzelvigheid (Identiteif) koomt. Een Menfch en een Paard gelyken zich onderling met, maar men heefc eene Ana- logie , dewyl men zich tot algemeene denkbeel- clen moet wenden van een redelyk en een on- redelyk Dier , om te zien wat aan beiden ge- jneen is. Zegt men ook niet dat twee Men- fchen , fchoon geheel verfchillende , zich on- derling gelyken 5 in zo ver zy beide menfchen zyn , om dat zy , dus befchouwd , beide het algemeene denkbeeld van Menfch aan de ziel mededeelen ? De Natuurkundlge gelykenh 9 insgelyks de vergelyking van ten minften twee voorwerpen vereisfchende , om eene gelykheid te ontdek- ken ; dat is te zeggen : twee zaaken , die be- kwaam objcts , il regne entr'eux , non de la reJJemUance tnais de V Analogic, puisqu j on en revient ^ une identit^. Un Horn- me & un Cheval ne fe reflemblent pas , mais one de \'A- nalo&ie , parcequ'il fauc avoir recours aux iddes gen^rales d'Animal raifonnable , & ^Animal non raifonnable , pour trouver ce qu'ils one de commun. Aufli nedit-on pas que deux hommes entierement diflemblables , fe reflem- blent en tant qu'ils font tous deux hommes , parceque, confide're's de cette maniere , iis portent tous deux a les- prit Fid^e g^n^rale d'horame. La resfemblance Pbyjique exigeant aufli la comparaifon de deux objets au inoins , pour y de"couvrir une ^galit6 quelconque ; c'eft-^*dire; deux chofes capables de cau- fer OVER DE ANALOGIE, ENZ. 23 kwaam zyn , om dezelve aandoening te verwek- ken ? is voor de Zintuigen juist het geen,de Analogic voor het verftand is : Of anders : de Analogic is niets anders dan de Zedelyke yerge- lyking. Verder , indien men agt flaat op de beteekenis , die men meestal aan de woorden van overeenkomst ) gelykheid embetrekking hegt , zal men zien , dat zy byna altoos meer eene Zedekundlge gelykheid aantoonen , dan eene Na- tuurkundige , en dus in de Analogic uitloopen. Een naauwkeurig Wysgeer ? moest derhalven nooit het woord gelykenis gebruiken , dan in het Natuurkundige , en de woorden Analogic y overeenkomst 5 gelykheid 9 betrekking 5 in het Zedekundige. Door dit middel zoude het woord zelv 5 dat hy gebruikt ? ten eerften aanduiden , of hy van de zinnelyke gewaarwordingen 3 dan van de begrippen fpreekt. - " De fer la mfime fenfation , la resfemblance Pbyjique eft aux fens f precifement ce que YAnalogie eft a 1' intelledl : ou encore : V Analogie n'eft autre chofe que la resfemblance Morale. De plus , (i Ton fait attention a la fignification , que Ton donne le plus fouvent aux mots conformte , rap- port, relation 9 on verra que presque toujours ils marquent une resfemblance Morale plut6t que Pbyfique , & revien* nent par confdquent a V Analogic. Le Phifofophe exal ne devroic done jamais employer le mot resfemblance qu'au Phyfique, & les mots Analogic > conformity rapport , rtla- tion , au Moral. Par ce moyen le mot ra^me qu'il em- ploieroit , indiqueroit d'abord s'il parle de fenfations ou dc perceptions. C 4 La *4 ANTWOORD OP DE VRAAGE De gelykenh in het Natuurkundige het zelve zynde wat de Avatogie in het Zedekundige is 5 zal men zo wel door gelykenis als door Analor gie kotmen bdluitcn. Men heeit tot nu toe deze twee wyzen van befluiten met elkandereu verward. Wy zullen 'er in het vervolg voor- beelden van zien ; intusfchen zal het noch on- nuttig , noch overvloedig zyn , aantemerken , dat men met eenige veranderingen de Gronden en Kenteekenen der dnalogie- op de gelykenis kan toepasfen 5 en zeggen ; De Gronden der gelykenis zyn : 1. De vergelyking van twee Natuurkun- dige onderwerpen. 2. Eene of meer gelykheden, die vatbaar zyn voor de zinnen 5 en uit die verge- lyking ontflaan, En La resfemblance ^tant au Phyfique ce que YAnalogie eft au Moral , on pourra conclure par res/emhlance comme par Analo&ie : jusqu^ prefenc on^a confondu ces deux for- tes de conclufion. Nous en rencontrerons des exemples dans la fuite ; en attendant il ne fera ni inutile ni fuperflu de r^marquer , qu'on peut appliquqr avec quelques alte"- yations a la resfemblance les Principes & les Caracleres de dire : JLes Principes de la resfemblance font : i, Le comparaifon de deux objets Phyflques* Une ou plufieurs 6galit6s perceptibles aux feas & Er OVER DE ANALOGIE, ENZ, 25 En deszelvs Kenteekemn: i, De vergelyking van twee Natuurkun- dige onderwerpen noodzakelyk te on* derftellen , om in dezelve 3. Eene of meer gelykheden te ontdek- ken ? die vatbaar zyn voor de zinneru 3. Dat zy niet alleen tot de reden behoo- ren , of enkel tot het verfland , maar dat zy noodzakelyk ook de hulp der Zintuigen vereisfghen, Deze Gronden en Kentekenen vergelykende met die der Analogic , zal men draa zien , dat dezelve van de gelykenis verfchild , daarin dat de Analogic tot het verftand of de reden Ipreekt, cn de gelykenis tot de zinnen, Eene Et fes Carafteres : i. De fupppfer neceflairement la comparaifon des deux objets Phyfiques , afin d'y d^couvrir a. Une ou plufieurs ^galit^s perceptibles aux fens. 3. De n'tre pas du refforc de la feule raifbn , ou du feul ratelledb , mais d'exiger neceflairemenc le concours des lens. En comparant qes Principes & ces CaraQreres avec ceux de V Analogic , on verra d'abord que celle ci difFere de la reflemblance en ce que \ 9 Analogic ne frappe que rintelleft ou la raiibo , <5c la resjemblwice les fens, Bs EQ z6 ANTWOORD OP DE VRAAGE Eene volmaakte Natuurkundige gelykenis , wordt gelykheid , en de Analogic word eenzel- vigheid. Want de gelykenis loopt uit in eene of meer gelykheden , en de Analogic in eene of meer eenzelvigheden. Maar de gelykenis 5 en de Analogic zyn niet volmaakt , dan wan- neer zy tot alle mogelyke gelykheden en een- zelvigheden konnen gebragt worden ; dat is te zeggen : wanneen de eene niet anders dan eene zamenftelling van gelykheden is , en de andere eene zamenftelling van eenzelvigheden , en de eene gelykheid geworden is , en de andere ee- ne geheele eenzelvigheid. Ik koome in een vertrek ? en zie iets bovcn de deur 5 dat myn gezigt zo fterk aandoet , als het uitwerkzel van half- verheven ( basrelief*) wit Manner , dat , niettegenftaande de verze- keringen van den Huisheer 5 ik niet kan geloo- ven, En devenant parfaite la resjemblance Phyjique dcyient ^galit^ , & V Analogic identity. Car la resfemblance fe r- duic a une ou plufieurs ^galit^s. Mais la rtsfemblance , 6c Y Analogic nc font parfaites que quand elles fe rdu> fent a routes les ^galit^s ou identit^s posfibles ; c'efl- a- dire : quand Tune n'eft qu'un compofe d^galit^s , & Tau- tre dMdencit^s ; ou quand Tune eft devenue galit , & Taucre identic^ totales. J'entre dans un appartement & voit un deflus de porte, qui fait tellement fur mes yeux Feffet d'un bas-relif de Marbre blanc, que malgr^ les aflurances du Maftre de la xnaifon , je ne peu croire que c'eft ua clair-obfcur fup^- rieu- OVER DE ANALOGIE, wz. &p von , dat het een meesterlyk uitgevoerd graauw Schilderftuk is. De gelykheid der gewaarwor- dingen volmaakt zynde 9 geloof ik , dat de ge- lykheid ook volmaakt is ; en ik befluit , dat het Schilderftuk half verheven werk is. Dit befluit is baarblykelyk gegrond op eene gelykenis, niet op eene Anahgie , gelyk men ligtelyk zoude konnen denken, en gelyk het fchynt, dat men tot heden gedagt heeft. Ik klim op eene lad- der ? en overtuig my zelv , door myn gevoel y dat het gefchilderd is ; de volmaakte gelykheid word onvolmaakt , die van 't gevoel ontbreekt ; en ik ben verzekerd dat ik my bedroogen heb ; daar integendeel , indien de gewaarwording van het gevoel juist dezelve geweest waare met die van half verheven werk , ik van het tegendeel zoude verzekerd geweest zyn , om dat de ge- lykheid van alle de gewaarwordingen , die hier mogelyk zyn, volmaakt zoude geweest zyn. De rieurcment executd. L'egalftd de fenfations &ant parfai- te , je crois la reflemblance aufli parfaite , & j'en conclus que la peinture eft un bas-relief. Cette concluflon eft nianifeftement fondle fur une rerfemblance , non fur une dnakgie, comme on feroic tent^ de le croire, & comme on parott Tavoir cru jusqu'a pr^fent. Je monte fur une chelle, & je me convainc par rattouchement que c'eft une peinture ; I'dgalit6 parfaite devient imparfaite ; celle du toucher manque , & je fui fur de m'Stre trompd ; au lieu que fi la fenfation du toucher avoit ete pr^cifement la ni^me que celle d'un bas-relief, j'aurois & fQr du con- traire , parceque l^galit^ de toutes les fenfacions ici pos- fibles aurolt et^ parfaice f Les -8 ANTWOORD OP DE VRAAGE De twee Voorftellen : men kan de helft van alle gelyke getallen neemen , en yder ongelyk getal , by het welk i gcdaan 5 of afgetrokken word , kan doof 2 gedeeld worden : deze twee Voorftellen , zeg ik , hebben eene groote Ana- logic , en de eenzelvigheid {Identiteit} , tot welke zy gebragt word , is eene eenzelvigheid van ftelling {Identitas thefeos') : de twee ge- tallen konden door 2 gedeeld worden. Deze Voorftellen hebben geen eenzelvige onderftel- lingen ( tlypothefes Identic^ ) , ichoon een on- gelyk getal gelyk word , na de by voeging of af- trekking der eenheid ; maar de eerfte onder- {telling is eenvoudig , en onderfteld ten eerften een gelyk getal ; daar de tweede onderftelling deze nieuvve voorftelling infltiit of onderfteld : yder ongelyk getal meer of min i , word een gelyk getal. Laaten wy deze verfcheidenheid <.loen verdwynen , en laaten wy de onderftellin- gen T.es deux Propofitions : on peut prendre la moiti de tout nombre pair , & tout nombre impair plus ou moms i , eft divilible par L . ont une grande Analogic , & 1'iden- tite a laquclle elle fe rdduit, c*eft Tidentic^ de thefe: les deux nornbres font divifibles par 2. Ces propofitions n'onc pas des hypothefcs identiques , quoiqu*un nombre impair devienge pair apres I'addition ou la fouftra&ion de 1'unitd: mais la premiere hypothcfe eft fimple , & fuppofe d'abord le nombre pair ; au lieu que la feconde hypothefe renfer- Hie ou fuppofe cette nouvelle proposition : tout nombre impair plus ou moins un devienc pair. Faifons disparoi- tre cette divifice ., <5c rcodons les bypothefes identiques eu OVER DE ANALOGIE, ENZ. 29 gen eenzelvig inaaken , door te zeggen : men kan de helft neemen van ieder gelyk getal : en yder gelyk getal is deelbaar door 2 ; dan zyn de twee voorflellen eenzelvig {Identicay^ om dat de Analogic volmaakt is , zich alleen be- paalende tot de twee eenzelvigheden , die hier mogelyk zyn ; wyl yder voorftel maar eene on- derftelling bevat , en maar eene ftelling die on- derling eenzelvig zyn. Wanneer de Natuurkundige gelykenis vol- maakt is 5 en gelykheid word ? verward men het eene onderwerp met het ander ? zo vaak men 'er maar een van beiden voor zich heeft ; en wanneer men beiden in zyne magt heeft , kan men zonder twyffeling het eene voor het nndere neemen. Dus, wanneer een Wiskuils- tenaar eens de gelykheid van twee figuuren , of twee redenen beweezen heeft , neemt hy de eeiie en difant: oil peut prendre la rnoitie de tout nombre pair; & tout nombre pair eft divifible par 2 , & les deux pro- pofitions feront identiques , parceque V Analo^ie eft par- take . fe r^duifant aux deux feules identites posflb^es ici , chaque propofhion ne renfermcnt qu'une hypothefe & qu* une thefe , identiques chacune a chacune. Lprsque la reflemblance Phyfique efl parfaite & devient ^galice , on confond Tun des objets avec Pautre routes les fbis qu'on n'.n a qu'un fous les yeux ; & quand on *es a tous les deux en ion pouvoir , on fubfticue Tun a Taurre fans hdfiter. Aiofi dans la vie commune on confond tous les bons ducats enfemble , Ton prend uri bon ducat pear un 30 ANTWOORD OP DE VRAAGE eene voor de andere , zonder te twyffelen : hy zal hen zelv zonder onderfcheid gebruiken, zo dra hy 'er geen onderfcheiden kenmerk in vind. By voorbeeld : hy maakt op een vel papier twee gelyke Cirkels , yder ftaat op het midden van van het papier even hoog , en even verre van den zyderand. Hy gant uit de kamer : ik keer het blad het onderfte boven ? zo dat de Cirkel van de regter hand nu aan de linker is. De Wiskunftenaar terug koomende , zal zeker niet merken , dat ik het papier omgekeerd heb. Wat aanbelangd de twee gelyke redenen , deze zal hy niet de eene voor de andere neemen ? wyl zy hunne onderfcheids kenmerken hebben ; door deze is het eerfte en het tweede lid van de eene , het eerfte en tweede lid van de vol- gende niet. Ondertusfchen na gezegd te heb- ben : 12 is tot 4 als p tot 3 , houd de Wis- kuri- un autre fans hdfiter. Ainfi le Gdometre , quand il a une fois prouve I'galit6 de . deux, figures , de deux raifons , fubftkue Tune a T autre fans balancer : il les confondra roSme des qu'il n'y retrouvera plus aucune marque diftin- ftive. Par exemple : il trace fur une feuille de papier deux Cercles gaux , chacun au milieu de la hautgur du papier , & egalement diftant de fon bord lateral ; puis il fort de la chambre : je tourne la feuille fans deflus des- fous , de fac,on que le Cercle de la droite foit a gauche. Le G^ometre revenu ne s'appercevra certainement pas de ce renverfement. Quant aux deux raifons egales il ne les confondra pas , parcequ'elles portent leurs* marques dis- tindtives avec elles , 1'ant^cedent & le con&quent de Tune n'etant pas 1'ancecedent & le conf^quent de 1'autre : Ce- pendant , fi apres avoir dk: u eft a 4 comrne 933, OVER BE ANALOGIE, ENZ. 31 kunftenaar zich met niets anders bezig , zo dat hy om die fchikking niet meer denkt. Hy keert tot deze evenredigheid wedr , zonder te zoe- ken hoe hy dezelve gefchikt had , zal hy ook te regt zeggen 5 9 is tot 3 als 12 tot 4 , en zal dus redenen zaraenmengen : men vind hier van alom voorbeelden. Maar de gelykheid van twee Natuurkundige onderwerpen is geene eenzeblgheid ; want die twee voorwerpen blyven altoos twee , en zullen aan de ziel altoos twee gewaarwordingen mede- deelen , en nooit eene alleen. Hier uit volgt klaarblykelyk 9 dat nooit de Analogie volmaakt zal konnen zyn , tusfchcn twee ligchaamen , fchoon dezelve gelyk zyn y want deze twee ligchaamen konnen nooit in een Beeld zamenloopen 5 veel minder noch in een denk- le G^ometre s'occupe d'autre chofe, au point d'oublier cet arrangement , al ; car , ou il fe repreTente une de ces aiguilles en particulier , ou bien , la matiere e"tanc impenetrable , il fe repr&entera ucceflairemenc ces deux aiguilles comme occupant les places differentes, & ne les reunira par exemple pas (bus une feule & mme image ui ^ plus forte raifon fous une feule & mfime idde > chaque image OVER. DE ANALOGIE, ENZ. 33 xvaarwording aan de ziel mede , en kan niet nalaaten zulks te doen 3 ten zy dat denkbeeld verdwyne. De volmaakte Analogic kan derhalven geen plaats hebben , dan tusfchen twee zaaken , die zich aan het verftand voordoen ; dat is te zeg- gen : tusfchen twee wyzen van redeneeren , of tusfchen de wyze en toepasfing der twee rede- neeringen , maar niet tusfchen twee onderwer- pen ., op welken men die twee redeneeringen toepast , ten waare die twee onderwerpen ook alleen voor het verftand vatbaar waren. En indien 'er eerie volmaakte Anahgle plaats heeft tusfchen de wyze en de toepasfing der twee re- deneeringen , is die Analogic eenzelvigheid , en by gevolg 9 zoude eene van die wyzen van redeneeren , niet goed , noch voldoende kon- nen zyn, indien het de andere ook niet is. Het is image portant Hi perception particuliere h Tame , & ne pouvanc cefler de 1'y porter, a moins de s'^vanouir. IS Analogic parfaite ne peutl done avoir lieu qu'entre deux fchofes incelle&uelles ; c'eft a dire : entre deux ma- nieres de railbnner , ou entre la forme & Tapplication de deux raifonnements, mais non entre les deux fujets, aux- quels on applique ces deux raifonnements , a moins que ces fujets ne foient auffi inrellecluels. Et s'il regne une Analog* parfaite entre la forme & Tapplication de deux raifonnements , cette Analogic eft identue , & par confc- quent une de ces manieres de raifonner ne fgauroit fitre. bonne & concluante fans que Tautre ncle foit aulfi. Ceft. XX1L DeeL C par 34 ANTWOORD OP DE VRAAGE is door middel van een verward begrip van dit grondbeginzel , dat noch niet verklaard is , dat een Leerling in de Redeneerkunde verzekerd is van wel geredeneerd te hebben , wamieer hy de wyze van de fluitreden wel toegepast heeft , of wanneer hy dezelve wyze van redeneeren op eenig ander onderwerp overbrengt , dan dat het geen zyn Meester hem ten voorbeelde gegee* ven heeft* Het is ook op dezen fchoon be- dekten grond , en op dien 5 op welke men alle de onderwerpen , die elkander volkomen gelyk zyn 5 kan verwisfelen 5 dat de Meetkunftenaar fteund 5 wanneer hy ? om een voorftel zo veel te duidelyker te betoogen , hy zyne betooging flaaft en toepast op eene figuur ; want het is klaarblykelyk , dat , indien hy niet voor toege- ftaan nam ? en indien men hem konde betwis- ten , dat het zelve betoog waar bleef , fchoon op eene andere figuur toegepast , die in betrek- king par un fentiment confus de ce principe non developpd en- core , qu'un apprentif logician eft fur d'avoir bien raifoa- n6 lorsqu'il a exadlement appliqu^ la forme de Syllogisme, ou lorsqu'il a employe la mme raaniere de raifonner fur quelqu'autre fujec que celui que fon Matcre lui a prOpofd pour exemple. C'efl encore fur ce principe cache , & fur celui que Ton peut fubftituer Tun a 1'autre tous les ob- jets parfaitement femblabies, que fe fonde la Ge'omecre, (juand, pour d^montrer plus clairement une propofition t it applique fa demonftration a une figure quelconque; car il ell clair que s'il ne prenoit pas pour accord^ , & que (i Ton pouvoit Jui nicr , que la mme d^monftration refte vraie, quoiqu'appijqu^e a une autre figure parfaitemenc fern- OVER DE ANALOGIE, ENZ. 35 king van alle de deelen van zyne onderftelling volkomen aan dezelve gelyk is , hy verpligt zoude zyn , om zyne befchouwing te betoogen voor yder nieuwe figuur. De Analogic uitloopende op eene eenzelvig- heid, is daidelyk te zien, dat, zo dra men de- zelve ontdekt heefc , dan alles wat klaarblyke- lyk uit die eenzelvigheid vloeid , ook waar is in de beide onderwerpen. Dus overtuigd zynde , dat het Vuur eene ftofFe is 5 fchoon eene zeer fyne ftoffe ? en derhalven die eenzelvigheid heeft met eenen loden bal , zyn wy verzekerd , door de Analogic 5 dat het Vuur zwaar is , fchoon men het nooit gewoogen heeft : indien deze vloeiftof by alle gelegendheid tragt te ry- zen , dat is te zeggen 5 zich van het middel- punt der Aarde te vervvyderen, in plaats van na het femblable relativement A tous les articles de Ton hypotbe- fe, il feroic oblige" de demontrcr fon theoreme pour cha- que nouvelie figure. ' fe reduifant a une identic^, il eft manifefle qu j auflii6t qu'on i'a ddcouverte , tout ce qui refulte e* vi- dernment de cette identit^ feule, eft vrai dans les deux objets. Ainfi , convaincus que le feu eft une rnatiere , quoique tres -iobtile, & qu'il a par confequent ce'a d'i- dentique avec une bal'e de plomb, nous fommes furs par V Analogic que le feu eft pefant , quoiqu'on ne Tait jamais : li dans toutes les occafions ce fluide tend monter, - a dire : ^ s'cloigncr & non ^ fe rapprocher du cen- C i tre 36 ANTWOORD OP DE VRAAGE het zelve te naderen 9 gefchied zulks , om dat zy ligter dan de lacht is , op welke zy om zoo te fpreeken zwemt. De gelykenis en de Analogic ftrekken beide ten gronde aan de waarfchynelykheid en aan de zekerheid. Wanneer wy niet verzekerd zyn , dat de gelykenis en de Analogic geheel zyn , blyven wy by de waarfchynelykheid , die in ze- kerheid veranderd, wanneer wy verzekerd zyn, of meenen te zyn , dat de gelykheid en de Ana- logic in alien opzigte volkomen zyn. Een Wilde ziet voor de eerftemaal een gloe- jend Yzer , hy wil het vatten en brand zich. Des anderen daags 5 toont men hem van verre een ftuk houts , met een levendig Veimillioen rood befchilderd ; hy geloofd, dat het gloejend yzer is van daags te vooren , en wil het niet aan- tre de la Terre , c*eft qu'il eft plus teger que Tair , fur lequel il furnage pour amQ dire. La resemblance & !' Analogic fervent toutcs deux de fon- dement a la probability , & a la certitude. Lorsque nous 'ne families pas furs que la resemblance & YAnalo&ie foient totales, nous en reflons ^ la probability qui fe tourne en certitude quand nouz fommes ou croyons ^tre aflur^s que la resemblance & Y Analogic fonc totales. Un Sauvage voit pour la premiere fois un Fer rouge , 51 veut le faifir & fe brule. Le lendemaio on lui montre d'un peu loin un morgeau de bois peint d'un Veimillon ires- vif \ il le croit le fcr rouge de la vcille, paroft que probable tout au plus. Cependanr n'ofenr tout a faic fe fier a fa vue, &, craignanc qu*elle ne lui fafTe prendre pour opaque ce qui n'eft que tres peu transparent , il ap- C 3 pro- S 8 ANTWOORD OP DE VRAAGE weinig doorzigdg is , voor geheel ondoorzfgti? zoude doen neemen , fteekt hy voorzigtig de hand uit , en geen warmte gewaar wordende , word de waarfchynelykheid by hem zekerheid , en hy vat het ftuk houts vrymoedig aan. Deze zekerheid rust op een befluit uit kenis , en niet op een beduit door Analogic. Volgens myne gedachten is deze foort van ze- kerheid , die op eene volmaakte gelykenis be- rust , ( of die men geloofd volmaakt te zyn , ) het Infliftff. Want men noemt IftftinSt eene natuurlyke beweeging 5 die geene redeneering veronderftellende , aan Menfch en Dier gemeen is 5 en niet kan veroorzaakt worden , dan door eene der Zintuigen , dat zeiv door een natuur- lyk voorwerp bewoogen word. Wanneer dit wezentlyk is , het geen het fchynt, dan is het InfttnSt opregt ; maar het bedriegt , wanneer de g*/Jh proche la main avec precaution & ne fentant a cu e cha- leur, la probabilite redevient certitude, il faiiit hardimeoc le morceau de bois. Cette certitude eft fondde fur une conclufion par ret- femblance> non par Anal^ie, A moo avis cette efpece de certitude , fondee fur une reflemblance parfaite , ou crue. telle, eft Pinftinclt. Car on appelle fnftinft un mouve : irient naturel , qui ne fuppofant aucun raifbnnement , eft commun a I'Homme & a la B^te , & ne peut ^tre occa- fionn6 que par quclqu'un des fens, e"mu lui-m^me par un objet Phyfique. l.orsque cclui-ci eft reellement ce qu'il parole , i'inftinft eft iincere; il eft trompeur quand DE ANALOGIE, ENZ. 39 gelykenis in ftede van volraaakt te zyn , alleerj fchynbaar is. Intusfchen kan het voorzigtigfte menfch het niet ontwyken , van zich byna ge- duurig aan het Inftinb overtegeeven in de ge- ineenlte zaaken van het leven : hy zoude nooit vorderen , indien hy zyne reden 'er in de plaats wilde ftellen. lemand, die aan de maaltydzit- tende , zoude willen onderzoeken 5 en naauw- keurig naagaan , of zyne foupe , zyn brood , zyn wyn wezentlyk zyn het geen zy zyn moe- ten , en het geen zy fchynen , zoude den hal- ven dag aan dat onderzoek verfpillen. Geluk- kig is het , dat het InftinEt zo dikwyls niet be- driegt 5 dan men in den eerften opflag zoude vreezen : het is zelv fomtyds zekerder, dan de redeneering ; dit bewyst het voorbeeld der Die- ren : het is waar , dat deze Zintuigen hebben , die door geen buitenfpoorigheid noch misbruik bedor- la reJJtmUancs au lieu d'etre parfaite , n'efl qu'apparenre. Cepcndant 1'Homme le plus prudent no fauroic 6vicer(de fe livrer presque continueilement h 1'inflind dans les cho- fes les plus ordinaires de la vie : s'il vouloit lui fubftituer la raifbn , il n'avanceroit jamaic. L'Homme, qui en fe mettant h table , commenceroic par examiner ferupultu- jour trompe pas aulli fouvenc , qu'on pourroic Je craindj;(? au premier coup d'oeil : quelquefois me^ne il ell plus fur que le raifonnement , I'exemple des Bgtes le prouve : il e(t vrai que celles- ci ont des fens, qu'aucun abus,'aucun esces n'onc alters ? & qui font par exenjple plus d^Jicats 40 ANTVVOORD OP DE VRAAGE bedorven zyn , en die derhalven gevoeliger zyn dan die van den Menfch. Verder zyn de ge- lykenisfen , die groot genoeg zyn om volkomen te fchynen, zeldzaam , en de minfte twyftelag- tigheid wekt de reden, en roept dezelve tot hulp der zinnen. Laaten wy overgaan tot een voorbeeld van waarfchynlykheid en zekerheid , op eene Ana* logie fteunende. Ik vind een voorflel in de Meetkunde , en deszelvs oplosfing , na het gefchreeven te heb- ben , leg ik weg , en denfc 'er niet verder san. Een myner Vrienden ontne'emt my myn Ge- fchrifc , fchryft het uit , en legt het weder daar hy het vond , en koomt eenige maanden daar na myn oordeel over dat voorftel vraagen. Zo dra hy het gemeld heeft 5 fchiet my te binnen , dat que ceux de THomme. D'ailleurs les resfemblances a (Fez grandes pour p.aroicre parfaites , font tares, & la moin- dre equivoque reveille la raifon , & i'appelle au fecours des fens. Paflbns a un exemplc de probability & de certitude fon- dees fur une Analogic. Je trouve un th^oreme/de Geometric & fa dtmonftra- tioo , & apres I'avoir couch^ par e'crit , je 'e mets de c6- t& , Ck n'y penfe plus. Un de mes Amis ddrobe mon Ma- Oufcri.pt y le copie, le remet en place, & plufieurs mois spies vient foumettre ce th^oreme a mon jagemenc. Des je reconnois que j'ai travaill^ fur le mme fujet : la OVER DE ANALOGIC, ENZ. 41 dat ik over het zelvdc onderwerp gewerkt heb; de betooging begind met dezelve denkbeelden als de myne. Ik begin het als waarfchynelyk te vinden , dat myn Vriend kennis van myn vverk heeft gehad : de betooging gaat voort met dezelvde redeneeringen te ontwikkelen tot aan het einde toe , en myne gisfmg , dat is te zeg- gen , de waarfchynelykheid , dat het zo is , vermeerderd. Deze waarfchynelykheid komt uit de Analogic voor, die ik vind tusfchen het betoog van myn Vriend en het myne ? en die uitloopt op de eenzelvigheid {identiteit') van denkbeelden , en op die van hunne aaneenfcha- keling , maar dewyl het in de Wiskunde niet onmogelyk> is , dat twee lieden , volgens dezel- ve grondbeginzelen , en dezelve vvyze van re- deneeren , dezelve zekerheid op dezelve wyze betoogen , is myne gisfmg geene zekerheid. Ik fta op , en kryg myn handfchrift , en verzoek ver- la d^monflration ddbute par les rp^mes iddes que la mien- ne ; je commence ^ trouver probable que mon Ami a eu connoiflance de mon travail ; la c^nonftration continue- developper les m^mes raifpnnemcnts jufqu'a la fin , & mon foupgon , cVft-^-dire, la probability qu'il ell: jufte, augmente. Cette probability refulte de \* Analogic que je trouve cntre la d^monftrat'on de mon Ami & la mienne, & qui fe r^duit a Fidencit6 des iddes & a celle de leur en- chainement ; mais, vu qu'en Math^madques , il n'eft pas impo^fihle que deux Perfonnes ayant les mmes princi- pes , & la mme maniere de railbnner , d^montrent de m^me la me'me v^rite , mon foup^on n'efl pas certitude. Je roe leve & vais prendre iron Manufcnpt , puis je pne C 5 mon 42 ANTWOORD OP BE VRAAGE vervolgens myn Vriend weder te beginnen , en wanneer ik overtuigd ben van de eenzelvigheid der woorden ? ben ik verzekerd , dat myn Vriend myn betoog afgefchreeven heeft : de Analogle Is volkomen ge worden , wyl alle mogelyke een- zelvigheden 'er in gevonden worden ; eenzel- vigheid van onderwerp , eenzelvigheid van re- deneering , eenzelvigheid van ftyl , eenzelvig- heid van woorden ; en inderdaad myn Vriend bekend lagchende den trek , dien hy my ge- fpeeld heeft. Maar 'er is eene andere foort van waarfchyne- lykheid , door welke men uit eene zaak , die meer- maalen gebeurd is , beiluit 5 dat zy in dezelve omftandigheden weder gebeuren zal : deze waar- fchynelykheid grond zich op dien flelregel , dat dezelve oorzaaken dezelve uitwerkingen voort- brengen 5 wanneer de omftandigheden dezelve roon Ami de recommencer , & quand je fuis convaincu de Tidentite des niocs , je fuis fur que mon Ami a copi< ma piec : \'dnalo%ie eft devcnue parfaire, parceque routes les identit^s posfibles s'y trouvent identif.6 de lujec , iden- tir^ de nifonnemencs, idenrt^ de ftyle, idencire de mots. KfFe^ivement mon Ami fe mec i me , & avoue le tour qu'il m'a Mais il eft une autre forte de probability , par laquelle : de ce qu'une chofe eft arrive plufieurs fois, on conclut que dans les mfimes circonftanct\s elle arrivera encore, cette probability fe fonde fur le principe que les mmes caftifes , dans les memes circonftaoees , produifcnt Ic m^- me OV2K DE ANALOGIE , ENZ. 43 zyn 5 en dit grondbeginzel zelve fteunt alleen op de eenzelvigheid der oorzaaken en omftan- digheden , uit welke men op de eenzelvigheid der uitwerkzelen een befluit opmaakt. Dit foort van waarfchynelykheid dan loopt , even als de stnalogie , uit op eenige eenzelvigheden. Zy fluit noodzakelyk een gevolg eener vergely- king in tusfchen de 'oorzaaken en de omftandig* heden 5 om verzekerd te zyn , dat zy eenzel- vig zyn ; zy is dan eigentlyk eene Analogic 9 en wel eene yolmaakte Analogic , wyl zy alle de eenzelvigheden bevat , die in dit geval mo- gelyk zyn. Deeze waarfchynelykheia is eene waare zekerheid , wanneer men verzekerd is van de eenzelvigheid der oorzaaken en omftan- digheden ; maar is flegts waarfchyhelyk , wan- n^er men van de eenzelvigheid der oorzaaken en oinftandigheden niet verzekerd is. Ik ben verzekerd , dat twee verfchillende ligchaamen 9 eene me effet , & ce principe n'eft lui -mme fonde quc fur I'i- d ntite de caull-s & de circonftances , d*oii Ton conclud 1'idencit^ d'efFets. Cette efpece de probability fc r^duic done ainfi que V Analogic , ^ quelques identites. Kile eit- tralne neccflairemen: une corrparaifon entre les caufes & les circonftances , pour s'aflbrer qu'elles font identiques : elle eft done au fond une Anaiogie , & une Analogic pw- faite , puisqu'elle renferme touies les identity's posfibles ici. Cette probabilite eft une veritable certitude, lorsqu* oi\ eft aflur^ de 1'identit^ des caufes & de celles des cir- conftances ; mais elle eft probability lorsqu'on n'eft pas fQr de ridentit( de caufes & de circonftances. Je fuis fftr, apres ea avoir fait Fexprience une fois , que deux corps dif- 44 ANTWOORD or DE VRAAGE cene veer en een looden bal 5 denzelven tyd doorbrengen in het vallen van dezelve hoogte in het lugtledige , wanneer ik die Proef eens genoomen heb ; om dat ik hier verzekerd ben , dat de oorzaak van dat verfchynzel de aantrek- king van het middelpunt der Aarde , en de om- ftandigheid , het lugtledige , of dat 'er geen te- genftandbiedende middelflof is 5 altoos dezelve zyn. Maar wanneer ik niet eens , maar twin- tig maalen agter elkander dezelve bombe , uit denzelven Mortier , en met dezelve lading op denzelven afftand gefchooten hebbe , is het al- leen maar waarfchynelyk 5 dat het my de 2 1 tte maal zal gelukken , om dat ik maar verzekerd ben van de eenzelvigheid van eehige oorzaa- ken , de Bombe , den Mortier , en de lading. Maar wat de vierde aangaat : de kracht aan de Bombe gegeeven 9 welke van de innerlyke deugd van het kruid af hangt > hier van ben ik zo min ver- difFerents , une plume & une balle de plomb , emploient le m^me temps a comber de la m^me hauteur dans le vui- de , parcequ'id je fuis ffir que la caufe de ce Phenomena , qui eft Pattradion du centre de la Terre, & la circocftari- ce, le vuide ou Pabfence du milieu r^fiftant, font toujours les mcmes. Mais apres avoir jette , non pas une , rnais vingt fois confcutivement , la meme bombe avec le md- ine Mortier , & la moie charge h la me'me diftance , je n'ai que la probability de reuilir a la 21. fois , parceque je ne fuis fur que de Pidentite de quclques caufe, qui fonc la bombe , le Mortier , & le poids de la charge ; mais quant a la quatrieme caufe: Pimpulfion donnee a la bom- be , qui depend de la bonLC intrinfeque de lapoudre, je n'ea CVFR DE ANALOGIE, ENZ. 45 verzeke-d als van de omftandigheden , die van den ftaat der Lucht, en van de kracht en ftreek de; Winds afhangen. De waarfchynelykheid, van welke wy fpree- ken , vermeerderd , en word eindelyk zeker- heid , wanneer men , door het herhaalen der Proefneetfiing met denzelven uitflag , zich kan verzekeren , dat de oorzaaken en omftandighe- den altoos wezentlyk dezelve blyven. De Na- tuurkundige doet eene Proefneeming , zy gelukt hem : hy herhaald dezelve , zy gelukt hem we- der , zo als hy gehoopt had 5 dat is te zeggen waarfchynelyk gevonden had ; thans is hy dan byna verzekerd van den uitflag ; noch eenige Proefneemingen , die gelukken , zullen zyn ze- kerheid voltooijen. Het is klaarblykelyk , dat de foort van waar- fchynelykheid 9 van welke wy fpreeken , zoo veel n'en fui pas plus iftr que des circonflances , qui ddpen- dent de 1'edc de 1'Air , dc la force & de la direftion du Venc. La probability dont nous parlons , augmente & devisnt enfin certitude , lorsqu'a force de 4 r^peter Texp^rience avec le mme fucces , on eft parvenu a s'aflurcr que les caufes & les circonflances reftenteffectivementtoujours les mfimes. Le Phyficien fait une experience ; elle Ini rus- fu : il la repete ; elle r^usfit encore , ainfi qu'il 1'avoit ex- p^r6 ; c'eft- a- dire : trouve probable. Maintenant il eft pre^quefur du fucces ; & encore quelques experiences heu- reufes rcndront la certitude complete. 11 eft rnanifelte , que 1'efpece de probability en ques- tion , 46 ANTWOORD ofr TE VRAAGE veel fleund op de yolkomen gtlykenhfe , als op de Analogle , wanneer het Natuurlyke Onder- werpen raakt. Dewyl alsdan de oorzaaken van Natuurkundige onderwerpen af hangen , die men ate gelyk aanmerkt, en dus de eene vqor de an- dere kan neemen , uit hoofde dezrr gelykheid. Wanneer men fpreekt van dezelve Bombe met dezelve lading op te fchieten, is het klaar, dat de Bombe dezelve kan zyn , maar niet de la- ding ; het gewigt alleen van deze kan eenzel- vig zyn in de twee fchoten. Maar dewyl men de tweede lading volkomen gelykende aan , of gelyk met de eerfte ftelt , ziet men die als dezelve aan , en men neemt de eene voor de andere. Eindelyk is 'er een derde* foort van waar- fchynelykheid , die men ontkennende waarfchy- fiefakheid noemen kan j op deze rusten alle de Ha- tion 5 s'appuie autant fur la resfemblance par f ait e que fur Y Analogic i des qu'il eft queflion d^objets Phyfiques. Alort les caufes dependant d'objets Phyfiques , qu'on regarde comme ^gaux , on fubflitue i'un a 1'autre en vertu de cec- te dgalite". Quand on parle de lancer la m^me bombe avec la mme charge , il eft clair que la bombe peut tre la m^me , mais non la charge; le poids de celle-ci peuc 6tre identique dans les deux tirs. Cependant comme on fuppofe la feconde charge parfaitemenc reflemblante ou ^gaie k la premiere , on la regarde comme la mcme ; on fubftitue Tun a Tautre. Enfin il eft une troifieme forte de^robabilir^ , qu'on pourroic appeller probability negative ; c'eft celle , fur la quelle OVER DE ANALOGIE, ENZ. 47 Hazard -fpellen. Hier onderfteld men, dat *er geen meer waarfchynelykheid is , dat de eene zaak eer gebeuren zal dan de andere. In een Lotto -fpel , of van 90 getallen , trekt men 'er 5 op hazard ; men zegt, dat men in gelyk fpe! 1 8 tegen i kan zetten , dat zulk of zulk getal niet uit de bus of doos zal komen. De rede- neering , op welke deeze waarfchynelykheid fteunt, is duidelyk : want 5 getallen te trek- ken van 90 9 is het zelve als i van 1 8 te trek- ken ; maar het is niet waarfchynelyk , dat van 1 8 Loten 'er het eene eer uitkomt dan het an- dere ; men kan dus 18 tegen i wedden. De- ze laatfte onderftelling : (het is niet meer waar- fchynelyk , dat het eene meer dan het andere uitkomt ) 5 onderfteld noodwendig , dat de oor- zaaken en omftandigheden , die zamenloopen , om een getal te doen uitkomen voor alle getal- len , gelyk zyn ; want ware 'er maar eene oor- quelle fe fondent tous les jeux de hazard; Ici Ton fuppo- fe quM n'eft pas plus probable que de deux chofes Purse arrive plut6t que Pautre. Dans ce qu'on appelle Lotto , ou de (/o nurndms on en tire ^ au hazard , on die , qu'a jeu ^gal , il faut gager ib centre r, que tel numero ne fortira pas de la roue. Le raifonnement fur lequel cette; probabilite fe fonde efl inanifeftement : tirer f num^ros fur 90, eft la mme chofe qu'en tirer i fur iS ; mais il n'eft pas posfible , que fur 18 1'un forte de la roue pluc6t que Pautre ; done il y a 18 a parier centre i. Cette der- niere hypothefe: il n*cft pas plus probable que Pun forte de la roue que Pautre , fuppofe neceilairement , que les caufes & les circonftances qui concourenc a faire fortir un nu- 48 ANTWOORD op DE VRAAGE zaak , of tnaar eene omftandigheid , meer ten voordeele van het eene getal, dan voor het an- dere , zoude het fpel niet gelyk zyn : de oor- ziaken nu en de omftandigheden gelyk zynde voor alle de getallen , is de uitwerking ook ge- lyk ; en dit foort van waarfchynlykheid zal we- der tot de Jnalogie komen , want de eenzel- vigheid der oorZaaken en oraftandigheden on- derftellende , befluit zy op de eenzelvigheid der uitwerking. i De waarfchynelykheid , van welk eene foort zy ook zyn moge , fteunt altoos op de gelyke- nis , op de Analogic , of op beide te gelyk : en wanneer de gelykenis en de Analogie volkomen zyn , word de waarfchynelykheid zekerheid. II, VOOR- numdro font ga!es pour tous ; car s'il y avoit une feule caufe , ou une feule circonftance en faveur d'un numero plurot que des autres , le jeu ne feroic plus 6gal ; or les caufes & les circonftances ^tant (5gales pour tous, 1'erTec 1'eft auffi ; & cette efpece de probability rentre dans VA- nalogie , puisque fuppofant identic^ de caufes & de circon- ftances , elle en conclud identitd d'efFet. La probability, de quelque efpece qu'elle foit, fe fonde done toujours fur la reflemblance ou fur Y Analogie , ou fur toutes deux a la fois : & quand la resfemblance & {'Analo- gic font farfaites , la probabilite fe tourne en certitude. ll. Prt- 6VER rife ANALOGIE , EHZ; 49 I I. VOOBZORGEN , die men neemen moet 'id gebruik tier Analogic. ^ EERSTE VOORZORG. Men moet de gelykenis niet vermengeri rnefc de Analogies De Analogic het zelve in het Zedclyke zyn- de 5 dat gelykenis in het Natuurkundige is , en h;:t Zedekimdige van den Menfch ten naauw- ften met zyne Natuurkundigen ftaat ve'rbonden zynde ^ verward mfen ^ gelyk ifc reeds zeide ,- de Analogle met de gelykenis* Deeze laatfte echter I L PRECAUTIONS a prendre en employ ant V Analogic* PREMIERE PKfiCAUlMON, pas confondre la rerfsmblan'ce avec V Analogic ie dtanc au Moral ce q'iie la tesfanklance ef au Phyfiquc , & le Moral de THomrne ayant unc liaifb'ri ititi- avoc foil Phyfique , oil confond^ ainli que nous I'd* dcja diti YAndogi* & la- ttifcfttokilfa IJ 50 ANTWOORD OP DE VRAAGE echter op onze zintuigen fteunende , die ens vaak bedriegen , of konnen bedriegen , is het een zaak van belang de eene van de andere te onderfcheiden : de Analogic alleen op het ver- nuft gegrond , of op de reden , zoude ons niet konnen misleiden , wanneer zy te regt aange- wend word. De kenteekenw der Analogic , hier boven befchreeven , zyn gefchikt tot dit onderfcheid. Laaten wy twee Compasnaalden onderftel- len 5 die volkomen gelyk zyn ? maar de eene heeft eene zeilfteenkrachtige Naald , en de an- dere niet. Indien ik , op deze yolmaakte ge/y- kenis fteunende 5 'er uit opmaak ? dat de niet - zeilfteenkrachtige Naald het Noorden zal aan- wyzen , om dat de andere het doet , zoude ik my leelyk bedriegen. EMILE cette derniere fe fondant fur nos fens , qu' fouvent nous trompent ou peuvent nous tromper , il impo/ce de lu dis- tinguer de la premiere : celle- ci , fondee uniqucmem fur TincelleO: ou fur la raifon 3 ne fgauroic nous tromper quand elle eft bien employee, Lcs C ructerer ae Vdndhgie tra- cks plus haut, font propres a cecte dittinftion. Suppofons deux Rouflbles parfairement e^ales > niais 1'une ayant fon aiguille Aimantde , ^ Pautre non , fi , me iiant a cecte resemblance par faite* j'en conclus quc la Bous- fo e fans verm magne"tique montrera le Nord , parceque 1'autre Bouflble le raoucre, je me womperai lourdement. EMILE , OVER DE ANALOGIC, ENZ. 51 EMILE (*) door zynen Mentor -beftuurd , jnaakt een Eend van wafch , door welke eer;e zeilfieenkrachtige Naald gaat van den ftaart tot den kop ; hy neemt wel draa waar , dat zyn Eend , in eene kora met water gezet , en aan zich zelven overgelaaten , altoos in de ftreek van het Zuiden naar het Noorden gaat. Eeni- ge dagen daarnaa ziet EMILE een Compas,, en beraerkt dezelve eigenfchap. Schoon zyn Eendvogel en 't Compas in het geheel niet naar elkander zweemen , befluit hy 9 dat de Naald van het Compas zeilfteenkrachtig is , en hy be- (driegt zich niet , om dat hy.niet uit de gelyke- nts , maar uit Analogic befluit. Men EVTTLE ou de ^Education , Tom. II. pag. 18. vandal. Amilerdauifchen Druk, by Neaulme 1764. EMILE (*), dirig^ par Ton Mentor, fait un Canard de cire traverf< de la queue au bee par une' aiguille aimantee, & obfcrve bientot que pole dans un basiin piein d'eau, fon Canard abandonne a lui-m^me, prend toujours la di- redion da midi au Nord Quelques jours apres EMILE voit une Bouflble & y remarque ia in^mepropnete. Quoi- que Ton Canard & la boullole ne fc rcflemblenc en rien , il conclud que 1'aiguille de cette Bouflble eft aimantee , & il ne fe trompe point, parcequ'il conclud ^ non par resfem- blancs , mais par Anahgie. On (*"> UMTLE ott de I' Education , Tome II. pag. 1 8, de 1' Edi- tion d'Amfterdam chcz J. Neaulim 1764. D 3 5 a ANTWOOPxD OP DE VRAAGE Men kent deeze Anakgle daar uit , dat zy i. alleen tot de reden behoord ; 2. dat zy eene noodzakelyke vergelyking onderfteld tusfchen het Eend en het Compas ; 3. uit de eenzelvig- heid der zeilfteenkracht , die uit dat vergelyk voortvlocit : daar in tegendeel de volmtiakte ge- lykenis der twee eerfte Compasfen de zinnen on- middelyk aandeed , en geen eene eenzelvigheid , maar verfcheide gelykheden onderftelde. TWEEDE VOORZORG. Niet te befluiten uit hoofde van eene of meer eenzelvigheden , (die de gronden zyn der Analogic , ) op eene zaak 5 die in het ge- heel niet 9 of flegts ten deele , tot deze eenzel- vigheid behoord. Indien On reconnoir cette Analogic a ce que T, elle efl uni- quement du refTort de la raifon ; 2. elle fuppofe neccflai- rement: la comparaifon du Canard & de la lioufTole , &de plus ;. 1'identic^ de vercu Magnetique qui refulte de cet- te comparaifon : au lieu que la resemblance parfaiie des deux Houfibles , frappoit direftcmenr les fens, & ne fup- pofoit aucune identite, raais plufieurs ga!itcs. SECONDE PRECAUTION. Ne pas condure en vertu de 1'idcntit^ ou des idontites, fnndtmencs de 1' Analogic , une chofe qui ne dent poir: du tcuc , ou qu'en paitie i ces i OVER DE ANALOGIE, ENZ. 53 Indien EMILE , uit het zien , dat zyn Eendvolgel en het Compas beide vry na de Po len draaide , wilde befluiten , dat de Naald en het Compas zylfteenkragtig waren , niet alleen , ook , dat zy die kracht door een Zeilfteen ver- kreegen hadden , om dat hy de Naald van zyn Eend aan eenen natuurlyken Zeilfteen geftree- ken had , Hep hy groot gevaar van zich te be- driegen. De eenzelvigheid op welke de Ana- logic in dit geval fteund , is die van'de rigting naar het Noorden. Deze eenzelvigheid fleepc zeer noodzakelyk eene eenzelvigheid van zeil- fteenkracht na zich in de Naald van het Eend , en die van. het Compas ; maar niet dat de oor- zaak 5 welke deze kracht mededeelde , aan de eene en andere dezelve zy ; hebbende de na- tuurlyke en door konst gemaakte Zeilfteen beide deze eigenfchap van mededeeling. Het vSi de ce que Ton Canard & une bousfole tournent & 1'autre librcmenc vers les poles , KMIF.E vou'oir c<> i clure , non feulement que I'aiguiile dc 1 bou*fo ; e a ^-^ ai- manc^ , mais encore qu'elle 1'a M avec unc pitrre dTAi- mane, parcequ'il a aima'nt I'aixu'ile dw ion C^baird ayec un Almanr natural, i! couvroit grand risque de fe t'Orrper. L'identite fur laquelle fe fonde ici YAnalafce cil cdle dc direction vers le Nord ; cetce identne enrrafne bien ' e- ceiTairemenc une identic^ de verm magne'tique d ns 1'ai- u)lle du Canard , & celle de la bouslole , mat's nan que a caufe qui a communique cctcc vercu a Tune & a Faurrc foit la mdme , i*Airoanc nature! & r Ariificiel ayauc uus les deux cetce propriete communicative. D 3 Lc g la 54 ANTWOORD OP DE VRAAGE Het beste en misfchien eenige zekere mid- del , om deze fell te vermyden , is de analogi- Jche redeneering tot eene fluitreden te brengen , waar van de eenzelvigheid (de grond der Ana- /ogle") het tweede lid is , en het eerfte lid een algemeen onbetwistbaar Voorftel , dat het twee- de lid bevat. Dus kan men zeggen : Yder Naald , die de eigenfchap heeft van vry naar het Noorden te draajen, is zeil- fteenkrachtig. De Naald van een Compas draait vry naar het Noorden ; Zy is derhalven zeilfteenkrachtig. Terwyl Le meilleur & peut-^tre Tunique moycn aflurcS d'dviter cctte faute , c'eft; de reduire le raifonnemenc Anaiogique en un fyllogisme, dont PidcntJt6 fondement de V Analogic foit la niineiire*, & la majeure une propofition g^neralc in- contcilable & renfermcnc la mineure. Ainli Ton pent dire : Cette a'guille , qul a la propriete" de fe tourner libre- inent vers le Nord , a etc aimame". L'^ictiiUe de la Bousfole fe tourne librement vers le Mord ; Done elle a ^te aimantde. Ad FCVER DE ANALOGIC, ENZ. 55 Terwyl men niet kan zeggen : ^Yder Naald , die vry naar het Noorden draa i 't 5 is zeilfteenkrachtig gemaalct door eene Zeilfteen. Zynde dit Voorftel niet minder dan on- twyffelbaar. Deze tweede voprzorg op het.befluit , door gelykenisfe toepasfende, en zorg draagende van niet uit de gelykheid , die de grond der gelyke- wsfe is , een befluit te trekken , dat maar ten deele of geheel niet tot die gelykheid behoord ? zal men door gelykenis konnen befluiten 5 met zoo veel zekerheid 5 als door Analogic. Hier moet men vooral zich verzekeren , dat het voorftel , dat het eerfte lid maakt van de Sluitreden , waar van de gelykheid 3 de grond van Au lieu qu'on ne peut pas dire: Toute aiguille que fe tourne librement vers le IsJord 3 a t aimant^e avec un pierre d'Aimant. Cette proportion n^tant rien moins qu'inconteftable. Fn applf quant a la conduflon par resfemklance cette fe- conde Precaution , & p^enanc garde de ne pas deduire de l^.ilitd , fondemenc de la resfemblancs une conclufion , qui ne renne qu'injparfaitement ou point a cecre egalit^, on pourva conjure par resfembiance avcc autant de certi- tude que par Analogic Ici fur tout 51 faut s'aflarer que la Propofition qui fait la majeure du fyliogisme , dont I'6galit6 bafe de la resfem- D 4 bitncz ANTWOORD op FE VRAACE de gelykenisfe , het tweede lid raaakt , on- betwistbaar is ; ora dat dikwyls twee zeer ver- fchillende oorzaaken op eene dcr zinnen 9 de- zelve uitwerking doet, en derhalven aan deziel het zelve gcvoel geeft. " Dus het gloeijende yzer , on fiet in Vermillioen gefchilderde fluk jiouts , op het oog vap den Wilden dezelve uit- \yfking doend^ 5 ye^roorzagken aan zyn ziel de gcwaarwording van een levendig rood , en de- ^elye gewaarwording doet hem ten onregte be- flrjten ^ c^c die twee yoorvverpcn eenc volraaak- te geiykenis hebben. L^aten wy bnderftel- leq', ^at pnze Wilde een goed Bedenkunfte- nanr zy , dcin zoude hy zynen misflag konnen {Demerken, zonder de aanraaking te'huip te roe- pyn ? door te trachten de fchielyke redeneering vm ?yn Inftinft tot eene Sluitrederi te bren- gen , die alleon kon beginnpn door het volgen- Al fait la mineure , eft incontcftable ; parceque fbu- yent deux caufes cres- ditrerenres font fur un des fens le tffer > & portent par conftquenc vine m^mc fenfa- p oettc nidiY5e fenfation lui fait conclure & tort , que ces (.VUK objets" ont une refferoblance pajifaitc. Suppofons ./aj^e bon logicien, il auioit pu s^appcrc^voir niepvife, fans recourir h 1'ntrouchemem en efln- \xluire le raifonnem^nt fubic dy fon inflindl: wy V quiVaurpit PU' commencer qqe par h Propo 7 *'' OVER DE ANALOGIE, ENZ. 5? Al wat levendig rood is 5 veroorzaakt zakelyk dezelve fmart, die my een gloe- jend yzer veroorzaakt heeft. E)it Voorftel niet minder dan onbetwistbaaF zynde , moest hem ten eerlten toonen , dat hy zich konde bedriegen a en zich yrezentlyk bedroog. 'Er legt derhalven des te meer aan gelegen , om de redeneering door gelykenisfe te konnen onderfcheiden , van die door Analogic , wylhet eerfte meer bekwaam is om dwaaling te veroor* zaaken, of dat twee voorwerpen, die zeer ver- fchillende zyii , op eene van onze zihnen de- zelve uitwerking konnen voortbrengen. Om zich niet te bedriegen in dit geval , zoude men jnoeten beginnen met het onderzoeken 5 welke uitwerkingen de gemelde voorweipen moeten en Tout ce qui eft d'un rousre vif , caufe ndceflairemcnt la mcme douleur que m'a cauib le fer rouge. Cette Proportion n'etant nen moins qu'incontefta- bie, iui auroit d'abprd montr^ qu'il pouvoit fe trom- per , ou fe trorapqit effedhvemen:, 11 itnporte done d'autant plus dq igavoir d^flinguer le raifo.nr l e r nent par resfemblance de celu.i par Analogic , que le premier eft plus fujet a induire en erreur , ou que deux objcts trcs different pen vent produire fur un cie nos fens le n^cme effet. Pour ne pas fe tromper dans ce cas , il faudroi: commencer par examiner quels effcts les objets ea D 5 ques- 58 ANTWOORD OP DE VRAAGE en konnen veroorzaaken op onze andere zin- nen 9 en zich vervolgens verzekeren dat zy die wezentlyk voortbrengen , het geen dikwerf niet fchielyk gaat , noch fbmtyds mogelyk is. Daar in tegendeel de Analogic , alleen van het ver- ftani afhangende-, veel meer onder ons bereik is , en obk fchielyker werkt. By voorbeeld 9 indien het half yerheven Schilderwerk boven de deur 9 van het welk ik hier boven gefprooken heb , zo hoog geplaatst geweest was , dat ik 'er niet aan konde raaken , dan door middel van eenen hoogen ladder , en ik zulk een niet had , zoude ik my nooit door myn. Gevoel hebben konnen verzekeren. Maar door Analogic re- deneerende , zoude ik 'er \vel haast van verze- kerd zyn. Ik zoude waargenoomen hebben , dat , wanneer ik dat fcuk van boven de deur afiiam , en het elders plaatste , het noodzakelyk ook van fchyn ( of dag ) veranderen moest , en queflfon peuvent & doivent produire fur nos autres fens , & enfuire s'aflui-er qu'ils les produifcnc efFe6tivemenc , ce qui fouvent n'efl'ni expddicif ni posfible. Au lieu que YAnahgie , ne dependant que/de 1'intelleft , efc beaucoup plus en norre pouvoir & beaucoup plus proinpte. Par exen pie , fi le deflus de porte en clair-obfcur , dont j'ai parle* plus haut, avoit 6t& e'leve' au point que je n'eufTe pQ Je toucher fans une grande ^chelle , & que celle ci ra'euc manqu< , je n'aurois jaraais pu m'affurcr de mon erreur par le fens de toucher. Mais en raifonnant par Analogic je m'en ierois bientot afTu 6. J'aurois obferve' , fi en changeanc dc place , le deflus de porte changeoic audi d'ap- . OVER DE ANALOGIE, ENZ. 59 en ziende, dat het dit met deed, zoude ik ver- feekerd zyn , dat het een Schildery was ; want in het ftuk boven de detir , en in een graauw Schilderftuk een eenzelvigheid , van onveran- derlykheid vindende in den dag (*) , konde ik deze Sluitreden gemaakt hebben : Yder voorwerp , van het welke de dag de- zelve blyft , fchoon het gezigtpunt ver> anderd', is, gefchilderd. De dag van het ftuk boven de deur > blyft altoos dezelve, enz. Derhalven is het eerfte voorflel onlochenbaar: Ver- (* ) Hct Franfch zegt apparence , (bet geen fchynbaarheid of fchyn beteekend) ; doch ik ben genoodx.takt geweest het woord dag in den zin der Schilders te gebruiken , om my duidolyktr nit te drukken , wyl in deeze Verhandeling het zeer naauw op de eigentlyke^ beteekenis der woorden aan- koonu ; hierom heb ik ook hier het clair obfcitr door graauw Schilderftuk' veitaald , onder welkcn naam het by de Kunfte- naars en Kunstminnaars meest bckend is. VERT. d'apparence , & voyant que non , j'aurois &t ffir que cM- toit une peinture , parceque trouvant entre le deflus de porte & un clair- obfcur identitd d'immutabilit dans Tap- parence , j'aurois pu faire ce Syllogisrae : Tout objet dont Tapparence demeure la m^me, quoi- que le point de vufe change, eft peint ; L'apparence du deflus de porte demeure toujours la meme , &c. Dont la premiere Propofition efl inconteflable. Au 60 ANTWOORD OP DE VRAAGE Verder befluit ik hier door Analogie , en niet door gelykenis , dat het deurftuk geichilderd is , fchoon ik in den eerften opflag in verzoeking kwam , om het tegendeel te gelooven. Hex is \vaar , dat myn gezigts - zin ten geleider dient , tot de modlficatie van myn ziel , welke ver- oorzaakt word door de onveranderlykheid van het daglicht in het ftuk; maar het is even waar, dat deze modlficatie der ziel , geen gezigts- gewaarwording is. En in der daad 9 indien ik aan den blinden SAUNDERSON, die lesfen in de Gezigtkunde gaf 9 gezegd hadde : zie daar een ftuk boven de dear , dat my half verheven werk fchynt: , maar als ik het van plaats veran- der , blyft de daging altoos dezelve , zoude SAUNDERSON zonder tvvyfFelen geantwoord hebben : het is een uitmuntend wel gefchild^rd Graauwftuk. III. An refle je conclus ici par Analogic , & non par resfem* llance , que !e deflus de porte e(t peint, quoiqu'au pre- 3nicr coup d'ceil on feroic tante de croirc tout Ic contraire, Jl eft vrai quc le fens de la vue fere de vehicule la modi- ficat'on de 1'ame cauf^e par 1'immutabilit^ de 1'apparence du deflas de porte ; mais il eft egalement vrai , que cette modification de i'ame n'eft pas une fenfat^on vifuelle. Cer- taineraent fi j*avois dit i Paveugle SAnNi )ERSON> q u i donnoic des legons d'Optique : Voila un deflus de porte qui me femble un bas- relief; mais en changeant de place 1'apparence de ce deflus de porte demeure toujours le me 4 - jne. S AUK DER SON m'auroit repliqud fans heficer: c'eit ua clair-obfcur parfaitemenc execute, III. OTEK DE ANALOGIE , ENZ. III. HET GEBRUIK DER ANALOGIE. De Analogic niet kufinende bedriegen, wan- neer zy met de nodige en bovengemelde voor- zorgen gebruikt word , is voor den Wysgeer een groot behulp in het onderzoek der Natuur- en Zedekundige waarheden : tot meer order eii klaarheidshalven , breng ik dezelve tot de vier volgende Gebruiken: EERSTE I I I. USAGES DE L'ANALOGTE, t?'Analo$ie * employee avec les Precautions convenables & prescrites , ne trompant point , elle eft d'un grand fe- cours au Philofophe dans la recherche des vrit^s Fhyfi- ques & Morale: pour, plus d'ordre &dc clart6, je rduis fes Ufages aux quaere fuivants, PRE- 62 ANTWOORD OP DE VRAAGE EERSTE GEBRUIK. Dorr mlddel der Zlnttrigen , eerst zyn eigcn oor- deel , en daama dat der anderen in de zaaken , die het vcrftand aangaan , te volmaaken. Laaten wy hier herhaalen , het geen wy reeds beweezen hebben 5 te weeten : dat de volmaak- te dnalogie plaats kan hebben tusfchen twee redeneeringen 5 en dat alsdan de eene niet waar en befluitend kan zyn , zonder dat de andere het ook zy. Telkens derhalven , dat men op Zaaken , die alleen tot het verftand behooren , een redeneering toepast , die yolkotnen Anah- gifch is met eene waare redeneering ? en die toegepast is op ftoffelyke zaaken , is men ver- zekerd van een verftands - redeneering , en der- halven zoude men zich niet konnen gewennen , om PREMIER USAGE. Perfeftionner a I' aide des Sans , d* abord fon propre jugement 9 f enfuite celui des aiitres , dans les cbofes intelleftuelles. Rappellons-nous ici ce que nous avons d^ja trouv6 , fgavoir : que V Analogic parfaite peut fe trouver entrc deux raifounements, & qu'alors Tun ne fauroit dtre vrai & con- cluanc fans que 1'autre ne le (bit auffi Dons toutes les fois qu*on applique aux chofes intelleftuelles uu raifonne- menc parfaitement analogue ;, a un raifonnement vrai & ap- plique" a des objets mate*riels , on eft fur du raifonnement intelleftuel , & par confequent on ne fauroit s'accoutu- mer OVER DE ANALOGIE, ENZ. 63 om juist en naauwkeurig te redeneeren over na- taurkundige zaaken , zonder dezelve gewoonte aan te neemen by zaaken 3 die het verftand al- leen raaken , en de*,e gewoonte fteund op de Analogic. VOORBEELD. De Wiskundige Wetenfchappen , volgens de wyze der Ouden , beoeffend , vereenigen het dubbeld voordeel , van het verftand meet - en redekundig te maaken , door zich te gewennen. om juist over Wiskundige figuuren te redenee- ren 5 het geen zigtbaare voorwerpen zyn , die door de zinnen konnen vergeleeken worden 3 brengt het verftand deze wyze van redeneeren over op onderwerpen , die geheel verftandelyk ( intelleEtueel} zyn 5 en het vereifcht in dezel- ve even als in de Wiskunde 3 korte 3 klaare en juiste mer & raifonner avec exaditude fur de<; objets Phyfiques, fans prendre lamme habitude par rapport a ]'in>el!eduel ? <2c cette habitude eft fondee fur E X E M P L E. Lcs Mathdmatiques, ^tudi^e? ^ la marrere des ancicns, r^unisfent le double avamage de rendrt- 1'efprit Gdomerre & Logicien. A force de s'accourumer ^ raifonner ex cle- ment fur des figures, objets vifibles & cornpai\.b!es a "ai- >de des fens lefpric transpose 'jwifag'qugtnent cetie ma- niere de raifonner aux objets puremenc mrelledtuels , & la, comme dans les Mathdmatiques , ii exjgc des defini- CJODS rf 4 ANTWOORD OP DE VRAAGE juiVe omfchryvingen ^ en neemt voor flelregels ( axinmcis} geene anderen ami , dan grondbe- ivinzelen , welker duidelykheid de ziel in den eeiften opflag aandoet en overtuigd , en ftaat riers toe , dan zulke zaaken, die men niet kan ontkcnnen , zonder aan zich zelven oordeel en begrip te weigeren : al het andere ziet de ziel als nvyffelachtig aan , tot dat het ten ftrengften betoogd is , volgens eens vastgeftelde grondbe- ginzelen. Maar dit geftrenge betoog ook eens gedaan zynde, zd geene zwaarigheid, geene te- g^n\verping het doen waggelen. Hy weet door de wiskundige kundigheden 5 zonder te twyfelen , dat men zeer fchynbaare tegenwerpingen maa- ken kan tegen bewezene voorftellen , die daarom niet te min waar zyn. Welke tegenwerpingen zoude een Wysgeer , die geen Wiskonftenaar is , niet maaken tegen de voorftellen ^ dat 'er niets be- tions breves, claires & precifes; il n'adopte pour axiomes que les principes done I'dvidence le frappe & le convainc d'abord ; il n'accorde que les, chofes qu'on nc fgaurolt re- fufcr fins fe refufer & foi mme le jugement & la concep- tion : tout le refte il le regarde conime douteuK , jusqu'i ce qu'on le lui d^montre rigoureufement d'apres les prin- cipes une fois pof^s. Mais auffi cette d^monftration ri- goureufe une fois faite, aucune difficuke", aucune objec- tion ne Pdbranle : il i^ait indubitablement par les Mathe- ip.aciques , qu'on petit faire des objections tres - fpecieu- fes contre des Propofitions demontr^es , fans qu'elles en foyent moins vraies. Que d' objections un Philofophe noh Gdomctre, ne feroic-il pas contre les Proportions : ' OVER DE ANALOGIC , ENZ. 6$ beftaat , dat geen Geest is , wyl het noch werk- zaatnheid noch verftand heeft , (een Wiskun- dig punt ) en dat geene ftoffe is , wyl het geen uitgebreidheid 'heeft : dat twee Voorwerpdn , ( de krpmme lynen en hunne djymptoien ) , geduurig elkander konnen naderen, zonder ooit zamen te loopen ; of dat men eene grootheid vinden kan ( by vootbeeld de oppervlakte van een vierkant) , zoo na als men wil , by eene andere grootheid , ( de oppervlakte van eenen Cirkel) komende , zonder dezelve ooit gelyk te konnen worden , fchoon men een vierkant kan begrypen , dat volkpmen gelyk is aan de oppervlakte van eenen Cirkel 5 enz. TWEEDE qu'il exiite quelque chofe (le point Mathernatiqiie) qul n'eft par cfprit, puisqu'clle n'a ni adivite ni intelligence^ & qui n'eft'pas matiere , puisqu'clle n'a point d'tendue: que deux objets , fles courbcs & leu^s ofymptotes^ pen- vent fe rapprocher continuellemenc fans jamais fe rencon- trer ; qu'on pent trouver une grandeur ( par exeijiple la furface d'un carr), ^ufli apprbchante qu'on veut d'une autre grandeur (h furface d'un Cercle), fans j-invais pou- voir 1'egaler, quoique Ton puifTe concevoir ua quarr6 par- faitement egai en'furfiKe a un Cercle, C^c. XXIL Dceh E "SECOND 66 ANTWOORD OP DE VRAAGE TWEEDE GEBRUIK. Eenc byzondere waarbcid algemeen le maakcn. De waarheid van een Voorflel ontdekt en beweezen hebbende 3 onderzoeke men 5 of die waarheid , afgeleid word uit eene eigenfchap , die aan dat onderwerp alleen eigen is , ot aan meer andere onderwerpen gemeen. In dit twee- de geval zullen alle die onderwerpen onder een algemeen denkbeeld konnen begreepen worden ? dat gegrond is op de gemeene eigenfchap ; men flelle dan dit algemeene denkbeeld in plaats van het byzonder voorwerp , dat het onderwerp der voorftelling uitmaakt ; en het byzonder voorftel zal algemeen worden , en echter waar blyven : want wy hebben gezien , dat alles , wat klaar- blykelyk 5 en alleen uit de eenzelvigheid , die de SECOND USAGE. gcnsrale une vtrite particulisre. Ayant decouvert & prouve^ la vrit: d'une Proportion pour un objet particulier , examinez fi cctte verite de- coule d*une qualite proprc i ce feu! objec, ou commune a plufieurs objets. Dans le fceond cas , tous ces objets pourronc done tre compris fous une iddc gdr.eralc , fon- dde fur certe qualitd commune ; ainii fubllituez ccttc idee g^nerale a 1'objet particulier , qui fait le fujet de la Pro- pofition, & la Propofition particuliere d'abord, devicndra gnrrale fans ccfler d'etre vraie : car nous avons vu que tout ce qui rcfulte evidemmenc <5c uuiqueraent de Fidcn- cite OVER DE ANALOG'IE, Ett2. 6? de grand eener Analogic is > voortkoomt , oofc waar is in alle de onderwerpen 9 tuslchen welke die Analogic plaats heeft. VOORBEELDEN Voor bet Natuurkuneftg*. NEWTON merkt op, dat yder Wagter van cene Dwaalfter naar deszelfs Dwaalfter getrok- ken word , en die naar de Zon , het algemeen middelpunt van zwaarte - kracht , even als alle aardfche Ligchaamen naar het middelpunt der Aarde trekken. Ziende > dat alle die zwaarte- krachten regtftreeks als de majfifs zyn , ( de omgekeerde reden der Afftanden komt hier niet in aanmerking) 5 en dat alle de Dwaalfterren 9 en alle de aardiche Ligchaamen m&ffcfs zyn , be- / ttuit tit6 fondement d'une Analogis , eft vrai dans tous les ob- jcts ayant entr'eux cetce Analog. EXEMPLES. An Pbyfique. NKWTON s'appergoit , que route Planete fecondaire gravite vers fa Planecc principale , & cello - ci vers le Soleil, centre commun de gravitation , comme tout corps terreftre gravite vers le centre de la terre. Vpyant que routes ccs gravitations etoieric toujours en railbn direcle des masfes, fl'JnVerfc des quarr^s des diflances n^cntre point en confideration icr), & que toutes les Planeces & tous ies corps tcrrcftres iboc des malfes , il en conckv! E i uu 68 ANTWOORD OP DE VRAAGE fluit hy , dat .die eigenfchap alleen van de mas- fa af hangt , of aan dezelve eigen is , ftellende dan in zyn byzonder voorftel in plaats van : Yder Dwaalfter en yder aardfch Ligchaam trekt naar een Middelpunt. Hct algemeen denkbeeld van masfa of hoe- veelheid van ftofFe , onder welke men alle die ligchaamen kan begrypen , befluit hy eindelyk op de algemeene zwaartekracht der floffe , en bedroog zich niet. Na den tyd van dien groo- ten Man heeft men Proeven genomen, die be- wyzen , dat de Bergen vry kleine ligchaamen ? die 'er dicht genoeg by zyn , na zich trekken. Verder ? men giete een vocht in een glas , zo dat het fchuimt , dan zal men zien , dat de Lugtbellen eerst langzaam na den rand van het glas que cette propri^td ne depend que dc la masfe, ou du inoins lui eft inherete. . Alors 5 fubiiituanc dans fa pro- poficion particuliere : Toute Planete & tout Corps terreftre gravite vers un Centre. LMdde g^nerale de masfe , ou quantft^ dc matiere , fous laquelle on peur comprendre cous ccs corps, il cqn- clud enfin la gravitation univerfelle de la matiere, & ne fe trompe point. Depuis ce grand homme on a fait des experiences , qui prouvent , que les Montagnes attirent vers elles des corps aflee petites & aflcz vo:(ins pourceia. D'ailleurs, verfez quelque liaueur dans un verre en force qu'clle ;nouflc , & vous verrez les bulles tendie d'-'^o'-d Icntc- OVER m ANALOGIE, ENZ. 69 glas gaan , daarna hunne beweeging verfnellen , naar maate zy meer tot den rand naderen (*), uit hoofde van den wederftand der omriugende Middelftoffe. De Kentekenen van deze Analogic zyn dus : i. de veronderftelling eener vergelykirig vande Dwaalfterren met elkander en met alle de aard- fche ligchaamen ; zo wel als 2. de eenzelvig- heidj die 'er uit voortvloeid ? en die daarin be- ftaat , dat alle die Voorwerpen onder het alge- meen denkbeeld van masfas begreepen zyn ., en derhalven 3. tot het verftand behooren. De (*) Dat zy Jnaderen , knn de uitwerking derbeWeeglng die aan de Lugtbellen door de beweeging van de vloeiftoffe medeL r edeeld word , niet zyn ; wyl in dit geval hunne. be- ve'.iing moest verminderen en nier vermeerderen 9 na maate zy aan den rand van het Glas naderen. lentement vers les bords, & accdlerer leur mouvement S m^fure qu'elles approchent (* j du bord , a caufe de la r^fiftance da milieu ambiant. Les Caracleres de cette Analo&ie font: i. de fuppofer la comparaifon des Planetes entr'elles , & avec tous les Corps terreftres ; ainfi que 2. 1'identit^ qui en refulte , & qui cnnfifte en ce, que cous ces objets font compris fous 1'id^e generate dc raasfes ; d'etre par confe"quent 3. du reflbrt de 1'intellect. Les (*) En approchent, ce qui ne fc/iuroit ^tre 1' effet du mouvement , imprim a ces Bulles par T agitation de la 1U gueur , on que dans ce cas leur mouvement dvroit dimi- nuer non augmenter ^ mdfure , qu'elles approchent au bord Au Verve. 70 ANTWOORD op DE VRAAGE De Grondbeginzelen van alle Anakgle noocU zakelyk in haare Kentekenen begreepen zynde 9 zollen wy ons vergenoegen , met alleen deeze aan te merken, De tweede Voorzorg ? die wy aanbevolen hebben , is in dit geval niet noodig , wyl de aantrekking der Dwaalflerren afgeleid word van de eenige hoedanigheid , die de Dwaalfterren hebben 5 dat zy ma. fits zyn 5 of ten minften is zy aan die eene hoedanigheid vastgehecht 9 en dat het joist die is , van welke in deze kgie gehandeld word, In fat Les PrincFpes de toute Anakgie &ant neceflaireraeat compris dans fcs Carafteres, nous nous contentons de re- Ijiarqucr ceux ci. La fcconde Precaution recommandee eft inutile ici , parceque ia gravitation des Planetes, d^coule de la qua* Jice feu'c qu'onc ces Plapetes d'etre des masfes , ou du moms tient a cecte feule qualite , & que c'effc pr^cifement celle - ci qui caufe ridentit6, dont il eft queftion dans OVER DE ANALOGIE, ENZ. 71 In het Zedekundige. Ik waarfchouw mynen Vriend,, dat de Juffer, op welken hy verliefd is , en die hy trouwen wilde , een gebrek heeft , dat zy ligtelyk kan verbeteren. Myn Vriend lochend zulks , fchoon het yder een duidelyk ziet. Ik begryp , dat die verblindheid een onover- winnelyk gevolg der liefde is a en de liefde aan alle Minnaars gemeen zynde , befluit ik analo* gifth, dat in het algemeen de liefde blind is. De Kenteekenen dezer Analogic zyn te blyk- baar 3 om 'er by ftil te flaan. DERDE Au> Moral. J^avertis un de mes Amis , que la Dame done il eft arnou* reux , & qu'il veut dpoufer , a un d^faut dont elle pour- roic ailment fe corriger. Mon Ami n'en convient pas , quoique cela faute aux yeux. Je congois que cct aveuglement eft une fuite indvita- ble de r Amour , & T Amour etant commun a rou les Amancs, je conclus analogiqiiement qu'en general : 1'Amour eft aveugle. Les Caraderes de cette Analogic font trop dvidents , pour que je m'y arr^te. E4 TROI- ANTWOORD OP DE VRAAGE DERDE GEBRUIK. De waarheid of valfchheid van een Poor/lei last baar te bctoogdn ; bet geen men op gccn andere zc ftrengelyk zoude kannen bcwyzen. Dit gebruik heeft geen plaats , dan voor zo verrc het voorftel meer algemeen kan gemaakt worden , of dat men deszelvs waarheid of valfch- heid wil bewyzen , door toepasfing op een an- der onderwerp. Maak dan het Voorftel alge- meen door het tweede gebruik. Kies vervol- gens een' byzonder ondenverp , dat begreepen is onder het algemeen denkbeeld 9 dat in plaats van het eerfle onderwerp is , in het voorftel , en wel zo ^ dat de waarheid of valfchheid van het V r oorftel tastbaar zy. Dan blykt het , dat het Voorftel toegepast op het uitgekoozen on- der- TROISIEME USAGE, Prouver palpabhment la verite ou la fauffett d'une Propo/ition , qifon ne fcauroit prouver rigour eujement d' ailhiirs. Cct Ufage n'a lieu qu'autant que la Propofition peut fitre rcnduc plus g^nerale , vu qu'on veut d^montrer fa v^ritiS ou fa fauflcie en 1'appliquant: a un autre objet. Ren- dcz done la Propofition g^nerale par le fecond Ufhj>^ Choifiilez enfuite un objec particulier compris fous Tidee generale , ilibflitu^e au premier fujet dans la Propofition, & tfl que la vrit ou la fauflet de la Propofition gene- Tale foit palpable, 11 eft clair que la Prupofition appli- OVER r>s ANALOGIE, ENZ." ~^~ 73 derwerp , voor hetzelve noch waar noch valfch kan zyn , zonder zulks te gelyk voor het onder- werp te zyn , dat het voorwerp van het Voor* ftel maakt , om dat die twee onderwerpen bei- de in het algemecne denkbeeld begreepen zyn, dat het onderwerp van het algemeene Voorftel maakt , van welke het Voorftel dat men onder- zoeken moet , maar een byzonder geyal is. V O O R B E E L D E N. In het Natuurkundtge. Ik zeg aan een Kind , dat het de Aarde xvel konde zyn , die zich dagelyks van het Westen naar het Oosten beweegd, en met de Zon, die zich van het Oosten naar het Westen beweegd. Het Kind antwoord : dat is onmogelyk 9 want ik a 1'objet choifi , ne peut-^tre vraie ou fauffe pour celui ci , fans 1'fitre galemenc pour Tobjec qui eft le fujec de la propofinon , puisque ces deujc objets fbnr compris tous deux fous ridee g^nerale qui fait le fujet de la Pro- pofition g^nerale , dont la Propofition h examiner n'eft qu'un cas particuher. EXEMPLES, Au Pbyfique. Js dis a un Enfant , que ce pourroic bien - ^tre la Terre , qui fe meut journellement d'Occident en Orient , & non le Soleil , qui fe meut d'Orient en Occident. 1'kn- fant impend: ela efl jjnposfible , car je yois tres-bien , E 5 que 74 ANTWOORD OP DE VRAAGE ik zie zeer wel , dat het de Zonne is , die in het Oosten opgaat , en 'er tegen over in het Westen ondergaat. In plaats van met het Kind hier over in redeneering te koomen 5 breng ik het zelve in eene fchuit , die langs den Oever voortgaat , en ik zeg hem zyn oog te vestigen op eenen Boom die voor ons is. Ik vraag hem : fchynt het u niet toe , dat die Boom naar ons toekomt ? Het Kind antwoord ja. Ik ga voort : is het wczentlyk de Boom , die naar ons toe- komt' , of de Schuit 5 die ons naar den Boom brengt? Het Kind antwoord: het is de Schuit, die ons naar den Boom brengt. Ik zeg 'er op : Wel nu, de Aarde is de Schuit, die ons na de Zon voerd van het Westen naar het Oosten , fchoon gy meend , dat gy niet van plaats ver- anderd , de Zon is de Boom , die van het Oos- ten na ons fchynt toe te komen , fchoon zy on- beweeg- que c'eft le Soleil qui fe leve en Orient , & va fe coucher vis-a-vis en Occident. Au lieu d'entrer avec 1' Enfant dans des raifonnements au deflus de fa port^e , je le mcne dans un bateau , q'oi c<5coye le rivage , & je !ui dis de fixer un arbre fitue" devant nous. Enfuite je demande : ne vous paroit-il pas que cet arbre s'avance vers nous? L'Eufant rdpond : oui. Je continue: eft- ce reellement 1'arbre qui vient au devaflt de nous, ou le bareau quinous mne vers 1'arbre ? L'Enfant replique : c'eft le bateau, qui nous me'ne vers T arbre. Je relume : hh bien ! la Terre eft le bateau qui nous entraine vers le Soleil d'Oc- cident en Orient, quoique vous croyez ne pas bouger, & le Soleil eft 1'arbre qui vous fcmble venir a nous d'Orienc ea Occident j quoiqu'il demeure immobile. t TEnfaut, con- OVER DE ANALOGIE, EMZ. 75 beweeglyk is. En het Kind overtuigd , dat het zich bedroogen heeft , wanneer het geloofde , dat de Zon zich wezentlyk beweegd , om dat zy fchynt voorttegaan , denkt dat de Aarde ons zeer gemakkelyk met zich van het Westen naar het Oosten konde voeren. Het Voorftel 5 waar van ik de valfcheid be- wyzen wil , is : De Zon beweegd zich noodzakelyk , om dat zy zich fchynt te beweegen. En het Voorftel , waar van ik do waarheid Wilde betoogen , is : De Zon beweegd zich niet noodzakelyk 3 om dat zy zich fchynt te beweegen, Deze vooritellen algemeen gemaakt, worden: Yder coTTvain^u qu'il s'efl tromp6 en affirmant la jnarche effec- tive du Soleil , parcequ'il lui paroic marcher, penfe que la lerre pourroic tr^s-bien nous entrafuer avec elled'Oc^ cidenc en Orient* La Propofition dont je veux prouver la faufTetd , eft : Le Soleil fe tneuc n^ceflairement , parcequ'il paroit fe mouvoir, Celle dd^nc je veux prouver la Lc Soleil ne ie meut pas n^ceflairement , parcequ'il paroft fe mouvoir. Rendues g^ncraies ces PropojQtions , deviennent Tot ? ANTWOORD OP DE VRAAGE Yder Voonverp , dat zich fchynt te bewee- gen 5 beweegt zich altyd in der daad. Yder Voorwerp , dat zich fchynt te bewee- gen 5 bevveegt zich niet altyd. Deze Voorftellen toegepast op den Boom 9 is het eene klaarblykelyk valfch ? en het an- dere waar. En zo dra het tastbaar valfch is , dat een Boom voortgaat , om dat hy fchynt voort te gaan ? is het uofc fsQfhaar valfch , dat de Zon voortgaat , alleen om da zy fchynt voort te gaan > enz, De Kenteefcenen der Analogle , die hier ge- bruiktzyn, zyn i. de vergelyking van de Aar- de en de Schuit., van de Zonne en den Boom; 2. de ^Tout Objet, qui parole fe mouvoir, fe meut nces- fairemenc. Tout Objec , qui paroit fe mouvoir , DC fe meut pas n^ceflairemenc. Qui appliqudes ^ I'Arbre, font, manifeftement, la pre- miere faufle, la feconde vraie. Et des qu'il efl palpablement faux qu'un arbre marchc uniquement parce qu'il parofr marcher , il eft aufli palpa- blement faux que le Soleil marche uniquement parcequ'il paroit marcher &c. Les Caradleres de V Analogle employee ici font: i. defup- pofer la comparaifon de la Terre & du Bateau, du Soleil OVER DE ANALOGIE, ENZ. 57 2. de eenzelvigheden , die 'er nit voortkomen 1 , en die zyn 5 dat de Aarde en de Schuit beide beweegende ondenverpen zyn , en de Zonne en de Boom ftilftaande voorvverpen ; 3. dat zyal- leen tot het verftand behooren. In de Zedekunde. ' Alle de Fabels bieden ons in hunne toepas- fingen voorbeelden aan van dit gebruik der Ana- logie ? toegepast op cte Zedekunde. Wy zullen 'er duidelykheidshalve een uitkiezen. Om aan een Kind de waarheid van dien regel : Men moet in zyne jeugd arbeiden , om iets te hebben , om in zynen ouderdom van te leeven ; duidelyk te betoogen , laat men hem den Fabel leezen van den Krekel en de Mier, en wanneer. hy & de PArbre; ainfi que 2. les identitds qui en rgfultent & qui font , que la Terre & le Bateau font tous deux un objec en mouvemenr , & le Soleil & PArbre un objec CQ repos ; 3. d'etre du reflbrt du feul intelled:. An Moral. Toutes les Fables nous ofF'-em. dans leurs applications , des cxemples de cet ufage de \* Analogic employee au Mo- ral, Choififlbns - en cependant une pour plas de clarte". Dans la vuc de prouver fenfiblement k un Enfant la v- rite de cette maxime : II fauc travailler pendant fa jeu- nefle cfin a'avoir d ' quoi vivre dans fa vielleub ; on luf faic lire la Fable de la Cigale loopt gevaar van naderhand van honger te fterven. Dit Voorftel 5 op den Krekel toegepast, is tastbaar waar. De Kenteekenen der Anakgie , die liier ge- bruikt zyn 5 zyn i. de onderflelling der verge- a vu que la Cigale n'ayant pas amafT6 en dte de quoi vivre en hiver , couroit risque de mourir dc faim , on lui dit : airant vou-s-en arrivera , fi vous ngligez dans la jeunes- le, d'amafler de quoi vivre dans la caducite* La Propofltion , done je veux prouver la v^rice* , ren- due g^nerale , eft : Touc ^tre , qui a befoin d f aliments , & qui n'cn fait pas provifion quand il le peut & qu'il en eft temps, court risque enfuite de mourir de faim. Cette Propofltion, applique"e a la Cigale ^ eft palpable- men t vraie. Les Caraftcres teV Analogic employee ici, font: i. de fup- 'OVER DE ANALOGIC, ENZ. 79 Jyking van den Krekel met den Menfch , van den Zomer met de Jeugd ; ' 2. de eenzelvighe- den ? die 'er uit voortvloejen, en die zyn, dat de eene en andere fpyze nodig hebben , en dat de Zomer voor de eene , en de Jeugd voor de andere de bekwaame tyd is om die te verzame- len; 3. dat zy alleen tot de reden behooren. Laaten wy verder aanmerken , dat de verge- lykingen der Dichters en Redenaars 5 ten groo- ten deele niet anders zyn 5 dan op deze wyze aangewende Analoglen. Want de Dichters en Redenaars vergelyken zelden Voorwerpen za- men , die onderling eene Natuurkundige gely- kenis hebben ; en indien de Voorwerpen ee- ne Zedekundige gely kenis hebben, zyn zy ana- hgifch 5 en het eene ftrekt 5 om het geen men van het andere zeggen wil , zo yeel te-meer te doen gelooven. VIERDE fuppofer la comparaifon de la Cigale avecj' Homme , de T t.'c6 avec la Jeunefle ; ainfi que ^. les identites qui en rcfulrent , & qui font que Tune & 1'autre , one befoin d'a- limenrs , & que TKre cfl pour Tune, & la Jeunefie pour 1'autre, le rcmps propre a en ramaller ; 3. d'etre unique- ment du reiTorc de la raiton. Ren arquons encore que les comparaifons des Poctes-& des Orateurs , ne font la pluparc que des Analogies em- ploy^es de cecie nvmiere. Car les Poeces & les Orateurs re comparcm eue>-e des objets qui one entr'eux une res* jwtblance P >\fique ; & fi 'es objets ont entr'euK une res- f&iblance Morale * ils font do'-c Slncilututs , & Tun fere i icndre plus ieofible ce que 1'ou veui dire dc 1'autie. Q.UA- .-N. So ANTWOORD OF DE VRAAGE VIERDE GEBRUIK. Ontdckking van nieuwe Waarheden. Men kicze de.eene of andere Waarheid, en qnderzoeke voor eerst , of dezelve op de alge- meenfle wyze voorgefteld zy , dan niet ; in dit tweede geval maake men de waarheid zoo alge- meen als het mpgelyk is , door middel van het tweede Gebruik. Men pasfe eindelyk deeze waarheid toe op alle de onderwerpen 5 welker Analogic fteund op de eenzelvigheid van de al- gemeene hoedanigheid 5 die de grondisvandee-, ze waarheid. En men kan van deeze toepasfmg verzekerd zyn , wyl (2. gebruik) deeze alge- meene waarheid enkel afteleiden is van de hoe- danigheid , die gemeen is aan alle de voorwer- pen 5 van welke de Analogic zich grondvest op de eenzelvigheid van die hoedanigheid. VOOPx- Q U A T R I E M E U S A G E Decouvris de nouvelles Virilis. Prenez une Verit6 quelconque , & examinez d'abord fi elie eft noncee de 1 mnniere.la plus generate , ou non ; dans le fccond cas , rendez cetce Veritd auffi generate qu* il eft posfible , par le fecond ufyge. Knfin appliquez cet- te Verit^ a. cous les objets , done Vdnalogie fe fonde fur ridentite' generate , qui faic le fondement de cecce Verite* Voiis pouvez etre fur de cette application , puisque ( 2. ufage ) l cette V6rit6 generate d^coule uniquement de la qualit^ commune a tons les objets, done V Analogue fc fondc iur Tidentite de ceite qualuc. EXEM- OVER DE ANALOGIE, ENZ. Si VOORBEELDEN. In de Natuurkunde. r Wylen de Heer LAMBERT, eenwaardit* Lid van de Koninglyke Acaaemie der Weeten- fchappen en fraaijc Letteren te Berlin , nam vooreerst waar , dat de befchouwing der Spreek- Trompetten uitliep op de algemeene Wet van wederkaatzing. x Hier uit befluit hy 5 dat de befchouwing {theorie^) der Spreek-trompetten insgelyks op het Ligt kan toegepast worden , en men dus ook een Ligt - trompet zoude kon- nen uitvinden. En hy heeft ook in der daad de Figuur en afmeetingen gegeeven van zulk een Werktuig r dat het ligt van eene kaars tot op 46 voeten afftands draagt , zo dat men op dien aflland noch leezen kan. . EXEMPLES. An Pbyfique. Feu Mr. LAMBERT, Membre lllujlre de V Royale des Sciences f Belles - Lettres de Berlin , obferva d'abord que la th^orie des Porte- voix fe rdduifoic enfin ^ la Loi generale de la reflexion. De 1^ il conclut 9 que la the'orie des Porte -voix eft ^galement applicable a la Lu- miere & que Tonpourroit parconf^uanttrouverun Porte- lumiere. lifFeftivement il a donn6 la Figure & les dimep- tions de cet Jnftrument, qui porte la lumiere d'uqe chan- delle jufqu'a 45- pieds de diflance , enforte qu'on peuc en- core lire a cet e"Ioignemenc. DM, F A* 8a ANTWOORD OP DE VRAAGE In di Zedekundc. ' De menfch bemerkt wel drf , dat 'er niets uit zich zelve voorkomt , dat is te zeggen , dat een gefchapen Wezen 'er een ander onderfteld; deze waarheid van waarneemingen zo algemeen maakende , als hem mogelyk is , zegt hy : 'er is geen uitwerking zonder oorzaak ; eindelyk ? dee ,e algemeene waarheid op het heelal in het byzonder toepasfende , trekt hy 'er die groote Waarheid uit : "er is een Schepper. De Kenteekenen der Analogic van het eer- fte voorbeeld zyn : i . dat 'er eene vergelyking is tusfchen de befehouwing van het Geluid ^ en die van het Ligt; 2. de eenzelvigheid der twee befchouwingen , die daar in beftaat, dat de ee- ne en andere uitloopen op de algemeene Wet van An Moral. L-Bomme remarque bicntdt que rien ne fe fait de foi- me'me ; c'eft-a dire , qu'uu Etre cree en fuppole un au- tre ; rendant cette V^rite" d'Obfervation auffi g^nerale 5 qu'il lui eft posfible , il dit : il n'eft point d'efFet fans ^aufe: enfin appliquant cette V6nt6 a Tunivers en particu- lier, il en tire cette grande Verice: il eft un Cr^ateur. Les Carafteres de VAnalogie du premier JExemple font : j. de fuppofer la comparaifon de la th^orie du Son avec ^elle de la Lumiere j ainfi que 2. l'identit de ces deux theories qui confide en ce qqe Tune VOORGESTELD DOOR DE HOLLANDSCHE MA ATSCHAPPYE DER WEETENSCHAPPEN TE HAARLEM : Welken zyn de Grondcn en Kemnerken van de Ana- logic ? En hoe betaaml bet eenen Wysgeer zich daarvan te bedienen by bet onderzock der Phyfifche en Moreele WaarbedQn ? DOOR JOSEPHUS PAPDEFAGARAS, Doftor en Prof, in de Pbilo/opbie , en Prof, in de Matbefis , op bet Athenaeum te l-'afarbely in Zevenbe'rgen* ONDBR DE 2INSPREUKE: tcmere , nee ti DISSERTATIO D E A N A L O G I A 5 ljusqtie ad veritates Pbyflas 6? Morales applicative, ILLUSTRIS SCIENTIARUM SOCIETATIS HAR LEMENSIS JUDICIO SUBMISSA. F4 Lladz. 89 VERHANDELING OVER D E A N A I/ O G I E, EN DESZELVS TOEPASSING OP DE NATUURKUNDIGE EN ZEDE- KUNDIGE WAARHEDEN, lie Menfchelyke Kundigheden eindigen of in vergelyking van denkbeelden ? of in het onderzoek , en de waarneeming van de eigenfchappen en vermogens der dingen, en in het brengen van dezelven tot hunne oir- zaaken. Hoe DISSERTATIO , D E ANALOGIA^ EJUSQUE AD VER.ITATES PHYSICAS ET MORALES APP LI C A TI ONE. Omnis humana co^nitio terminatur vel in comparatione idearum 5 vel in proprietatibus rerum viribu?que ob- lervandis , cxaroinandis ? & ad fuas caufa^revocandis. F 5 In 5>b II. ANTWOORD OP DE VRAAGE Hoe men moet te werk gaan in de vergely- king der kundigheden : zulks leeren ons de Re- denkunftenaars , en de Wiskunde geeft 'er zeer gefchikte voorbeelden toe aan de hand. De Denkbeelden iiamentlyk ,* moeten naauwkeurig omfchreeven worden , enbepaald, om alle ver- warring te vermyden ; zy moeten uit verfchei- den Qogponten gezien worden 3 hunne overeen- komst moet waargenomen worden , en in derzel- ver juiste paalen omfchreeven ; het onderfcheid derzelve moet duidelyk aangeweezen worden,. en de kundigheden moeten op verfcheiden wy- zen zamengevoegd of van elkander gefcheiden worden , naar de verfchillende omftandigheden. Zulke 9 welker overeenkomst in den eerften op- flag zigtbaar is , moeten eerst vergeleeken wor- den 5 en dus moet men , volgens eene' juiste order voortgaan , tot het onderzoek van den zamenhang der verder van elkander afjftaande denkbeelden. Het In notionibus inter fe confcrendis quomodo fit verfan- dum decent Logici > exemplaque accommodatisfima pr- bent Mathematici. Idese nimirum funt accurate definicn- dae , ac determinandce , ne confufioni locus relinquatur , ex diverfis lateribus contemplandffi , convenientia earum obfervanda , juftisque terminis circumfcribenda , discrimi- na acute detegenda , vario modo notiones pro circura- ilantiarum diverfitate componenda; , ac fejungendae , eas primum inter fe conferendas , quarum convenientia incur- rit in oculos , & ita demum jufto fervato ordine ^d con- nexionem reraotibrum idcarum Indagandam progredien- dum. Neque OVEfc DE ANALOGIC, EN2. pi Het is egter zeer zeker , dat zulk een verge- lyking der denkbeelden niet genoegzaam is , om 'er zelfs alle afgetrokkene waarheden door te vinden en te bewyzen. Want wie vveet niet , dat 'er zelv in de zuivere Wiskunde aan gis- fingen , en dus te meer aan waarneemingen en gevolgtrekkingen , en eene zekere Anakgle , welke van die onderfcheiden is 5 die de Meet- kundenaars gebraiken ? en die nader aan die 9 waar van de Natuurlyke Historic - Beoeffenaars zich bedienen ? komt, eene plaats voor gisfin- gen is overgelaaten ? En in der daad ? zyu door waarneemingen alleen eenige meer verbor- gene eigenfchappen der getallen ontdekt 5 en door verfcheiden voorbeelden bevestigd. De Analogic alleen heeft den Wiskonftenaar op veele waarheden van het uiterfte gewigt doen denken. Zy heeft eerst geleerd , om alle de leden der oneindige rei'en tot een algerneen Lid te Neque tamen talem idearum comparationem fufficere vel abflradlis omnibus vcricatibus invcniendis, ac demon* itrandis , eft certisfimum. Quis enim nefcit in ipla pura Mathefi conjedluria , tantoque magis obfcrvationibus & indudlioni , ac Analogies cuidam , ab ilia 3 quse Geome- tris propria elt , diftindtce , magisque ad earn , qua fcien^ tiae Natural is cultores utuntur, accedenti, locum aliqucm reliftum efle? Obfervationibus fane folis nonnullse pro- prietates numerorum magi^ recondice func detcctae, & in- dudlione confirmats. Analogia Tola multarum Geometras Veritatum Maximi fane momenti admonuit. Ea primum docuit ferierum infinitarum omnes terminos ad generulem reducere Eadem fugge^Cc NEWTONO cogitation em me-. tho- p 2 II. ANTWOORD OP DE VRAAGE te brengen. Zy bragt aan NEWTON in gedach- ten , om de wyze , door welke men eene twee- ledige grootheid tot eene willekeurige hoogheid of magt kan verheffen , op het uittrekken van vvortelen ; of derzelver overbrenging tot eene oneindige rei, toetepasfen. Zy heeft LEIB- N-ITZ , door de wyze van BARROW, tot zy- ne naderkunst gebragt , of gemakkelyk kunnen brengen. Zy heeft eindelyk dikwyls aan aller- hande Wiskunltenaars vernuftige gisfingen, ge- lukkige vindingen , nieuwe en onverwagte wy- zen van zwaare voorflellen op te losfen > aan de hand gegeeven. Dan het is aan een yderbekend, datzooveel te minder de enkele vergelyking der denkbeel- den genoegzaam is 5 om de zaaken van een ge- wrocht (/^fe/;^)te doorgronden r maar datdaar toe andere bewyzen en gronden van zekerheid en blykbaarheid vereifcht worden. Want de af- ge - thodum binomii ad quamcunquc dignitatem eveliendi, ex- rrahendis , vef in feriem infinitam conjiciendis radicibus applicandi. Eadem LEIBNITIUM a methodo BARRO- vi ANA ad calculum fuum differentialem vel duxit , vel facile ducere potuic. Eadem praecipuis quibuslibet Geo- metris fngaces conjeOuras, inventa felicia, novos & inex- peftatos ardua problemata iblvendi raodos fiepisfirae fup- peditavic. Tanto autem minus fufficere ad res fadli pervefli^andas Jblam idearum comparationcm , fed alia requiri certitudi- nis ac evidenciae argumenta , & fundamenta pemo eft qui ignoret. Abftradta: eaim notiones verfantur intra posfibi- lita- OVER DE ANALOGIE , ENZ. 93 getrokkene kundigheden , gaan niet verder dan tot de mogelykheid; die geene, welkedeze on- derling vergelyken, laaten 'er zich nietveel aan gelegen leggen, of de voorvverpen hunner denk- beelden op dezelve wyze wezentlyk zo be- ftaan buiten hun vernuft als zy die begrypen , op het welke echter die voornaamlyk moeten let- ten 5 die de Natuur der dingen onderzoeken , en de oirzaaken en uitwerkingen willenkennen. Niemand zal twyffelen , dat wy door onze zinnen van het beftaan der dingen verzekerd worden. Wy kennen door een innerlyken zin, ons verftand en deszelvs vermogens en werkin- gen ; en door de uiterlyke zinnen alle andere zaaken. Maar daar wy zelv niet alles konnen waarneemen , voegen wy by onze kennis ? al dat geene , dat door getuigenis van anderen geftaafd word. Onze litatis terminos, nee qui eas inter fe conferunt multum de eo func follicici : LJcrum objeda fuarum idearum eodem modo exifianc extra mentem, quo concipi^ntur, ad quod praecipue fpeftare debent ii , qui Nacuram rerum fecutari , effedaque & cauflas cognofcere annituntur. Senfuum ope certos nos reddi de exiflentia rerum nemo dubitac Incerno fenfu mentem noftram, ejusque faculta- tes & operationes , externis autem res quascunque alias cognofcimus- Quia vero non omnia poltumus ipfi obfcr- vare , cognition! noftrse adjungimus ea etiajpn > qu* tefti- as Chorum confirmancur, gaud *4 II. ANTWOORD OP DE VRAAGE Onze Waarneemingen niet te min noch ons Historifch Geloof zouden ons van veel gebruik zyn , indien deeze gronden van redenkundige blykbaarheid , niet vergezeld waren , met eene zekere overreeding eener ftandvastige en altoos duurende Analogic , die men de natuur der zaaken altoos ziet waarneemen. Want on- ze ziiinen Jeeren ons , welke eigenfchappen de zaaken tegcnwoordig hebben ; het Geheu- gen verzekerd ons , dat dezelve by andere ge- legendheden ook waargenomen zyn ; en on- ze verbeelding kan de denkbeelden op veeler- hande wyzen zamenftellen , van elkander af- zonderen, en de veranderingen , die zy in het vervolg ondergaan zullen , naar willekeur fchik- ken. Maar de zielsgefteldheid ajleen , om volgens eene Analogic te handelen 5 te leeven en te oordeelen ; leert cms de waarneemingen op het gebruik in het leven toepasfen , en de toekomende uitvverkingen vooruit zien , uit het geen Haud magno tamen forent ufui feu obiervationes nos- trae , feu fides Hiftorica , nifi hsc evidential moralis fun- damenca conjunda efTent cum firma aliqua perfuafione conrtancis & perpetuae cujusdam Analogies , a Natura re- Turn nunquam non obfervands* Decent enim fenfus quas res m prxfens propnetates habeant, memoria certos nos redd'c easdem aliis etiam occafionibus fuiflc obfervatas^ imaginatio ideas vario modo componere, dividere, futuri temporis mutationes pro lubitu ordinare poceft , fola au- tem animi dispofitio Analo&ia convenienter agcndi , vi- vendi , & judicandi , Confilium fuggeric , obfervationes vitx uflbus applicandi 3 futuri temporis eventus ex iis , OVER DE ANALOG IE, ENZ. 55 i geen de ondervinding geleerd heeft 5 en gely- ke gevallen by wederkomst van dergelyke om- ftandigheden zonder twyffelen afwagten. Niets is 'er zekerder , dan dat de levenswy- ze van alle menfchen altoos gerigt word 5 vol- gens hunne oordeelvellingen , gefchikt naar de Analogic van de Natuur. Kinderen zo wel als volwasfenen , wagten dezelve uitwerkingen van het gebruik derzelve zaaken af 9 en twyfFelen geenzints 5 of het geen zy waarneemen ? dat voor been voor- of nadeelig geweest is , zal altoos dezelve uitwerkingen voortbrengen. Wy konnen zelve van den aart en de daaden van den Menfch 9 niet anders dan volgens de Ana- logic oordeelen. Een Kind houd zich verze- kerd , dat het door zulke daaden , waar door het voorheen ftraffe of lof van zyne Oudars behaalde , ook altyd dien lof of die ftraffe ver- die- qux expcrientia docuit, colligendi, fitnilesque cafus flmi- libus recurrencibus circumitantiis baud dubicanter expec- tandi. Nihil autem certius eft 5 quam omnium omnino homi- num viycndi rationem ad jud'C'a Analogic Naturae attem- perata confl-anter dirigi. infantes seque ac adulti eosdem effv.-6lus ab earundem rerura ufu expedlant , nee dubicanc ea ., qugp alias profuifle vel obfuifle obfervarunc , eosdem - nper eiTectus produdura. De ipfa etiam hominum in- dole, & a&ionibus non pofiumus. non Analogic convenien- |er juci care. Perfjafu'n habet infans fe aftionibus , qui- | iaudcs farcntum vel pc&narn promeruit ; fei 96 II, ANTWOORD OP DE VRAAGE dienen zal. Wy fchryven dezelve neigingen en genegendheden , die wy in ons zelve waarnee- men , ook aan anderen toe , en wy zoeken uit hunnen aart te gisfen , wat zy in ziUke of zulke omftandigheden doen zullen ; en wy worden in verwondering gebragt door daaden 5 die tegen den zedelyken loop van de waereld of tegen de Menfchelyke Natuur aanloopen , by voorbeeld , door eene Vadermoord , die SOLON meende dat in geen Menfch vallen konde ; en wy ver- wonderen 'er ons niet minder over ? dan over Zeldzaame Natuurkundige verfchynzelen. Dan men begrypt ligtelyk, dat alle oordeelen , die volgens de dnalogie gefchikt zyn 3 deze waar- heden bevatten : dat alle zaaten , altoos met zekere eigenfchappen begaafd zyn : by voor- beeld , dat het vuur brand , het brood voed , het water den dorst lefcht. Dat de uitwerkin- promeriturum. Easdem aliis , quas in nobis obfervamus, propenfiones 5c inclinationes adfcribimus , quid que in his vel illis circumftantiis fadturi fint ex eorum indole conji- cere annitimur. Aftionibus confueto moralis mundi cur- fui , vel Humanae Naturas contrariis , v. gr. parricidio , quod SOLON in Hominera cadere non poffe arbicratus eft , in baud minorem , ac rarioribus Phsenomenis Phyfi- cis 3 admiracionem conjicimur. Facile autem intelligitur in omnibus Judiciis Analogic scjjommodatis has veritates involvi : Res quaslibec pro- prietatibus quibusdam prseditas condanter efle. V. gr. Jgaein urere , paaeai nucrire ? aquain fitim reftinguere. Effec- OVSR DE ANALOGIC, ENZ. 97 geii , die gebeuren , niet by geval , maar door de werkingen van bepaalde oorzaafcen gebooren worden ; dat dehonger niet verzadigd .word dan door fpyze. Dat van dezelve oorzaaken , op dezelve wyzen werkende , men altoos de- zelve uitwerkingen rnoet vervvagten ; ilagen zul- len altoos dezelve (inert voortbrengen al? voor- heen. Dat dezelve of gelykfoortige uitwerkingen van dezelfde , of gelyke oirzaaken moeten afge- leid worden , dat de duisterheid der Nagt , niet dan door den opgang der Zonne kan verdreeven worden; dat de warmte door gemeeri Vuur, of door de werking der Zonne verocrzaakt word , en dat de agtereenvolging 9 door welke de na- tuurlyke verfchynzelen elkander opvolgen , niet toevallig of by geval v'eranderen ; altoos volgc de Lente op den Winter , en de Nagt op den Dag. Dat alle zaaken , die men ziet dat altoos zamengaan , of op elkander volgen , of van el- kander of zeker van oorzaaken afhangen 3 die Effeftus , qui comingunt non temere , auc cafu , fed de- terminararum cauflirum optratione exoriri , famdm non fedari nificiho. Ah lisdem cauflis eodem modo operanribtis eosdem Temper effedus expedtandos efle, verhera eundem quem alias doiorem productura. Eosdem vel fimilcs etfec- tus ab iisdem vel fimilibus caufi^ derivandos cfle , nodtis tenebras non n^fi Soils ortu dispelli, calorem ignc vulgari, folisque aftione excitari Ordinem quo Phoenomi na fe mu- tuo excipiunc non temere variari, hyemi Ver, diei noftem fucceflura. Ka quae conllamer conjundta efle, a8 II. ANTWOORD OF DE VRAAGE zy onderling gemeen hebben. Tusfchen eenen matigen Regen en de Vrugtbaarheid , is eene waare , en niet flegts fchynbaare zamenhang. Dat het Heelal , of ten minften dat gedeelte , dat ons naast by is , door ftandvastige en on- veranderlyke Wetten geregeerd word ? en dat *er zelv in den aart en in de daaden der Men- fchen , zelv in hunne verfcheidenheid , eene groote overeenkomst , en in hun verfchil eene groote eenvormigheid en overeenftemming waar- genomen word. Het is te bekend , dan dat het betoog zoude nodig hebben , dat de gemeene daaden en oordeelen der Menfchen , zich naar deze waarheden fchikken. Maar te regt kan men vraagen , wat de waare reden is van dit zo algemeen verfchynzel? Wat de Kinderen zoo wel als volwasfenen 5 onweetende zo wel als Wysgeeren , aanzette en dryve y om volgens eene Analogic te leeven en te handelen ; of men zulk eene evertuiging van de onverander- lyk- 6c fertilitatem , veram non apparentem folum-modo con nexionem cfle. Univerfurn , vel cam faltem ejus partem, quae nobis propior eft, legibus conftantibus, & imraucatis regi , in ipfaque hominum indple , & adlionibus magnam fern per in diverfitate convenientiam , in variecate uniformi- tatem , vel coDfenfum obfervari* His fane veritatibus ac- commodari ordinarias mortalium adliones, & judicia, no tius eft , quam uc probatione indigeat. At jure profefto quaeri poteft de vera univerfalis hujus PhcEnomeni caufa. Quid nimirum infantes sque ac adultos , Idiotas ac Philo- lophos determiner, compellatque ad vivendum & agendum Analogies conveniencer ? JNum tanta dc Naturas, ordinis- DE ANALOGIE, ENZ. 99 lykheid der Natuur eh Order , uit welke de uit- werkingen voortvloeijen , en die in alle men- fchelyke daaden doorblinkt , alleen aan redenee- ringen moet toekennen, dan aan de gewoonte? of het niet veel waarfchynelyker is 5 dat dezel ve tot de algemeene kennis , die de Natuur aan yder heeft ingeftort, moet gebragt wordei, die algemeene kennis , die de^ daaden en zelv het leven beftuurt ? Het is ten uiterflen klaarblykelyk , dat men zulk eene groote overeenkomst {confenfus^) in het erkennen van de Analogic der Natuur niet aan redeneeringen verfchuldigd is > ten minften niet aan zulke ? van welke wy by ons zelve bewust zyn. Want wy hebben zulk eene naauwkeurige kennis niet van het inwendig za- menftel van ligchaamen , die van het onze Ver- fchillen , ja zelv niet van ons.eigen ligchaam 9 dat que , quo efFefta oriuntur , confirantia perfualio , qus ex omnibus morralium erumpit Adhonibus , debeatur ratioci- niis ? Num confuetudihi ? vel porus fit verofimile cam acceptam efl'e referenda m fenfui communi, omnibus a Na- tura ipfa indico, a6tionesque & vicam ipfain dirigenci? Non deberi tantani in Nature Analo&a agnofcenda con- fenfionem ratiociniis falcem ralibus, quorum confcii nobis fimus, eftevidentisfimum. Ncque enira vel internam cor- porum a noftro diveiTorum , vel etiam noflri corporia flrudluram ita cogivcatn habemus , ur effe^us ex fuis cau- fis a priori deduccre valeremus. V. gr. panem nutrire Q 2, vene ioo II. ANTWOORD OP DE VRAAGE dat wy de uitwerkingen (a priori^) uit haare oorzaaken kunnen afleiden : by voorbeeld , dat het brood voed , dat het vergift doodt. De Analogic der Natuur kan ook niet betoogelyk uit waarneemingen afgeleid worden : want deze leeren ons wat 'er gefchied 5 of gefchied is ; maar niet wat 'er in het vervolg gefchieden zal , en dat deze uitwerkingen niet los of by geval , maar door de werking van bepaalde oorzaaken voortkomen , kan door de ondervinding alleen niet volkomen beweezen worden , wyl wy de oorzaaken van alle de uitwerkingen niet wee- ten , maar dikwyls genoodzaakt zyn , om on- ze toevlugt te neemen tot gisfingen , die op de Jinahgie fteunen , om die oorzaaken te be- paalen. Ik zwyg , dat wy geen volkomen aan- voering van voorbeelden konnen maaken 5 en wy dus niet ten ftr en gfhen konnen bewyzen, dat zulk of zulk eene eigenfchap altoos en onverarA der- venenum intenmere. Neque er obfervationibus dcmqn- Uracive colligi fane poteft /fnalogia Naturae. Kse enini decent , quid fiat , quidquc fit fa&um , non autem quid in poflerum (it eventururn. Hoc ipfum cfFc6lus non te- mere , cafuque , fed caufarum determinatarum opcratione exoriri , ope folius experientiae perfe&c demonftrari ne- quit, cum baud omnium eventuum caufa nobis finr con- fpicus ; fed ad eas determinandas ad cocjecturas Analogic nixas recurrere faepe debeamus. Taceo nullam a uobis fnduftronem cpmpletam formari pofle , adeoque nee rigi- de demonftrari proprietatefn aliquam certac rcrum fpcciet er competcrc^ v. gr. lapidi gravita:cm f Et beet * - ' in- OVER DE ANALOGIC , ENZ. 101 derlyk tot zulk of zulk eene foort behoord : by voorbeeld de zwaarte aan een fteen. En al wa- ren onze optellingen volmaakt , zoude men daar omtrent altoos konnen vraagen : Wat is het , dat ons leerd , uit de waarneemingen van het voorledene en het tegenwoordige de toekomen- de uitkomften te gisfen , en met zo veele ze- kerheid aftewagten ? Redenen ? afgeleid nit de Goddelyke Wysheid , fchynen wel de ftandvas- tigheid der Natuurwetten en de grootfte eenvou- digheid te ftaaven. Maar het blykt , dat onze Analogifche beoordeelingen , alleen in rang van tyd voor de redeneeringen gaan , die men uit de Goddelyke Volmaaktheden afleid , en dat niet alle Menfchen , fchoon volgens Analogic levende , van die befchouwing der wysheid van den grooten Schepper overtoigd zyn, Ook InJutliones noftrs completae efient , de eo tamen Temper quseri poflec : Quid nos doceat & praEfcntium & praete- rit >rum obfervatione futures eventus conjicere , imo can- ta certitudine expeftare ? Rationes equidem ex flpiencia Dei duftae conflantiam naturae legum , fummamque fim- plicitatem videntur confirmare , at judicia noftra Analo* gica argumentis ex perfedionibus Divinis deprompcis or- dine faltem temporis priora effe , nee omnes qui conve- nienter Analogic vivunt , de ea fapientiae fummi rerum opificis conlideracione perfuafos efie , extra dubjum pofi- tum eft. G 3 Keque 105 II. ANTWOORD OF DE VRAAGE Ook kan men nooit met recht zeggen , dat de onveranderlykheid der Natuurlyke zaaken , al- Icen aan de gewoonte moet toegekend worden* "Want deze algemeene overtuiging veieitcht ee- ne oorzaak, die aan alien gemeen is, die geen gewoonte kan zyn , als welke altoos verfphil- Icnd en veranderlyk is. En wie ziet niet , dat hier de vraag is over de oorzaak van die alge- meene gewoonte zelfs: in'tgeheeldaaroverwat onze Ouders en Voorouders hebbe aangezet , om volgens Anakgle te leeven, te handelen en te oordeelen ? Te vergeefs gewislyk zoude ier niand deeze gewoonte door eene tegenftrydige willen veranderen of verzwakken , want de vaste overreding der eerfte zoude meer dan ze- ker den voorrang behouden ; de denkbeeldigen Clfc&listenP) en twyffelaars {^ceptici^ konnen hier omtrent ten voorbeelde ftrekken , die t fchoon hun eigen geweeten verkragtende , de waarheden , die door het algemeen gevoelen be- Neque ullo jure did potefttrm firmam'de Naturae re- rum conftantia certitud'nem foil deberi confuetudini. Uoi- verfalis enim hsec perfuafio communem requiric caufam , t^uae efle nequit confuetudo , varia iempcr &f mutabifr* lit quis non videt quacri de univerlalis hujus confuetudinis caufa ; de eo plane quid Parentes, avos impu'erit ad con- venicnter Analogic vivendum , agendum & Judicandum? Fruftra fane homo hanc confuetudinem concraria immuta- re , vel debilitare vellet , cui firma hsec perfuafio certo cerrius prcevaleret. Exemplo efle poflent 'Idealiftae , & fceptici , qui licet vim fuai confcieqtise infcrendo verita- OVER DE ANALOGIE, INZ. 103 bevestigd zyn , zoeken om ver te werpen , echter door de gemeene lotgevallen van het: menfchelyk leven , wederlegd zyn , en zo ver gebragt dat zy bekend hebben , dat de kunst van twyffelen niet moet toegepast worden op het gebruik in het leven. En waarlyk indien men de overreeding omtrent de Analogie der Natuur alleen aan de gewoonte verfchuldigd was , zoude men ook aan haar dank moeten weeten y dat de menfch zich zelve konde bewaaren ; liiaar met dat zelve regt zoude ietnand kon- nen zeggen , dat men het aan de gewoonte moest dank weeten , dat de Menfch zich zelve bemint , zyn welzyn voorftaat ; echter kan 'er niets onwaarfchynelykers bedagt worden. En de gewoonte zelv verkrygt dus ook krachten % indien zy op natuurlyke genegenheden en nei- gingen fteunt 5 tegen welke wanneer zy aanloopt , zy niet diep in de gemoederen zalingeplant, en gemakkelyk weder uitgeroeid worden. Hier- tegen tes fenfu communi confirmatas convellere annifi funt , or- dinariis tamen vies humanae eventibus fuerunt confutati eoque addufti , ut agnoverint artern dubitandi vit ufui baud alicandam effe. Sane (i haec de Naturae perfuafio Tola confuetudine niteretur , ei etiam acceptiioi Teferendum eflet quod homo Te coniervare valeat. At eo- dcm jure dicet aliquis confuetudini deberi , quod homo fe ipfum amet , incolumitatera tueatur , quo nihil abfurdius fingi poffet. Ipfa efiam confuetudo ita vires acquint , fi nitatur inclinationibus, &<.> eiTe homini ftimulos aliquos dub'tari ne- s ANALOGIE, ENZ. 105 zelven. Want op welke \vyze verkrygen wy de kennis der zaaken buicen ons , dan door des- 7elvs hulp ? De beweegingcn , in de werk- tuigen der zinnen voortgebracht , worden wel aandat gedeelteder hersfenen medegedeeld , dat onmiddelyk met de ziel vereenigd is ; maar ik vraag : hoe , en door welk eene redeneering , befluit de Menfch door derzelver middel , dat 'er zulke en zulke ligchaamen buiten hem be** ftaan , by voorbeeld , de Zon , de Sterren en Gefterntens , dan door eene natuurlyke dnalo- gift he ? En zekerlyk is de Ziel niet onmidde* lyk vereenigd met de Zon of Maari , maar met haar Ligchaam , welks veranderingen zy on- middelyk gewaar word , en door het zelve het beftaan van zaaken buiten zich , door middel van Analogi/che Waarheden 5 buiten alien twy- fel Held. Waarom verkrygt de Ziel gelyke gewaarwordingen , wanneer zy met gelyke be- weegingen in de zintuigen voortgebracht wor- den 9 cnim cognitionem return extra nos pofitarum nancifamur, nifi cjus ope ? Motus quidem in Org^nis fenfbriis pro- dvfti c-immunicanrur cum ca parte cerebri , quae anin>se immfdiatc unira ell, at quo quxlo rat oc'niocx uscolligic inens hu;nana exiftere hsec iilaque corpora extra^fe , puta folem, fidera, llellas nifi Anal Rico nar.urali ? Sane enim aoima non ell immediare un^ta Soli , Lunse , Ted fuo cor- pori', cujus prninde mutaoones immediate pcrcipit , ex iisque rtrum e\'tra ie pofitarum exiftennam Atialo&icis ^e- ricatibus convt-nienter , citra omnecn dubitationen) confi- cic. Cur fitnilibus motibus in Orgaois fcnforiis produ wordingen verkrygt , en by gelegendheid van verfchillende beweegingen , ook verfchillende gewaarwordingen ? En dat zy zo verfcheidea zaaken zonder de minfte verwarring van elkande- ren kan onderfcheiden , welken zekerlyk zonder haare natuurlyke werkkragt , niet konnen begree- pen worden ? waarom zy altoos beantwoorden aan die waarheden , deweiken de Analogic in- fluit; ook kan'er geen reden gegeeven worden, waarom niet de ziel , by gelegenheid van alier- hande beweegingen in de zintuigen veroorzaakt , ja zonder dezelven allerhande gewaarwordingen zou kunnen hebben , het welke, hoe groot ee- ne verwarring het in de menfchlyke zaaken zou verwekken , niet ligt valt te bepaalen. Het is wel waar , dat de wyze , op welke de Ziel met het Lichaam vereenigd is , en waar door de gewaarwordingen geboren worden , noch onder de geheimen der Natuur zyn ; dit belet ech- um occnflone fimiles , diverforum diVerfas femper percep- tiones nancifcatur , tamque varias res fine ulla confufione a^fe invicem difcernere valcat ? Quae certe fine natural! ejus operandi racione , veritatibus illis , quas involvic Anal-jgia , iemper accommodata non poflljnt inrelligi , nee ulla ratio reddi , cur non mens quorum -Iibec motuum in Organis fenforiis pruduftorum occafione , imo absque iis t quaslibet perceptiones habere puffet , quod quancam re- bus humanis percurbationem induceret baud facile diftu eft. Verum quidem efl modum quo anima unitur corporf f adcoquc & eum quo fenfationes oriuntur inccr fecreta Na- turx II. ANTVVOORD OP DE VRAAGE echter niet , dat wy eene vaste overtuiging van het beftaan der zaaken buiten ons , en zulk ee- ne ftandvastigheid in de grootfte verfcheiden- heid van gewaarwordingen en begrippen toeken- lien aan het Natuurlyk InftinSf , om overeen- ftemmig met de waarheden ? welko de Analogic Infliiit te handelen en te oordeelen. En zeker, de Ziel bind zich aan zekere Wetten in het uit- voeren van alle haare werkingen ; fchoon zy die Wetten niet kent. 'Er zyn 'er weinig , die zelv eene middelmatige kennis hebben van de regels , volgens welken het gezigt gefchied en geregeld word ; en niemand is 'er, die de* zelven volkomen kend, echter handelen 'er alle menfchen na. Zelfs de gezigtkundige fchyn- vertooningen , fleunen op zekere vaste regels , die aan zeer weinigen bekend zyn; echter word een yder ze gewaar. Dit zelfs , dat alle men- fchen door een zeker ftilzwygend gevoel beoor- dee- turse elTe referendum, pihil tarnen id obflat, quo minus firmam de exiflentia rerum extra nos poficarum perfuafio- nem , tantamque irr fumma fenfatfonun & perceptionum varietate conflantiam, inftinftui nacurali, vericatibus quas jinalogia involvit convementer agendi , &jadicandi , at- tribuamus. Sane in omnibus fuis operationibus exerend's mens certis quibusdam fe accommodat legibus , licet non Ht earum fibi confcia. . .Pauci funt qui mediocrem habeanc regularum , quibus vifus attemperatur, cognitionern , ne- mo qui perfeftam , iis tamen convenienter agunt omnes Homines. Fallacias ipfag Opn'cc nituntur certis conftan- tibusquc legibus , quas norunt paucisfimi , obfervsoc fin- guli. Jd ipfumjquod homines tacico quodam fcnfu quid in OVER DE ANALOGIC, ENZ. deelen , wat goed of kwaad is in de Konften , om niet te fpreeken van de verfchynfels zelfs der gevoelens van het fchoone en zedelyke 5 veele andere bewyzen van natuurlyk Inftin&en toorien baarblykelyk , dat de Ziel haare vermo- gens altoos oelfend volgens zekere en bepaal- de Wetten , fchoon zy zich van dezelven niet bewust is. De Ziel kan derhalven niet anders handelen 5 uit kracht van haare Natuur , dan volgens die vvaarheden ? die de Analogic influit , $n haa- ren zamenhang maakt dat uit , het geen wy het gemeene Gevoel {Senfus comwunis ) noemen, en buiten het welke wy in de kennis der waar- heid niet verder gaan konnen. Dit gevoel al- leen is genoeg , om de dwaasheden ? en tegen de Natuur aanloopende denkwyzen , der Idea- listen^ Fatalist en en Twyffelaaren den bodem in in Artibus fit pravum aut reQum dijudicent, ipfa fenfaum. pu]chri , & moraiis Phenomena , ut plurima alia inftin- dluum naturalilim indicia taceaaius , evidenter probanc animam faculcates fuas exercere convenienter cerds & determinatis Temper legibus , licet carum baud fit fibi confcia. Non potefl proinde anima vi Naturae fuas non conve* nienter agere veritatibus illis , quas Anahgia involvit. Earum complexus conftituit id quod fenfum communem appcl!a*nus , quo ulterius progredi in cognitione veritatis: baud darur. Hie folus fenfus fufficit refellendis Idealifta-, rum , Scepticorum , Fataliitarum , aliorumque deliriis , no II. ANTWOORD OP DE VRAAGE in te flaan. Daardoor word de Ziel overtuigd , dat 'er niets beftaati kan Bonder eenen genoeg- zaamen grond, en dat gelyke uitwerkingen van gelyke oorzaaken gelyk zyn , en zy word ook verzekeid van andere daar aan grenzende waar- heden , naa welke zy zich in haare begrip- pen en gevoelens fchikt : ook worden de uit- werkingen van dit gevoel ligtelyk van andere onderfcheiden ; want alle Menfchen handelen volgens het zelve , en vooral die , in welke de kracht der Natuur duidelyker gezien word ; ge- lyk Kinderen en domme Menfchen. lemand kan zich wel tegen het getuigenis van dit ge- voel ftellen , fchoon zyn geweeten zulks af- keurt , maar hy zal het nooit konnen wederleg- gen. Alle de werkingen der Ziel worden vol- gens deszelvs wetten uitgevoerd. Dit licht van het verftand , kan wel verduisterd 5 maar nooit uitgeblufcht worden. Wy judiciis Naturas repugnantibus. Vi hujus aniffia perfuade- tur nihil poflc exiftere fine fufficiente ratione , fimilium caufarum efFcfta fimilia efle , aliarumque ventatum affi- ninm ccrta redditur , quibus in ipfis perceptionibus , ^& fenfationibus fe accornmodac. Facile etiam cffefta hujus fenfus ab aliis dignoscuntur. Ei enim convenienter aguric omnes homines, iique maxirae, in quibus vis Naturae cla- rius cernitur , ut Infantes , idiotae. Ejus teftimonio fe tliquis opponere reclaraante quidem confcientia potcft^ac iilud confutare nunquam. Omnes animae operationes ejus di&atis convenienter exercencur. Lumen hoc mentis ob- fcurari quidem > noa autem cxcingui potett. Often- OVER IDE ANALOGIE, EN2. in Wy hebben dus aangetoond , dat de Ziel 7 door eene natuurlyke aanfpooringe , en door de leiding van het gemeen Gevoel ( Sen/us communis ) opgeleid word , om eene Analogic van de Natuur te ftellen. 'Er blyft derhalven overig , te onderzoeken , 4-wat de zaaklyke grond der Anakgie zy (^a parte m) 3 of aan welke eene oorzaak men die groote eenvoudig- heid der Natuur -wetten , en de overeenkomst der uitwerkingen van allerhande foort met de- zelven moet toefchryven ? Het geen ik hier van denk , zal ik kortelyk zeggen. Het is ten uiterften klaarblykelyk ? dat de Wetten der Natuur 9 en de uitwerkingen , de- welken daarmede overeenftemmig zich vertoo- nen . niet wiskunftig noodzaakelyk zyn : wie immers , die by zyn gezond verftand is , zal -ftaande houden , by voorbeeld , dat de fchuins- heid van den Taankring 5 uit welke de onge* Oftendimus mentem ftimulo natural! , fenfusque com- mtmis duOu ferri ad Natures Analogiam admittendam. Reftat itaque discutiendum , quod fie Analogic a parte rei fundameotum , feu cuinam caufse debeatur magna ilia Katurae Icgum fimplicitas , & eiFe6tuum omois generis cum illis confenfio ? DC quo quid nobis videatur paucis exponejnus. Non efle Geometricse ncceffitati fubjedas vel Natura: leges , vel effefta , qux iis convenienter producuntur lu- ce ipfa clarius eft. Quis enira v, gr. fenfu com muni prx- ditus dicat obliquitatem ecliptics, a qua dierum qoftium- que lift If ANTWOORD OPD ]vkh '"d der Dagen en Nachten voortvloeid , door dezelve noodzakelykheid bepaald is , door welke de dric hoeken van een Driehoek gcvyk zyn aan twee regte? Wie is 'or onkundig, dat de ftoffe uit haaren aart onverfchillig is voor rust of beweeging ? en allerleije foort van rig- ting , fnelheid en gedaante van be\veeging kan aanneerrien , en dat dus derzelver verfchynzelen niet uit eene volftrekte noodzakelykheid voort- vloeijen ? Wie heeft ooit de algemeene Wet- ten der zwaarte en aantrekking , de veerkragt , de veranderingen der werktuiglyke ligchaamen , en der ;elver uitwerkingen , (om van veele an- deren niet te melclen ? ) uit het weezen ( es- fentia ) der lighaamen betoogd , of wie zelfs , die by zyne zinnen was , heefr. ze willen be- toogen ? Om kort te zyn , alom , waar ecn Meetkundige noodzakelykheid plaats heeft , kan men aan het tegengeflelde zelv niet denken ; maar hoe ligtelyk worden 'er wetten van zwaar- quc dependet insqualitas eadem neceflitate deterrninntam cfle, qua tres trianguli an^uli duobus rt'ftis funr sequalL\s? Quis nefcit raatenam ad quieccra d motum iua N -tara in- differemera efTe, quamlibec motus dircftionem , celeri- tatem , & figuram rec'pere poflc , adeoque Phoenomena baud abfoluta oecefficace exoriri ? Quis generales gravi- tatis , attradionisque Leges, elafticicatem , organicorum corporum inutationes i\c cffcdla , uc miljc alia taceamus, ex eflentia corporurn dernonflravit , imo quis (anus inde demonftrare voluit ? Quid muftis opus eft ? Ufrcun- que Geometric^ necesGtati locus e(t , ibi contranum ne quidern poreft , ac quaci facile finguncur Lei'e OVER DE ANALOGIE, ENZ. 113 te uitgedacht, die vlak aanloopen en ftryden te* gen die , door welke het Heelal geregeerd word ; ja men bepaald zelv ? welke beweegingen 'er zouden voortkomen , indien 'er andere Wetten vastgefleld waren. Hoe ligt kan men zich ver- beelden , eene andere order onder de ligchaa- men van het Heelal , en verfchynzelen ? die verre verfchillen van die , welke men waar- neemt. Eene volflrekte noodzakelykheid al- thans zoade geene geduurige agtereenvolgingen der uitkomften , noch eenige veranderingen in het gantfche zamenftel der zaaken toelaaten. En gewislyk ! zulke eene groote ftandvas- tigheid van de natuur der zaaken , kan noch am het geval , noch aan de toevallige werking van oorzaaken , die geen verftand hebben , toe- gefchreeven worden ; want wat is 'er meerder van alle waarfchynlykheid ontbloot , dan dat het geval , aan geen wetten gebonden , eene fland- gi'avitatiis iis , quibus univerfum regitur , contrariae, imo q-jales orirentur rnocus , fi aliae conftitut?B eflent leges , Oefinirur quam facile alius inter corpora umverfi ordo , diverfaque ab iis quas obfervantur Phenomena concipi- untur. Abfoluta fane necesficas cec fuccesfiones evcn- tuum continuas , nee ullas in univerfitate rerum mutacio- nes admitteret. Nee fane cafui , fortuitisque caufarum intelligentia ca- rentium operationibus accepta referri poceft tanta naturas reram conttantia. Quid enim magis ab omni remotuni verifimilicudine ., quam cafum nulli legi fubjeftum cooftan- XXI2. esh H tern H4 II ANTWOORD OP DE VRAAGE flandvastige orde zoude voortgebragt hebben ? Wat is 'er onpeloovelyker , dan dat by toeval werkende oorzaaken , altoos die uitwerking voortbrengen , die onder alle de eenvoudigfb is , die by voorbeeld de minfte werking ver- eifcht ? Daarby heeft zekerlyk eerie verk*-e- zing , geen geval 5 plaats 9 alwaar verfcheiden zna- ken j die niet door haare natuur zoo bepaald , in zulke eene orde onderling zatnen gefchikt worden , dat zy het best bekwaam zyn , om verfcheide uitwerkingen te verkrygen , gelyk men in de Werktuigelyke ligchaamen ziet. De Analogic der Natuur en het blinde geval, ftaan lynregt tegen elkander over. Niemand , die by zyn verfland is 9 kan der- halven twyffelen , of zoo wel zulke eene groote eenvoudigheid van de algemeene Wetten , als ftandvastigheid der uitwerkingen , moet aan de wyze willekeur van God toegefchreeven wor- den , tern ordinem generafle f Quid incredibilius'quam caufas temere operantes eum Temper efFedlura producere , qui omnium eft fimplicifllmus y. gr. qui rninimam adlionem requirit ? Ibi ccrte eleftioni , non cafui , eft locus , ubi res varise, haud ita natura fua determinatae, eo inter fe or- dine jungunrur, qui ad effe&us diverfos obtinendos funt accommcdatifllmi , uc in corporibus Organicis. Anahgia naturae cafusquc coccus fuut Cbi e diaoietro oppofka. Nemo proinde nifi infaniat dubitare potefl , tantam feu in legibus generalibui (impliciratcm, feu in effedibus con- (lantiam , fapienti Dei arbitrio elTe adfcnbeudafli , qui tarn re- OVER DE ANALOGIE, ENZ, 115 den 9 die zoo wel de natuur der zaaken , als den aarc der Menfchen aan zekere en bepaalde wet- ten onderworpen heeft. Met was zckerlyk zy- ner Wysheid en Goedheid waardig , zoo wel de natuur der zaaken zoo te fchikken en zamen te ftellen, dat de menfchen voor hunne behou- denisfe konden zorgen , en uit waargenoomea uitwerkingen levensregelen konden vergaderen, om te weeten , wat hen ten voordeele of naa- deele ftrekte , hoe het gezellige leven te genie- ten , elkander behulpzaam te zyn , en door do befchouwing en het onderzoek van zaaken en uitkomften opteklimmen tot de kennis van Gods Volmaaktheden , het geen niet konde gefchie- den zonder de Analogie der Natuur. Dan men begrypt ligtelyk , dat de Groote en Alwyze God , die alle zaaken aan onveran- anderde Wetten onderworpen heeft , ook de men- rerum naruram , quam humanam indolem certis deter- m^nacisque lubjecic Icgibus. Dignum certe erat fapientia & bonitate ejus , tam^ naturam rerum ica ordinare & dis- ponere \ ut homines mcolumitati fuar prospicere , ex ob- fcrvatis efFedMbus regulas vivendi colhgere , quid fibi ex- pediat aur noceat cogjx>scere , confortio mutuo frui , fibi inviccm adjumenco cfle , a rerum inveotuumque concern- platione & examine td perfediones Dei agnoscendas as- cendere quirent , qux htud pocuiflent line Analogia Na- tura obtineri. Facile autem intelligitur Deum optimum ac fapientisfi- mum, qui Uuiverficatcm rerum imrauutis fubjecic Legi- li a bus , H6 II. ANTWOORD OP DE VRAAGE msnfchelyke Ziel zoo gefchaapen heeft 5 dat zy niet alleen zonder moeite de Analogue der Na- taur konde kennen , maar ook na dezelve le- ven 5 handelen en oordeelen. Want de over- eenkomst der uitwerkingen met de algemeene Wetten , zoude van geen nut ter waereld voor da menfchen zyn , indien zy van dezelve on- kundig waren , en het ware te laat geweest , indien zy tot derzelver kennis alleen door re- deneering hadden moeten komen. Men moet het derhalven aan de Goddelyke Wysheid dank weeten 5 dat de Menfch de Analogic der Na- tuur, ten minften zoo verre zy tot het gebruik in het leven noodig is , kend 5 en na die ken- nis zyne handelingen rigt , en niet twyffelt , of alles gefchied niet toevallig ., maar uit zekere oorzaaken , die volgens eene bepaalde en (land- vastige reden werken. HUME bus , mentem etiam humanem ita formafie, ut Analogiam Mature non tantum facile agnosceret , fed & eidem con- venienter viveret, ageret, ac judicaret. Nulli enim mor- tal bus fuiflet ufui effe&uum cum generalibus leglbus con- fenfio , fi earn ignoraflent , nee fatis cautumln horas i!lis fuiflec , li non nifi raciociniis ad cognitionem ejus perve- Diflcnt. Sapientiae itaque divinse acceptum referendum eft, quod homo Analogiim Naturae , falccm in quantum ad ufus vitae neccfFaria eft , agnoscac , ci agnit* fuas ac- tiones aceommodet , ncc cmbitec omnia certis ex caufis, non temere , fed determinata , conflantique ratione ope^ rantibus cvenire. Oleum OVER DE ANALOGIE, ENZ. 117 HUME heeft derhalven te vergeefs alle moeite gedaan , wanneer hy in het I. Deel zy- ner Wysgeerige Wtrken t Tent. VII. met veel omflags tragt te bewyzen 5 dat het denkbeeld van eene ootzaak verkreegen word zonder be-* hulp van eenigen indruk der voorwerpen op de zintuigen , of van een oorfpronglyk begrip , maar dat het alleen word verkreegen door eene heblykheid en gewoonte 5 om in gelyke omftan- digheden gelyke uitwerkingen te verwachten ; jaa uit eene 5 ik weet niet welke heblykheid > om uitwerkingen, die eenige reizen gezament- lyk waargenoomen zyn , door zyne verbeelding zamen te knoopen. Want indien wy in het: verklaaren van den -oorfprong der denkbeelden jiiet letten op de natuur der Ziel , maar alleen op die der werking van de voorwerpen , zoude men zclfs niet konnen begryp'en ', hoe de ge- waarwordingen in de ziel voortgebragt worden , en door middel van deceive , de eenvoudige denk- Oleum proinde & Operam perdidit HUMIUS dum Optr. Pkilof. Tom. I. Tent. VII m'agno molimine conatus eft ftenderc, ideam caufa nullius impresfionis objedorum in Organa (l-nforia , vel pcrccptionis primitivae ope adquiri 9 fed nafci folummodo ex habitu & confuetudine fimiles ef- fedus (imilibus in circumftantiis expedtandi , iroo ex ha- bitu nefcio quo effe^lus , qui fimul aliquoties obfervati func , imaginationis ope connedlendi. Si enim in origine idearum explicanda non habeamus rationem naturae ini- mse , fed folius actionis objedorum , ne id quidem lEtelli- getur, quoraodo fenfariones in mence proclucantur , ea- rumquc ope idea fimplices , cum mptus nervorum , fine H 3 quibus II. ANTWOORD ep PE VRAAGB denkbeelden ; wyl de beweegingen der Zenu* wen , Bonder welke nochtans geen gewaarwor- ding kan ontftaan , door de Ziel niet , althans niet duidelyk, gevoeld worden 5 om dat zy zich van dezelve niec bewust is , (en al wierd men dezelve gewaar 5 hebben die beweegingen riiets gemeen met de voorwerpen der verbeeldai- gen) ; en dewyl dus niet blykt , wat het is , dat den menfch overrede van het beftaan der zaaken buiten hem 3 en van derzelver orde , plaats 5 gedaante ? en andere hoedanigheeden. Maar men begrypt ligtelyk in tegendeel , dat hy 9 die den oorfprong der denkbeelden wil na- gaan , niet alleen agt moet geeven op de wer- king der voorwerpen , maar ook op de natuur der Ziel. Welke nn de natuur der Ziel zy , en aan welke wetten zy in haare werking on- derworpen zy ^ kan men leeren uit het innerlyk gevoel , en de waarneeming van het geen in ons zelve omgaat. Deeze nu leeren ons , dat 'er quibus tamen nulla oriri poteft fenfatio , ne percipiat qui- dem clare faltem anima , eorum quippe baud fibi confcia , ( & eriam (i peroperet ii nil commune habeanc cum ob- jeftis reprasfutationum,) ncc proinde appareat quid ho- mini pevfuadcat , exiflentiam rerum exrernarum , ordi- nem , (itum , figuram, alia?quc qualitates earundcm. At facile intelligitur non folius a&ionis objetorum , fed & iiaturx mentis habenda/ii eflc illi rationem , qui onginctn idcarum perscrutari vefit , quae aurem Cc indoles anjmas , quibus ea in operanda fit fubjedta Legibus , fe^fn intimo ^ obfervationeque eorum quac contingunt in nobis ipfis disci pocclt. Hss autcm docciii non majorern efle in fenfatio- nibus, OVER BE ANALOGIE, ENZ. 'er in alle gewaarwordingen en derzelver wet- ten , geen grooter ftandvastigheid is , dan in het toeftaan van de slnalogie der Natuur , en in het t' huis brengen van de uitwerkingen tot haare oorzaaken ; dat derhalven de denkbeelden van oorzaaken en uitwerkingen , eenvoudige en eerfte kundigheden zyn ; en wel zulke , die de Ziel by gelegenheid van de verwisfelingen en veranderingen die zy waarneemd 9 gedwon- gen is te maaken , als door de Natuur daar toe gefchikt. En fchoon wy de wyze 5 op welke de oorzaaken werken , en de bepaalde hoe- grootheid haarer krachten , waar mede zy wer- ken 5 niet weeten , neemt zulks niet weg de waarheid en eenvoudigheid van die denkbeelden. Want wy ftellen niet , dat de ziel het beftaan en de bepaaling der krachten , nevens de hoe- groothcid der uitwerkingen ? uit de kennisfe die zy heeft , a priori kan bepaalen ; maar wy ftellen alleen , dat de Ziel dusdanig door de Na- nibus quibuslibet', earumque legibus conflantiam , quam in An>dQgia ^Naturae acimictenda, & efFedibus ad fuas cau- fas refcrendis , adeoque ideas caufe & efFedtus efle notio- nes (implices ^ primitivas , talesque quas anima non pos- fit occafione mutationutc quas obfervat non formare , ita faQa a natura. Quod vero modum quo caufs operentur^ & determinatam virium quancitarem ignoremus, nihil qui- dem harum idearum ventaci & fimplicitati obftat. Non cnim flatuimus mentem a priori, ex notionibus quas habec deducere poffc virium exiflentiam , 6c determinacionem , effeftuumquf quantitatem , fed folummodo dicimus earn i:a efle a natura domain, & faftam , ut non posfk etiamfi H 4 velier. II. ANTWOORD op DE VRAAGE Natuur gefchikt en geleerd is , dat zy in ernst niet twyffelen kan , al wilde zy , aan het be- ftaan der waare oorzaaken , en derzelver ver- band met de uitwerkmgen , en aan de overeen- komst der verfchynfelen , en aan de order , die men niet aan het geval , maar aan eene vaste Analogic van zaaken verfchuldigd is. En wy hebben reeds te vooren gezegd , dat de ziel , fchoon zy de waarheden , welke de Analogic bevat , niet a priori > gelyk men zegt , kan betoogen , en echter haar oordeel en daaden naar dezelve rigt, zulks aan Gods wysheid verfchul- digd is ; werwaards men ook de ingebooren Driften ( Inftinffien ) , die men in de Dieren ziet , moet t' huis brengen ; want vvanneer de ziel op haare eigen werkingen en derzelver or- der agt geeft , kan zy niet ontkennen , dat zy aan zekere wetten onderworpen is, die zoowel als de natuur der zaaken bepaald en ftandvastig zyn ; en dewyl zy haare denkbeelden en beoor- dee- veHet ferio dubitare de exiftentia vcrarum caufarum , & conncxione earundem cum effeftibus , dc confenfione Phcenomenorum & ordine non cafui , fed certse reruin Analogies debita. Quod vero mens licet veritates quas involvic Anafogia a priori IK dicitur demonftrare nequcat, iis tanien judicia & adtiones accommodec , id Sapientisc Dei debere jam monu mus , ad quam caufam mftinclus, ctiam qui in brutis obfervMncur, funt referendi. Non po- tcft nimirum animus fliis operationibus , earumque ordfni accents non agnofcere legibus fe fubjedlum cfle , haud minus ac naturam rcrum , determinatis , fit conflantibus , curnque iis cor.vcnienter fuas ideas & judicia e*oriri in- tcl- OVER DE ANALOGIE, ENZ. deelingen volgens dezelve ziet voortkoomen , en zyne gevoel en gewaarwordingen hem zyne af hangelykheid van eene vastgeftelde order aan- duiden 5 zal hy , indien hy wys is , geen oo- genblik in twyffel trekken , dat hy met zyne g^dagten moet opklimmen tot de werking eener eerile oorzaak , die met het volmaaktfte ver- iland begaafd is , en die even zoo wel ftand- vastige wetten aan alle de zaaken van het Heel- al heeft voorgefchreeven ? als Hy het gemoed van den Menfch zoo gefchaapen en gefchikt heeft , dat dezelve niet anders kan dan op die wyze werken , en gewaar worden > dewelke overeenkomftig is met de van God vastgeftelde order ; zoo dat 'er eene geduurige overeenftem i ming vvaargenomen word tusfchen de verfchyn- zelen en de natuurlyke werkingen der ZieJ; daar die geenen 5 welke deeze allerfchoonfte overeenkomst niet van God, derzelver Maker, willen telligat , fenfationesque & pcrceptiones fux eum a con- . ftituto rerum ordine dependentia? admoneanc , nihil etiarn fi fapit dubitabit afcendendnm (ibi efle cogitatione ado-^c- rationem caufae primae, intelligentia fumma prasdita?, quae tam rerum univcrfitati conftantes leges pofuit , quam ho- rninis indolem ita forma vit , & dispofuit , ut rion pos- fic ( * _) eo modo operari , percipere , qui ordini a Deo ilabilito e'fi: confentaneus , ita ut perpetua obfervetur bar* monia , inter Phenomena , & animae operationes natura- les. Quara qui confenfionera pulcherrimam ad Deum ejus (*) X R EC EN SENT oordeeld , dat hier yergccten is het woorcno i,oi). II. ^NTWOORD OP DE VRAAGE willen afleiden , gcene reden van de Anahgh der Natuur , of van de werkingen der Ziel ? die met dezelve overeenkomen > konnen te voorfchyn brengen , en , terwyl zy hunne toe- vlugt neemen tot de enkele gewoonte van te oordeelen en de verbeeldingskracht, met veele woorden niets zeggen. Wy toonden das , op welke gronden de Analogic fteunt , die tot het gebruik in het le- ven noodig is. Ik zal dezelve eenvoudig mo- fen noemen , wyl zy op eenvoadige en naauw- eurig bepaalde Waarneemingen gebouwd is. .Niets word in dezelve aangenoomen 5 dan dit , het geen door het getuigenis van het gemeene gevoel geftaafd word : dat alle zaaken , de ei- genfchappen en krachten , die zy nu hebben , ook in het vervolg houden zullen ; en dat de gedaante van het Heelal niet ligt eene an- dere zal aanneemen ^ en de order der ver- fchyn- cjus Audtorem referre nolunt, ii fane nullam $?& Anologfa ^Jaturs, feu animse operationum cum ea concinermum ra- tionern proferre poflunt , dumque ad folara confuerudi- nera judicandi & vim imaginationis fecurrunt, mukis ver- bis nihil prorfus dicunt. Oflendimus, quo fundamentojnftatur dnalo&a ad ufus vitae necefiuiria. Licebic earn fimplicem appellate , cum fuperllruatur obfervacionibus fimplicibus , & accurate de- terminatis. Nihil m ea fumicur prater h^c fen (us corn- munis teftimonio cpnfirmata : Res proprietates 5c Vires, quas nunc habent, in poflerum eciam retenturas., ncc mu- t at urn OVER DE ANALOGIE, ENZ. '125 fchynzelen niet ligt zal veranderen. Dat de ge- volgtrekking (JnduQie} voor volkom:n moet gehouden warden , wanneer wy zien , dat aan al!e zaaken, die wy tot dezelve foort brengen-, en die wy met dezelve byzondere bewoording aanduiden , eenige eigenfchappen of krachten gemeen hebben , zoo dikwils wy dezelve ter onderzoek brengen (*). Door deeze klaar- blykelyke waarheden 5 of door zulke , die op het zelve uitkomen , word deeze eenvoudige Analogie gemaakt 5 voor welkers voldoend ken- merk men dezen ftelregel neemen kan : dat al- les waar is , zonder het welk de menfchen nog voor him welzyn en de noodzaaklykheden van het leven konnen zorgen > noch van d^ zamen- leeving gebruik maaken, Maai 1 (*) dliqitaf qualitatef ant vires, zegt bet Latyn , *t geen xvaarfch)nlyk eene fchryffout is voor alfquas communes , waar- cm ik de vryhcid genoomen heb , het woordje gemeen *er by te voegen, wyl anders de zin onverftaanbaar is. VERT. tatum iri temere faciem univerfi , ordinemque Phoenome- nnrum. Induftionem pro complcta habendam efle cum orrn ; >bus, quas ad eandem fpeciem rcferimus , imo & eo- dem abftrafto termino denotamus , rebus , aliquas qualita- tes aut vires competere obfervavimus, quotiescunque eas examini fubjccimus. His ventatibus evidentisflmis , vel certe codem redeuntibus abfolvitur (implex haec dnalgi& pro cujus fufficienre charadere proinde haben gored hoc axioma : id onine verum cfle , fine quo homines nee in- co'i.iinimi fuse vitaeque oecesficacibus prospicere , nee conlbnio mutuo frui poUeot. At J24 II ANTWOORD OP DE VRAAGE Maar 'er ryzen veel grooter zwaarigheden , wanneer wy de natuurlyke neiging , om de zaa- ken en hunne oorzaaken te kennen , volgende , de Analogic willen toepasfen op zulken , die meer van de dagelykfche handelingen van het leven , of van de gebeurtenisfen of waarheden verwyderd zyn ; of wanneer wy het verband nagaan van oorzaaken en uitwerkingen , die in haare foort niets onderlings gemeen hebben ^ of dat wy uit de wyze en natuur der verfchynze- len gisfen, uit welke oorzaaken zyvoorkoomen, of dat wy de Wetten , die wy ontdekt hebben omtrent de oorzaaken en uitwerkingen ? toepas- fen op die 5 welke de waarneeraingen der men- fchen ontduiken ; want fchoon niemand twyffe- len kan , dat de Wetten , aan welke de Na- tuur onderworpen is 5 ftandvastig en aan elkan- der verbonden zyn , koomt 9 er echter zulk ee- ne groote verfcheidenheid voor in de uitwerkin- gen en eigenfchappen dqr zaaken 3 en de oor- zaaken At majores longe fe objiciunt difficultates cum natura- lena res , rerum que caufas cognoscendi impetum fequuti , Analo&am remotioribus etiam a quotidianis vitse negotiis cventibus , & ventatibus applicare annitimur , vcl conne- xionem inter caufas & efFedlas , nil in fpeciem inter fe commune habentia , indagamus , vel ex IMicenomenorum ordine , & ratione , quibus causfis producantur conjici- mus , vel deteftas feu efFedfcuum feu caufTarum Leges , ii$ etiam quae obfervationem hominum efFu^iunt applicamus. (Jt ut cnim nemo dubitare posfic conltantes efle e^s, con- nexasque inter fe quibus natura obtemperat Leges : tanta umen in effc&ibus , & proprietaLibijs rerum occurric va- rie- OVTER DE ANALOGIE, ENZ. 125 zaaken worden op zoo veele verfcheide wy- zen met andere oorzaakeu vermengd , welke r onderling zamenwerkende , zulke ingewikkelde uitwerkingen voortbrengen , dat men zich niet moet verwonderen , dat ? er lieden geweest zyn, die meenden , dat 'er geen of weinig gebruik van de Analogic in de Natuurkundige Weten- fchap konde gemaakt worden. Het fchynt echter ^ dat men niet moet wan- hoopen , dat men door een matig gebruik van dezelve . in het vervolg veele nuttige waarhe* den zal ontdekken. Want de Natuur zelve heeft ons de wyze ingeboezemd , om volgens de Analogic te oordeelen ; en het past een Wysgeer beter na haare gezegden te hooren 9 dan de hersfenfchimmen zynes vernufts. En men mag niet twyffelen , of de Alwyze God , niet alleen de zaaken , welke de Menfch tot zyn rietas , tarn diverfis modis cauflle causOs permifcentur, earumque opcrationibus fe inutuo adjuvantibus , vel peri- mentibus , effeftus tarn coraplicad redduntur , ur baud fa xnirandum non defuifle, qui aut nullum , auc exiguum efie Analogic in fcientia natural! ufum cenfuerinc. Neque tainen hominibus desperandum prorfus elTe vi- detur , fe fbbrio ejus ufu multas in pofterum etiarn verica- tes utiles dececturos. Sane enim rationern judicandi Ana- lo^icf attemperatam ipfa nobis Natura infpiravic , cujus didatis aufcultare potius quam fui Inaenii commends Phi- lofophos decet. Nee licet de eo dubitare Deum fapien- tislimum non folum res eas quibus homo ad confer vatio- nera II ANTWOORD OP DE VRAAGE zyn behoad noodig heeft , maar het gantfch Heelal , ja zelv den zedelyken aart van den Menfch ? niet aan onveranderlyke Wetten on- derworpen heeft ? en wel aan zulken , welker evenredigheid en verband zoo onderling als met de oorzaaken van verfcheiden foort , zoo verre kan nagegaan word en , als genoegzaam is , ora in alle die veranderingen eene order ? en in yder verfcheidenheid eene ftandvastigheid te zien. ? Er blyft dus niets over om te doen , dan dat wy , de leiding der Natuur volgende , naauw- keurig gadeflaan , op het geen wy door aange* booren drift (^InflinSl^ doen in de gemeene handelingen van het leven 5 ja zelv in het t'huis brengen der uitwerkingen tot haare oorzaaken r of in dezelve zamen te verbinden. Wy oordeelen , dat men de Anahgle altoos veilig gebruiken kan , ten ware zy geen plaats- had , of men geen order konde waarneemen in de nem fui indiget , fed & totam rcrum Qniverflratem , ip- fumque hominis indolem moralem , immutatis fubjecifle legibus , talibus quidem , quarum & ratio , & inter fe ac cum eifedibus varii generis connexio in tantum perfpici poteft , quantum fufficit ad agnofcendum in omnibus mu- tationibus ordinem , & in varietate quaiibec conftantiam. JNil proinde aliud agendum reflat , quam ut naturam du- cem fequuci , id quod in ordmariis vitse negotiis vr in- (linftus facimus , etiam in effedibus ad fuas caullas refe- rendis, vel inter fe conne&endis , accurate obfervemus. Tuto proinde in ufum vocari poflo Analogiam cenfe- mus : quodescunque, nili ei locus eflet, nullus'in Phceno* me- CVEII DE ANALOGIE, ENZ. de verfchynzelen , welke order de Natuur al- toos in het oog houd ; of wanneer 'er gewigti- ger zyn om dezelve toe te pasfen ; dan 'er zyn om dezelve niet toe te pasfen : wyl het niet waarfchynelyk is , dat de Natuur , ( wan- neer de uitwerkingen inhaarefoortovereenkom- ftig fchynen te zyn 5 ) niet zekere middelen , om derzelver verfcheidenheid te ontdekken a zoude aan de hand gegeeven hebben. Of, wanneer men duidelyk ziet , dat 'er eene groo* tere overeenkomst in de verfchynzelen plaats heeft , dan men aan de werkingen der niet over- eenkomftige oorzaaken kan toeeigenen. Op dat nu eene onvoorzigtige toepasfing der Analogic niet bedriege , dunkc my , dat men de volgende vereifchten der Analogic, , welke men de zamengeflelde noemen kan , kan vast- ftellen , dienende om de waarheden te vinden : zy moet op vaste , wel bepaalde , en niet op twyfFel- menis orJo obfervari pofTet , cujus Natura Temper ratio- nem habet ; vel cum occurrunc rationes earn applicandi graves, nullse autem nor, applicandi , cum baud fie vero- fimile naturam , ubi effeftus in fpeciem Analogi efle vi- dentur , non etiam media certa diverfitatem eorum dete. gendi objecifle : aut cum manifette major videcur in Phce- nomenis confenfio , quam quas operationibus cauflarum baud Anaiogarum dcberi police. Ne autem incauta ejus applicatio fallat , haec videntur Analo&i& veritatibus invemendis infervientia ^ quam com- poflram appellate licet, retiuifita ftatui pofle. Ut ea ni- tacur obfervatioQibus certis , & bene decerminatis , baud vagi's. i-8 II. ANTWOORD oi> BE VRAAGE tvvyffelagtige waarneemingen fteunen. En zy tfioet op zulke toegepast worden , die zonder fprong der Natuur , of zelv varr onze denk- beelden , dezelve kunnen toelaaten , wyl de Natuur van geen fprongen houd ; ook moeten deszelfs paalen niet roekeloos buiten den kring der menfchelyke kundigheden gezet worden, en om een gelykenis te gisfen , of te hulp geroepen worden , moeten de vvaarheden ons onmiddelyk of middelyk tot dezelve fchynen te leiden , of 5 er moeten zekere juiste middelen zyn , om de Analogic , die wy vermoeden , dat 'er tusfchen beiden koomt , te ftaaven , indien zulks ge- fchieden kan. Men nioet niet alleen de gelyk- heid , maar ook het verfchil der zaaken in het oog houden 5 en de eigenfchappen , hier toe betrekkelyk 5 nagaan ? op dat vooral de betrek- kelyke eigenfchappen , die uit onze bepaalde wyze van kennen gebooren worden 9 van de volftrekte kunnen onderfcheiden worden. Men moet vagis ; Ut iis applicetur , quibuj; fine faltu naturae , aut etiara idearum noilrarum applicari poteft , cum na^ura Don amet fdlcum ; Nee proinde ejus fines ultra Sphaeram cognicionis humans temere profer.antur ; Ut ad fimilitu- dinem conjicicndam , vel in ufum vocandam ipfa? nos ob- fervationes diredle , aut indireftc duxifie vidcantur , aut cene jufta proftent media Anal>%iam 9 quam intercedere fufpicamur , fi ei locus fit, confirmandi ; Ut non folms (imilitudinis , fed & diverficatis rerum ratio habeatur, die aan veran- dering onderworpen zyn , en de verfcheiden- heden der Verfchynzelen mbeten tot dezelve gebragt worden ; of indien dit niet gefchieden kan 5 ten minften die 9 ter welker opzigte men de overeenkomst der uitwerkingen waarneemt 5 en die moeten onderfcheiden worden van ande- ren , in welke men verfchil waarneemt. - De omftandigheden , die voornaamentlyk ter zaake doen , moeten van de andere zorgvuldig afgefcheiden worden ; en vooral moeten de wer- kin- , ab aliis abfolutis diftinguantnr. - Ut ubi ef- feftus complicati funt ofteqdatur ; Phoenomena quae Ana-> logics vel contraria , vel certc non convenientia videntur, deberi permixtioni , & operationibus cauflarum diverfa* ram, vel certe indepcndenter ab iis Analogia ftabiliatur. Uc in efFeftibus a caufis cercis variationibus fubjeftis de- pendentibus, lex tnutationis detegatur, Phpenomenorumi que Variationes ad earn referantur , vel fi id non posfic , ea faltem quorum refpeftu confenfio efFeOaum obfervatur ab aliis, in quibus diverfitas fe prodit, diftinguantur. - Ut circumftantiae ad rem praecipue facientes ab aliis folli- cite feparentur , & prxfercirn cauflarum operationes- inde- XXtLDeeC. I pen- 130 IT ANTWOORD OP DE VRAAGE kingen der oorzaaken , onafhangelyk , 70 veel mogelyk is , van de waarneemingen voorgefteld worden , en dan met dezelve vergeleeken. De omftandigheden , die niet tot de zaak doen , ea 'er echter niet konnen van afgefcheiden wor- den , meet men bepaalen en vastftellen , in hoe verre de werkingen der oorzaaken door zamen- vocging veranderen. En wanneer men ver- fcheiden uitwerkingen tot verfcheiden oorzaa- ken brengt , moet men zo dikvvils als het moge- lyk is , op derzelver hoeveelheid agt geeven. In deze vereifchtens der waare Anakgie toe te ftaan , fchynt geene groote zwarigheid ; manr 'er vertoond zich eene veel grooter in deszelvs toepasfmg op de natuur der zaaken , die echter indien wy den leidraad van zekere regels vol- gen , veel vciliger en nuttiger zal zyn , of ten min- pendenter in quantum fieri poteft ab obfcrvationibus e^- pendantur , turoque cum iis conferanrur. Ut effetla circumftantiarum a re alienarum , at infeparabilium , de- terminentur , & in quantum operationes cauflarum ear urn conjunft'one varientur , definiatur. Ut dum varia efft'fta ad diverfas cauflas referuinur, quotiescunquc fieri potefl quantitatis eorundem .ratio habeatur. Non mngna in his verae Analog requifitis admittcndis occurrere videcur difficultas , major aucem longe fe pro- die in eorundem applicationc ad naturam rerum , quae ta- men fi certarum rcgularum filo dirigamur, reddetur muko tutior , & utilior, vel cere utrum posfic in ufum vocari fa) aut nonposfic, coj; oscetur ? quod ipfum iraxi- ma: OVER DE ANALOGIC, ENZ. 131 minften zal men zien , of de Andkgle van ee* nig gebruik kan zyn , dan niet , en die zelv zal van veel nuts zyn. Wy zullen das tragten aan te wyzen , welke de Wetten zyn , die zulke moeten waarneemen , die de Analogic met alle haare vvaare vereifchten willen toepasfen , om waarheden in de Natuur- of Zedekunde te ont- dekken en te betoogen ; wy zullen dan eerst deszelvs gebruik trachten te toonen in de Na- tuurkunde , en daarnaa 5 vv^elke hulp men van dezelve kan vervvagten in de Leer der Zede- kunde. *4>*S^<^^ Het is onloochenbaar beweezen 5 dat de ken- nis der Natuur door Proeven en Waarneemin- gen voltooid word ; fchoon de konst , om de verborgen eigenfchappen der zaaken waar te nee- men , mse utilitati erit. Dabiraus itaque operara ut quse fine praecipu^ illae leges, quas obfervare debent omnes ii, qui Analogum vera fua reqnifita habentem , applicare volunc veritatibus feu Phyficis , feu Moralibus invemendis , ac demonflrandis , paucis exponamus. Agemus autem pri- mum de ejus in fciencia natural! , deinde autem quid ab ea adjumenti fit expeftanduim in moralibus disciplinis ex- annitemur. Scientiam Naturae obfervationibus & experimends per fici , ac promoveri extra dubium pofitum eft. Licet autem Ars abditas return proprictates obfervandi regulis compre- I 2 hen- II ANTWOORD OP DE VRAAGE men , naauwlyks fchynt onder regels te konnen gebracht worden , kan men echter het een en ander waarfchouwen omtrent de wyze van proef- neemingen te maaken. Het voornaamfte in de- zen is , dat zy met zeker oogmerk en voornee- men gedaan worden , om eenige meer verbor- gen eigenfchappen te ontdekken en te ftaaven ; of om waar te neemen , of iets kan gefchieden en hoe 5 of op welke wyzen ? In dit ftuk is men veel aan een gelukkig vernuft verfchuldigd > en aan een fchrandere gisfing , die niet op ge- meene gevoelens of dwaalingen blyft ftil ftaan. Maar , dat men zaaken , die onzeker kunnen fchynen , aan het onderzoek onderwerpt ; wie zbude voor NEWTON gegist hebben , dat het Licht , wanneer het wedergekaatst word 9 niet op de vaste deelen der ligchaamen valt , maar aldaar terug geftooten word ? daar het het ge- makkelykst konde doorgaan ? Wie dagt om de vreemdfoortigheid der Lichtdeeltjes ? Als nu hendi vix pofle videatur, quacdam camen circa expenmen- torum intouendorum modum , inoneri pofTunc. Rorum praecipuum eft , ut ea certo Temper fine , & confilio ca- piantur, ad latentiores aliquas qualitates detegendas, con- jfirmandas , ad obfervanduiji utrum aliquid fieri posfic & quibus modisP Multum hac in pane debetur ingenio fe- lici, conjcfturaeque fagaci, communibus opinionibus, vel erroribus non acquiescent! , fed qua? incerta videri pos- funt, examini fubjicienti. Quis ante NE'WTOKUM fuiflet fufpicatus , lumen dum refledlitur, non iucurrere in foli- das partes corporum , fed ibi reflefti , ubi liberrim^ trans- ire poteft ? Ouis heterogencitatem fartitulai'um lucis ? Cum OVER DE ANALOGIE, ENZ. 133 nu de waarneeming, of dat het geen men zogt, of Wat anders , dat men niet verwagtte , aan de hand geeft, moeten de Proeven voortgezet en veranderd worden 5 tot dat wy verzekerd zyn , dat de nieuwe uitwerking niet aan eene g s vallige zamenkomst van oorzaaken 5 maar aan zekere en altoos werkende oorzaaken moet toe- gekend worden. Men moet dan verfcheiden wyzen uitvinden , en voorzigtig tot het zelve oogmerk fchikken , om het geheim te kennen, dat de Natuur begind te ontdekken , en de Analogic der nieuwe uitwerkingen , of onder- ling 5 of met meer bekende nagaan. Ten wel- ken einde de Gezlgtkunde van NEWTON zo veele regels opgeeft ? als 'er voorbeelden aan- gevoerd worden. Door hoe veele , en fchoon verfcheidene , echter van elkander afhangende waarneemingen , heeft hy niet de verfcheide breekbaarheid der Lichtflraalen geftaafd ? Door welke vernuftig uitgekoozen, en met de groot- Ite Cum autem obfervatio feu id de quo quasrebatur , feu aliud quidpiam inexpedlacum fuppeditat, varianda & con- tinuanda eo usque experimenta , dum certi reddamur ef- fedlum novum non fortuity deberi cauflarum permixtionj, fed certis & conftanter operantibus caufis. Excogitandi itaque funt varii modi ad eundem finem caute dirigendi , fecretum quod Nacura prodere incipic cognoscendi, eiFec- tuum novorum vel inter fe, vel cum aliisnotioribus, Ana- logitm explorandi , cujus faciendi tot fere regulas NEW- TONI optica, quot exempla fuppeditat. Quot enim ille, quam variis , a fe mutuo tamen dependentibus obfervatio- bus confirmavit diverfam radiorurn lucis rcfrangibilitatera ? i 3 Quam I 3 4 H. ANTWOORD OP DE VRAAGE ile naauwkeurigheid genomen Proefneemingen , toont hy , dat de couleuren , noch door weder- kaatzing , noch door breeking veranderd wor- den. Hy heeft ontdekt en beweezen de Analo- gic , die 'er plaats heeft tusfchen de breekbaar- heid en wederomkaatzing ,* en de trappen der breekbaarheid en wederomkaatzing der couleu- ren , der natuurlyke ligchaamen , en der dunne plaatjes. En men ziet ligtelyk , dat hy van de eene Proefneeming tot de andere , als met de hand geleid is 5 en dat hy van de eerfte waar- neeming der verfchillende breekbaarheid tot de laatfte , in eene onafgebrooken order voort- ging , en dat hy zelv , die , welke ongezogt en onverwagt zich voor hem opdeeden 5 der- waarts heenen rigtte , dat zy of dienden om het voornaam oogmerk te bereiken , of het geen hy zogt , op te helderen en te bevestigen , of ten minften het geen nietklaarkonde beweezen wor- den , Quam fagaciter 'deleftis , fummaque accuratione captis expcrimentis , oftcndit colores reflexione , & refradione ron mucari 9 Analugia.m inter reflexionem , & refraftio- nem , inter coiores &L refiexibilifatis ac refrangibih'tatis gradus , interque co'ores corporum Naturalium , & ce- nuium lamellarurn detexit . & comprobavic ? Facile au- tcm apparet eum ab uno experimemo ad aliud manu quafi f u .lib dudtum , a primfi obfervatione diverfae frangibilita- tis , usque ad ultimam ordine non inrerrupto progrefllim efle , & ea etiam qu- , licet nee qusfita nee expedata , ejus obtutui fe obtulere , ita direxifle , ut vel ad fcopum principalem aflequcndum conferrenc , vel qusfita illuftra- rcat . & confirmarent, vel ccrtc ea 3 quae ad liqu:dum per- duu OVER DE ANALOGIE, ENZ. 135 den , van het waare en zekere af te fcheiden ; en aan anieren eene ftoffe van nieuvvewaarnee- jningen te geeven. En verder moet men het gegeevene {data") van het gezogte, het zekere van het twytfelagtige , het bepaalde van het on- bepaalde naauwkeurig affcheiden : En men moet nieuvve middelen uitdenken, om het gceu na de waarneemingen twyffelagtig gebleeven is, door andere Proefneemingen naauwkeurig na te gaan. Ja men moet trachten 5 dat de uitvlug- ten , die voor een, misfchien al te geftrengen, Tegenwerper fchynen te werken , vernietigd worden. Dus , wanneer RIRRET, de ver- fchillende breekbaarheid in twyffel zullende trek- ken , zeide 5 dat de kleiner afftand van het blaau- we beeld dan van het roode , aan de verfchil- lende bulging der Lichtftraalen moest toege- fchreeven worden , vond DESAGULIERS , zyne bedilling willende tegengaan > vernuftig , de duel non potuerunt, a certioribus fejungendo , aliis etiatn matenam novarum obfervationum luppeditarent. Data proinde a quaefitis , cerca a dubiis , determinate ab inde- terminatis func follicit diftinguenda . novaque excogican- da media, ea qua? captis oblervanonibus in dubio rel^a funt , al'is experimentis accuratius explorandi. imo dan- da opera uc ve! ea effugia, qux rigidiori furte jufto adv r. fario pacere viderencur, pracludantur. ra cum KiftRETtS diverfam refrangibilitatem in dubium vocarurus , minoretn diftantiam imaginis caerulea? quam rubric diverfae radio um inclmationi deberi dicerec , ejus cavillo ohviam ituius DBS AGULifc uius CACogitavic fubtilicer modum expcrj- ica laltitueadi , ut ea exceptio prorfus non hal/e- I 4 ren i6 II. ANTWOORD OP DE VRAAGE de wyze van de Proefneeming zo te doen , dat deeze bedilling geen plaats meer had , door dan een blaatiw , dan een rood voorwerp voor de- zelve opening te brengen , en de verfcheiden- heid van den afftand der duidelyke beelden , klaar aan te toonen. Verder moet men naauw- keurig agt geeven , dat geene waarneemingen y fchoon van de gewoone afwykende , reukloos verwaarloosd worden , of gezegd worden , te behooren tot omftandigheden , die niets tot de zaak doen , tot dat men zie ? wat men door dezelve bewyzen kan. Een ander zoude de breekbaarheid van het Licht 5 eerst door G R i- TVIALDI, en naderhand door NEWTON waar- genoomen , veelligt gegist hebben , door eenen Dampkring veroorzaakt te zyn , die het ligchaam omringd; maar NEWTON niet vergenoegd met eene enkele gisfing en willekeurige verklaaring , heeft deeze gisfing wederfprooken , en getoond dat de breedte der fchaduw niet aan de bree- king ret locum , eidem aperturse objedtum nunc rubrum, mox caerulcum, imponendo, diverfitatemque diftantieB diftino tarum imaginum evidentisfim^ oftendendo. Sollicite prae- terea cavendum eft, ne ullae obfervactones a confuetis ab- ludentes temere negligantur , vel circumftantiis nihil ad rem faciencibus debcn dicantur , usque dum conftireric ( quidnam iis probari posfir. Difradlionem luminis a GRI- M A L D o , 6c poftea a N E w T o N o obfervacam , alius quis- piam facile in Atmos-phaeram aliquam corpus ambientem conjcciffec , fed NEWTONUS fola corrjeclura & explica- tione arbicraria non contentus , fufpicionem hanc confu- wvic , oitenditquq latitudinenj umbr* noo a(?ris refrac- tion* 3 f OVER DE ANALOGIC, ENZ. 137 king der Lucht , maar aan eene andere oorzaafc moet -toegekend worden. Zie Optic. Lib. IIL obferv. i. De Sterrekundige geven vooral fchoone voor- beelden , van naauwkeurig te neemen waarnee- mingen , en die op eene juiste wyze zamen te verbinden , en tot een en het zelve einde te fchikken ; met hoe veel konst hebben zy uit de fchynbaare beweegingen de waare afgeleid 7 en de waare gedaante van het Waereld - geftel ontdekt ? hoe fhedig hebben zy de wyzen uit- gevonden ? om de dwaalingen in de waarnee- min^en te verbeteren? KEPLERUS kan on- der veele anderen ten voorbeeld ftrekken ? met welk een gelukkig vernuft , met welke Ichran- dere gisfmgen , met welke naauwkeurige ver- gelykingen der waarneemingen , en door hoe veele pogingen , toonde hy niet ? datdeDwaal- fterren tioni , fed diverfae cauflie deberi. Vide ejus Optic, Lib. ILL- obferv. i. Aftronomi pr^cipue infignia obfervationum accurate ca- piendarum , jufto inter fe modo connedendarum , ad eun- demque fincm dirigendarum excmpla praebent. Quanta <-nim illi arte ex apparenribus motibus collegerunt veros 9 geriukmnique fyftematis rnundi faciem dctexerunt ? quan- ta fagacicate modos errores obfervationum corngendi in- venerunt , Phoenomenaque , complicatisfima licec , ad fuas cauflas vetulerunt ? Exemplo e(Te poceft inter mul- tos alios KEPLEUUS, Quam felici ille ingenio, quain &gacibus conjevturis , quam acccuratis obfervationuni ' I $ com- I 8 II ANTWOORD OP DE VRAAGE fterren niet in middelptmtige kringen bewoogen worden, gelyk de Ouden meenden. TYCHO konde die waarneemingen overeen brengen met de onderftelling van eenen uitmiddelpuntigen Cirkel , wanneer men het verfchil van eenige minuten toeftond, between KEPLER oordeel- de , dat niet moest overgeflaagen worden. 'Er bleef das over te bepaalen , of men de bewee- ging der Dwaalfterren niet naauwkeuriger kon- de vastftellen. Om dit te weeten , was het in de eerfte plaats noodig , dat de uitmiddelpan- tigheid ^Excentriciteit'*) van den loopbaan der Aarde naauwkeurig bepaald wierd, het geen hy door middel van waarneemingen op de lengte van Mars gelukkig volvoerde ; en hy ontdek- te , dat die uitmiddelpuntigheid in twee gelyke deelen konde gedeeld worden volgens de /tna- logie. Deeze verdeeling hadden de Ouden al- leen in de Boven Dwaalfterren toegeftaan : de uitmiddelpundgheid van den loopbaan der Aar- de comparationibus ^ quam variis tentaminibus, demooflra- vie Pianetas non mover! in circuV.s escencricis ? Ut pu- cabanc veteres. TYCFIO poterat obicrvationes concilia- re cum hypothefi circuli excentrici non nifi aliquot minu- torum discrimine adrn'flb , quod tamen ipfum baud con- tetnnendum KEPLERO vndebatur. Reflabac jtaque dis- cuciendum , utrum non accuratius Planetarum motus defi- niri poflenc. Ad quod obtinendum requirehacur ante om- nia, ut exccntricitas orbicae rcrreflris accurate deftcrmina- retur , quod ope obfervationum longitudinis Marcis feli- citer pratftiric, excentricicaiemqur bifecandam efle Ana- lo&i& coDvenieiuer dccexic, cujus bifedhoncm veceres in Sohs OVER DE ANALOGIE, ENZ. 119 de das ontdekt zynde , konden de afftanden der Aarde van de Zon, in verfchillende punten van haaren loopkring bepaald worden , en dus ook waren door dezelve de afftanden van Mars va! de Zon in deszelvs afftand ( af helium ) of by- ftand ^perikeliufflj aan of van de Zon bepaald , en uit deeze afftanden de uitmiddelpuntigheid. Al het welke dus gefteld zynde , bleef 'er met over , dan dac de afftanden van dezelve Dvvaal- fter ook in andere punten van haaren loopkring bepaald wierden, in de onderftelling van eenen uitmiddelpuntigen Cirkel. Dus wierd klaar be- weezen , dat de loopkring van Mars geen Cir- kel is , en dezelve uitvinding konde en moest derhalven ook op de andere Dwaalfterren door Analogie en waarneemingen toegepast worden. Maar niemand > dan met een bovenmenfchlyk vernuft , had kunnen denken , dat men in de waarneemingen , in plaatze der Dwaalfterren , die in de cirkelronde onderftelling bepaald wa- ren. Soils fuperioribus Planetis admiferant. Cognita jam vera orbitae terreftris excentricicate pocerant dillantiai terras a Sole in diverfis fuss orbit pundlis definiri , earumque ope diftanciae etiam Martis a Sole in aphelio &; perihelio de- terminaca? erant , & ex diftantiis illis excentricicas. Qui- bus ica conftiiuris nil aliud reftabat , quam uc diftsncias ejusdem .Planetae in aliis etiarn orbitae fuas punclis , in hy- porheii circuli c^cencrici dcfinircntur , quo pafto demon- itr'abatur evidentcr orbitam Martis haud efle circularcm , id'-mque inventum reliquis etiam Planetis, fuftraganrHvus: Anal -gin ac obfervatiombus , applican poterat , dcbebac- que. At nifi diyini ho.no ingcnii cxigua e:iam inter cfo- fer- J40 II. ANTWOORD op DE VRAAGE ren , de kleine verfchillen niet moest verwaar- loozen ; en zoude de uitmiddelpuntigheid der loopkring , en de Jigging van de lyn 3 tus- fchen de Zonsnabyheid en afitand ( linea Ap- fidum ) , onaf hangelyk van eenige onderftelling bepaald hebben ; het geen van elkander moest gefcheiden worden , gefcheiden hebben ; en uit oneindig veele waarneemingen die gekoozen hebben, die genoegzaam waren, om een flak van de geeifchten , onaf hangelyk van de anderen te bepaalen ? en zoude dus de dwaaling , fchoon door het gezag van alle de Ouden onderfteund , gelukkig vernietigd heb- ben (*). Ook (*) Ik heb dit dus vertaald , fchoon het Latyn zegt : Basque ex innnmeris obfervationibus elegiffet , qua ad itnwn ex qu&- fitls , indcpenckntcr ab aliis deter minandum fufficere , baud profctto errtrem vetenim omnium auftoritate confirmatum tara feliciter profli~ gaffet ; we'ke zin door het uitlaaten van eenige woorden my onverftaanbaar voorkomt. VERT. fervationes locosque Planetag , in Hypothefi circular! de- finitos , discrimina baud negligenda putaviflet , excentri- cicatem orbitse , & pofuionem lineae apfidum independen- ter a quacunque Hypothefi determinaflet, quse fejungen- da erant fejuDxiflet", casque ex innumeris obfervationes elegiflet , qua; ad unum ex qusefitis , independenter ab alijs determinandum fufficere, baud profedlo errorem ve- terum omnium auftoricate confirmatum , tarn feliciter profligaflet. Poflcnc OVER DE ANALOGIE, ENZ. 141 Ook konden 'er inderdaad uit de oeffening der Sterrekundigen en der Stelkundigen fchoo- ne konften afgeleid worden. Want 'er is zo wet in de Stelkonst als in de Natuurkunde veel aan gelegen , door welk eenen weg men tot het ge- zogte koomen wil, wyl men 'er altoos eene vind die zeer eenvoudig en natuurlyk is , en de geenen , die dezelve verlaaten , of dwaalen van het voorgeftelde af , of koomen 'er toe langs veele omwegen en onnutte pogingen. Schoon het een werk van het vernuft is ? dien zo zeer natuurlyken weg te zoeken ? zoude echter die arbeid door zekere voorgeftelde Wetten konnen verligt worden. Maar , dewyl myn oogmerfc verbied hier langer op ftil te ftaan ? zal ik ver- der voortgaan. In de eerfte plaats worden de uitwerkingen en eigenfchappen der zaaken waargenoomen. Dat PofTent fane ex Aftronomorum , imo etiam Analyfta- rum praxi egregiae obfervandi artes depromi. Uc enim in Analyfi, ita etiam in icientia natural! multum intereft qua quis via ad quaefitum pervenire velic , cum occurrac fere femper aliqua maximd fimplex , & Naturalis , quam qui deferunt , vel a propofho oberrant , vel per ambages , inutiliaque tencamina ad il!ud'perver:iuht. Licet auteni ingenii fit opu^ viam illarn maxime Naturalem inveftigare: poffet tamen hie labor certis propofitis Legibus facilitari. At cum his longius immoran vecet ratio inllituti , ulterius jam progrediendum eft. Obfervantur primo omnium proprietates rerura, & ef- fcda, II. ANTWOORD OP DE VRAAGE f)at 'er eenige algemeene eigenfchappen zyn , ziet men ligtelyk uit de Analogic 9 gelyk de kracht Van traagheid , onindringbaarheid , be- weegbaarheid , enz. ; want wy hebben geen re- den altoos , waarom wy zwaarigheid zouden maaken , om deeze hoedanigheden op de lig- chaamen toe te pasfen , die aan onze waarnee- % mingen ontffaappen , wyl dezelve niet betrek- kelyk , maar volftrekt zyn , en men zonder de- zelve de order in de veranderingen der zaaken niet kan gewaar worden. Maar 'er zyn andeie eigenfchappen , die minder algemeen zyn , ge- lyk de veerkracht , de hardheid , de zagtheid , de vloeibaarheid enz. welke groote werktuigen der Natuur in haare werkingen zyn , en men moet vooral beproeven , of de verfcheiden |ver- fchynzelen , volgens de Analogic , tot dezelve konnen gebragt worden. Men fefta. Proprietates quasdam univerfales prorfus efTe fa- cile ope fimplicis Analog detegitur , ut inertiam , im- penetrabilitatem , mobilicatem , &c. Nullam enim pror- fus habemus rationem cur has qualitates iis etiam corporibus quae nodras obfervationes efFugiunc applicare dubitemus , cum non fine eas relative , fed abfolutae , nee fine illis ordo in mutationibus rerum pofTet animadverti. Ac func aliz proprietates minus univerfales , ut elaflicitas , duri- ties , mollifies , fluiditas , qua? cum funt magna Natoras in opcrationibus fuis organa , tencandum eft ante omnia ut Analogic convenienter ad eas Phoenoraena varia reduci posfiut. Facile OVER DE ANALOGIE , ENZ. 143 Men begrypt ook ligt , dat men in het over- brengen der uitwerkingen tot zekere algemeene Eigenichappen of Wetten moet agt geevcn ; voornamentlyk , dat men de algemeene Eigen- fchap of Wet wel bepaale 5 zonder op de oor- zaak te zien , aan welke men dezelve verfchul- digd agt , of op eenige onderftellingen. Wat ook de oorzaak der breaking van de Lichtftraa- len zyn moge , is het echter altoos zeker , dat de grootfte breeking gefchied ., wanneer zy het meest verfchillen door de digtheid der middel- ilof. Wanneer de algemeene eigenfchap wel bepaald is , blyft 'er over te onderzoeken , of men eene vaste Wet kan ftellen , aan welke de veranderingen onderworpen zyn 5 ten welken einde men de omftandigheden moet verande- ren ; want men kan geen algemeene Wet ont> dekken , dan wanqeer dezelve zamengevoegd , gefcheiden , of vefwisfeld zyn. Dus immers bleek Facile autem intelligitur in rfduftione efTefluum ad ge- nerates quasdam feu proprietates , feu Leges , hsec prse- cipue obfervanda efle : Ante omnia proprietas feu Lex univerfalis bene detcrminanda , fine refpe&u ad cauflam Cui deberi putatur , vel quascunque Hypothefes. Quse- Cunque fit refraClicnis radiorum Lucis cauffa , verum nihilominus eric maiimam contingcre refradlionem , Cum media denfitare quam maximc d^fferunt. Proprie- tate general! bcne determinata reflat inquirendum utrum conftans aliqua lex cu ( mutariones attemperentur ferri pjsQc , quena in finem circumftantias vanands , non enim niii 144- II- ANTWOORD OP DE VRAAGE bleek niet eerder 9 dat 'er een vaste rede is tus- fchen de hoekmaat van den hoek der Invalling en die der breaking ? dan door het veranderen van de hoeken der helling (jnciinat^^ en het veranderen der middelftoffen. Hier uit heeft men een vaste evenredigheid ontdekt tusfchen de hoekmaat der invalling en die der breeking. Men moet verder naauwkeurig toezien , of de Wet ? die door de overeenkomst der verfchyn- zelen begint te blyken , aan geen uitzondering onderhevig zy , gelyk deeze Wet : dat al het overige gelyk zynde 9 de breekbaarheid zoo veel grooter word, hoe grooter de digtheid der middelftof is , in welke de flraal valt , die uit eene ylder middelftof voortkomt ; dit bedriegt fomtyds ; het welk gefchiedende , moet men onderzoeken , of men door eenige verandering die uitzonderingen der Wet niet zoude konnen vermyden , gelyk in dit geval gefchied 5 wan- neer wy ftellen , dat de breeking niet evenre- dig nifi iis nunc conjunOis , nunc feparatis , variisque modi's combinatis Lex aliqua generalis detegi poteft. Ita fane non nifi. variatis inclinacionum angulis mediique denfita- tibus, innotuit conftantem efie rationem inter finns an- guli incidentise & refraftionis. Jnquirenduin follicite an Lex quaj confenfu Phoenomenorum comprobari incipit nulli fit exception! obnoxia , ut haec Lex : Eo majorem ceteris panbus fieri refractionem , qua major medii , in ouod radius intrat e rariori , denfitas, quandoque fallif. Jd fi eveniat difpiciendum eft ; LJtrum non mutatiope ali- qua legis exceptiones illas evitari posfint, ut fit hoc in cs- ili , fi refraftionem non denfitati , fed aftioni medii in lu- men OVER DE ANALOGIC, ENZ. 145 dig is aan de digtheid , maar aan de werking der middelftoffe op het Licht , welke werking niet altoos is als de digtheid ; maar indien 'er ecnige byzonderheden voorkoomen , gelyk de breeking in het Yslandfche Cristal , is het goed die verfchynzelen aan te tekenen. Wanneer men nu een algemeene Eigenfchap of Wet vastgefteld heeft , moet men nagaan , of alle de veranderingen der ligchaamen , wel- ke die eigenfchap hebben , of aan die Wet on- dervvorpen zyn , tot dezelve konnen gebragt worden. Het is by voorbeeld klaar , dat in de vloeiftoffen de wetten van Evenwigt en zyling- fche drukking niet genoegzaam zyn , om alle de veranderingen der vloeiftoffen , of ligchaamen , die geen veerkracht hebben , te verklaaren ; by voorbeeld 5 hunne ryzing in hunne buizen 9 de verfchynzelen der Scheikundige gistingen ? en an- wen proportionalem flatuamus , qus quidem baud femper tft ut denfitas. Si qua autem occurrant prorfus (ingula- ria , ut v. gr. refradionis in Crystallo Islandic^ Phoeno- mena ea connotare juvabic. Proprietate aliqua ve! Lege generali bene flabilita , na- turaliter difpiciendum reftat , an ornnes mucationes cor- porum ilia qualitate praeditorum , vel ei Legi fubjedorum ad earn rcferri posfinc. Facile v. gr. apparet fluiditatts conceptum , asquilibrii & presfionis laceraiis lep;es , non fufficere omnibus mucationibus fluidorum , vel elafbcitate carentium , explicandis. V. gr. aicenfioni eorundem in tubis capillaribus, feruientacionum chemicarura , Phceno- XXIL Datl K me- i 4 6 II. ANTWOORD OP DE VRAAGE andcrc. Wanneer'er derhalven zulke v^rande- ringen voorkomen 5 die niet tot de voornaame Eigcnfchap of Wet konnen gebragt worden , men dezelve zo lang onderling moetvergelyken door verandering der Proefneemingen , tot dat wy door dezelve eene nieuwe Eigenfchap of Wet verkrygen. Men begrypt ligt , dat de omftan- dighcden der oorzaaken , en de order te vooren wel moeten bepaald worden , voor dat men eene nieuwe Eigenfchap of Wet vastfteld, wyldena- tuur der zaaken niet willekeurig maar bepaald is. Indien 'er nu verfcheiden Eigenfchappen en algemeene Wetten 5 door Waarneemingen -en Proeven ontdekt zyn en geftaafd , mag men gisfen , dat de uitwerkingen , fchoon verder ver- wyderd , echter uit dezelve vloeijen. Men moet derhalven beproeven , of de nieer onbe- kende 5 meer zeldzaame Verfchynzelen , die niet menis , aliisque. Cum itaque tales occurrunt mutationes quas ad primam proprietatem vel Legem reduci nequeunt, eas inter fe tamdiu confc-rendae variatis experimentis , do- nee novam aliquam proprietatem vel Legem Naturae ea- rum ope detegamus. r acilc autem incelligitur circum- itantias effeftuum bene effe ante determinandas, ordincm- que eorundem, quam nova proprietas aut Lex ifobiliatur, cum natura rerum non fit vaga, fed determinata. Quod fi variae jam proprietates & Leges generales fint obfervacionum & experimentorum ope deteftx , & con- firmatoe , licebit conjicere ea etiam effefta quae remotiora funt its convenienter exoriri. Tentandum itaque an non Phenomena ignotiora > rariora Tub fenfus immediate baud ewleo- OVER DE ANALOGIC, ENZ. 147 riiet onmiddelyk onder de zinnen vallen , niee tot meer bekende , en onder de zinnen vallen- de, konnen gebragt worden; dit gefchiedende, verkrygt de Natuurkunde nieuwen aangroei; al ware het , dat de oorzaaken der gewoone 5 zo wel als meer zeldzaame veranderingen ^ onbe- kend waren. Men ftelle dan dat de ongewoo- ne verfchynzelen overeenkomen met de gewoo- ne die men ziet , en men onderzoeke 5 wat 'er uit eene geftelde Analogic moet volgen. Men onderzoeke 5 op hoe veele verfcheiden wyzen die veranderingen konnen voortgebragt worden ; en men bepaale , welk eene wyze men kan en moet verkrygen ? door vergelyking van uitwer- kingen en ornftandigheden. De Analogic by voorbeeld leert , dat de Zons - en Maans - ver- duisteringen veroorzaakt worden , of door uit- dooving van licht , of doordien die Lichten in eene fchaduw ingaan. Men begrypt klaai , dat het cadentia ad notiora, confueta , & obvia reduci posflnt ^ quod dum fit nova Temper fcienna naturalis capit incre- menta , etiam (i caufias mutationum familiarium aeque ac rariorum ignotce eflerit. Sumendura itaque Phcenomena remotiora obviis dnahga efle , & inquirendum , quid ex pofita dnalogia confequatur. inquirendum in varios force modos quibus mutaciones ills produci queant, & quis eo- rum obtincri posdc debeacque comparacione efFefiuum , & eircurnrtantiarum , definiendum. Eclypfcs v 4 gr. Soils & Luriae , vel extinftiorii luminis , vel ingreffui "lumina- riurn in umbram aliquam deberi Analo^ia docet. Illi non elTc locum facile apparcc , ii itaque hunc obtincre aliquis conjeceht , inquirendum illi fait, quai lint corpora, qu*-s K ^ talem i 4 8 II ANTVVOORD of DB VRAAGE hct ecrfte geen plaats heeft. Indien men dan gist , dat het andere gefchied , moet men on- derzoeken, welke de ligchaamen zyn, die zulk eene fchaduw geeven , en of 'er blyken van derzelver duisterheid zyn ; en men moet voor- al de omflandigheden naagaan , van welke de voornaamfte , en die aan het gezogte voldoet , is , dat de Zons- en Maans-verduisteringen niet dan by Nieuwe of Voile Maan gefchieden. Zelden echter worden de meer verwyderde oorzaaken op zulk eene eenvoudige wyze voort- gebragt , wyl zy gemeenlyk met andere ver- mengd zyn , in welk geval bezwaarlyker hunne Analogic met de nadere ontdekt word. By voorbeeld , de zwaarte dryft de ligchaamen , die op plaatzen digt by de Aarde zyn , met ee- ne verfnelde beweeging , geduurig na deszelvs oppervlakte in een loodlynige rigting , wyl nu de Dwaalfterren in haare loopkringen dan eens van talem umbram projiciant , num adfint indicia opacitatis eorundem. Circumftantiae praefertim erant perpendendae , quarum praecipua & quaefito detcrminando fufficiens eft, Eclipfes Solis ac Lunae non nifi Novilunii & Plcnilunii tempore contingere. Raro autem effedus remotipres tarn fimplici mode pro* ducuntur, cum plerumque aliis permixci (int, quo in cafu difficilius earundem cum propioribus detegitur Analogic. Gravitas c. g. ea qua? in locis terrae vicinis obfcrvantur corpora accelerato motu , direftione ad fuperficiem tellu- ris perpendicular! coniinuo pelllt 3 cum aucera Planet in OVER DE ANALCGIE, ENZ. 1^9 van de Zonne afwyken , dan eens naar dezel- ve toekomen , en derzelver beweeging , na de minder of meerder Afftand van het middelpunt, (heller of traager word , fchynen derzelver be- weegingen in den eerften opflag met de bewee- gingen der zwaare ligchaamen niet overeen te komen , op welken grond de elendige tegen- werpingen van Pater CASTELLI tegens de grondbeginzelen van NEWTON fteunen. Het betaamd echter den Wysgeer niet alle hoop v2n de dnalogie tusfchen de verder afgelegen uitwer- kingen weg te werpen , zoo dra 'er zich eenige tegenftand in dezelve fchynt op te doen ; maar hy moet veel eer onderzoeken , of misfchien het onderfcheid uit de zamenvoeging van eeni- nige andere oorzaak voortvloeit , en hy moet moeite doen , of hy kan ontdekken welke de- zelve zy 5 en denken , by voorbeeld , of de Maan op de Aarde weegt , en zo ja , waarom zy orbitis fuis a Sole nunc rccednnt , mox ?d eundem acce- dant , mocusque eorum pro majori minorique diltantia a centre retardentur , auc accelerentur , vidcnrur fnne nri- ma fronte rootus eorum rnotibus gravium haud efle An&~ logi; quo fere redeunc miferae P. CAST EL LI i in NEW- TONI principia objedtioncs. Ncc camen Philofophos de- eec omnern Ipem Analogiaw inter efFedus remotiores de- tegendi abjicere , (imul ac aliqua in iisdem fe prodere vi- detur repugnantia , quin porius examinandtirn , num va- rictas fone conjuntioni alterius cujusdam caulfe debea- tur ; dnndaque opera ; ut , qualis ea fh , detegi posfic. Cogirandi v. ^ de eo : Ucrum Luna ^raviter in terrain , & u ita, cur noa in eamcadat. occu~rere poteftexempium K 3 -II. ANTWOORD OP DE VRAAGE zy niet op dezelve valt ; iemand kan te hitmen komen het vooVbeeld van een Kogel, uit een Kanon regt of fchuins gefchooten , en die door zamnvoeging der werpkracht (^yis projeSilis^) en zwaarte 5 eene kromme lyn in de Lucht be- fchryft. De Analogic zelve derhalven ftelt voor 5 of niet de beweeging der Maan , uit zulk eene werpkracht en zwaarte , na de Aarde kan verklaard worden, het geen bekend is aan ieder, dat door middel van de hoogere Meetkunde kan gedaan worden , en gedaan is door den grooten NKWTON, De zwaartekracht der Maan op de Aarde , en de afhangelykheid der beweeging van dezelve , dus ontdekt zynde , toonde de Analogic , dat de- zelve Wetten van zwaarte ook op de beweegin- gen van andere Dwaalfterren moeten toegepast worden ; want haare beweegingen komen over een globi e tormento bellico oblique, vcl horifontaliter cjccli, vi&que projeCtilis , & gravuatis compofirione curvam in. acre lineam defcnibentis. Jpfa itaque /3naloia examinan- dum proponit : Num forte mocus Luns ex tali vi pro- jeftili , & gravitatione ejus in terrain e.cplicari posfint , quod recondirioris Geometriae ope perfici pofTe , perfec- tumque ab immortal! NEVVTONO cfle , conltat inter, pomes, Detefla jam Luns in terra m gravitatione , & motus ab ea dependentia ; AndlogM fuadebat , easdem gravitatis reliquorum en'ain 'Planetarum motibus applicandas Motus enim eorundem fuuc Lun^ moubus Analogi,. gra* OVER DE ANALOGIE, ENZ. 151 een met die der Maan , en de zwaarte fchynt niet onder de oorzaaken te moeten gebragt wor- den, die tot een zeker byzonder einde gefchikt zyn 5 maar als een voornaam werktuig der Na- tuur , aan welke men den zamenhang der zaa- ken , en de order der Verfchynzelen verfchul- digd is. Men moest derhalven nagaan , of de gisfing met de Analogic overeenkomende , konde ge- ftaafd worden ? door de onderftelling , dac de Dvvaalfterren op de Zonne weegen , door hef bepaalen van derzelver beweegingen , en door dezelve bepaalingen met de waarneemingen te vergelyken. De zwaartekracht der Maan op de Aarde , en der Dwaalfterren op de Zon dus bspaald zynde , was 'er niets , dat met de een- voudigheid en ftandvastigheid der Natuur beter overeen kwam , dan zulk eene onderlinge aan- trek- gravitasque baud videtur inter qualitates peculiar? cuidam fini pbtinendo deftinaras referenda , fed pro praecipuo na- turae organo habenda efTe , cui coagmentacio rerum , 01- doque PhaBnomenorum debeatur. Examinandum itaque era?, utrum conjedura Analogic tam conveniens posnc confirmari , ex hyporhefi gravita- tionis Planetarum verfus Solein , motus eorum determi- nando , & cum obfervatis conferendo. Comprobara hoc modo gravitatione Luna? verfus Terrain , & Planetarum verfus Soiem , nihil nature conftantiae !< lecretis notis confcnprje enucleatione veHhrcmur. Ponen- ia vel tingeoda fimilitudo , videnduraque quid ex ea coa- K s fc- 154 n. ANTWOORD OP DE VRAAGE uit dezelve volgt ; men moet vooral de omftan- digheden bepaalen en verzorgen , die dezelve zouden bewyzen of tegenfpreeken. . Men moet de beletzelen zoeken , die verhinderen , dat de Analogic minder in het oog valt , en middel zoeken om die weg te neemen ; en wan- neer de Analogic zich begint te laaten zien , moet men nagaan , hoe verre zy uitgeftrekt kan worden ; en waar het aan haperd , indien 'er eenig verfchil in de veranderingen voorkomt t en of die niet tot hunne oorzaaken konnen ge- bragt worden , of uit de verfcheidenheid van zamenftel 5 zo verklaard worden , dat 'er de Analogic niet by lyd. En indien alles niet kan vereffend worden, blyft'er noch over te onder- zoeken , of men geen middelen kan uitdenken , om tot de zekerheid hoe langs hoe meer te nade- ren , middelen die overeenkomen met de nade- ringcn der Wiskunftenaars. Of men niet zom- mige fcquatur, determinancies praefertim & procurandae circurn- ftantice earn vel coniprobaturx, vel etiam refutaturae. liiquirendum in impedimenta qua? obftant , quo minus Analogia incurrat , in oculos & de mediis eorundem re- movendorum laborandum. Quod fi ea fe prodere inci- piat , exammandurn , quousque extendi posfit ? CUT rei debeatur (1 qua in mutationibus occurrat diverfitas ? num poslic ea ad fuas caufas referri , vel ex varierate ftrudu- rae , a'iarumque circumftantiarum ira explicari , uc Ana- loa-ce nihil detrahatur ? EC (1 omuia prorfus ad.liquidum perduci neutiquam poflenc, invcftigandum reftac : Utrum uon aliqui excogitan posfint modi certitudini continue ap- proprin^uandi, 'appioxmiationlbus Geoaietrarum Anah^il Utrum OVER DE ANALOGIE, ENZ. 155 mige der verfchynzelen , die als tot den -punt zamenloopen, niettegenftaande hunne verfchei- denheid , kan waarneemen ; of het geen onaf- Jiangelyk van andere twyfFelagtige fchynt afge- daan te zyn , beweezen is ? Het welk alles door voorbeelden , genoomen uit de befchou- wing der EltEtriciteit , toegepast op den oor- fprong der Wolken , die Onweer , Blixem en andere Verfchynzelen voortbrengen > en veele andere kan opgehelderd worden. Wy hebben van de toepasfing der Analogic gefprooken , die plaats heeft in die veranderin- gen , die fchoon verder af fchynende , uit de- zelve eigenfchap of algemeene Wet voortvloei- jen. Nu blyft 'er overig te onderzoeken, hoe de Analogic ontdekt word tusfchen zaaken of eigenfchappen , die blykbaar verfchillen , of waai> Utrutn non aliqua Phccnomenorum verfus idem veluci convergentia , non obftante divcrOcate oblervari. queat ? Ucrurn ea , quas videntur confecia eQe , indc- pendenter ab iis , quse in dubio relifta func, fuerint com- probata ? Qua? omnia exemplis ex cheoria electricitatis , tarn feliciter ad gcnefim nubium procellofarum , fulminis aliaque meteora applicata depromendis , multisque aliis illuftrari pofibnc. Egimus de Analog! applicatione ad cas inutationes , quas licet remotiores efle videantur , cidem tamen pro- prietati, aiu legi generali debentur. Inquirendum reitat, quomodo inter proprietates , auc res rnanifcflo diverfas detegatur , vel qua raiione iis appliLX-cyr, quod ILC- II. ANTWOORD OP DE VRAAGE waarom zy op dezelve toegepast word , het geen wy raeenen , dat beter door voorbeelden dan door regels kan uitgelegd worden. 'Er zyn zoramige eigenfchappen , die fchoon onderfcheiden , echter na aan elkander vermaag- fchapt zyn , gelyk de buigbaarheid en breek- baarheid. Indien wy willen bewyzen , dat 'er eene Anakgie tusfchen dezelve plaats heefc , moeten wy onderzoeken , of wanneer de uit- werkingen van de eene vermeerderd of vermin- derd worden, de andere ook vermeerderen of verminderen , en waarom ? En of de eene tot de andere kan gebragt worden, en of dat altoos kan gefchieden ? Het is by voorbeeld bekend, dat men de wederkaatzing door breeking ver- krygen kan , wanneer de fchuinsheid der inval- lende ftraal te groot is , of dat de Inciinatie wat verminderd zynde , de ftraalen voor een ge- deelte exemplis quam praeceptis explicari pofle perfua- ium habemus. Sunc proprietates nonnullae, licet diflindac, vicinae ta- mcn vel affines , uc refradtio , & reflexio. Inter eas fi Analo&iam intercedere probare velimus , examinandum eil , utrum unius |eifedibus audh's aut imminutis, augean- tur etiam vel imminuantur altenus , & qua lege? Utrum una eanim ad alterara reduci posfit, & num Temper posflt? Notu'n eft v. gr. reflexionem haberi pofle rcfraftione , cmanclo radii incidentis obliqwtas eft nimis magna , at im- tniDUta pa^umper inclinatione radii pro parte tranfire pos- fanc. Licet itaque reflexio ad refra&ionem omnibus in cafibus OVER DE ANALOGIE, ENZ. 157 deelte konnen doorgaan , fchoon derhalven de wederkaatzing niet in alle gevallen tot de bree- king kan gebragt worden , zoude dit echter toonen , dat de Analogic tusfchen derzelver uit- werkingen plaats had , om dat de breekbaarheid zomtyds tot de wederkaatzing kan gebragt wor- den , het geen ook ten overvloede door dceze waarneeming geftaafd word , dat de Weder- kaatzende kracht zo veel grooter is , hoe groo- ter de Breekbaarheid in de wederkaatzende oppervlakte is. Byna eveneens , fchoon de afftootende en aantrekkende kracht , niet al- leen verfchillende , maar tegen elkander ftrydi- ge eigenfchappen fchynen te zyn, zyn'er zom- raige verfchynzelen van afftooting tot eene aan- trekking gebragt , die van de eene zyde gerin- ger was , dan van de andere. By voorbeeld dat de mindere hoogte van de Kwikzilver in het glaaze Vat , dan in het hairbuisje , af hangt van eene minder Aantrekking van het glas , dan van cafibus reduci nequeat , vel hoc tamen Analotfam inter earundcin effedla intcrcedere comprobaret., quod nonnun- quam reduci posfit , qu magis adhuc hac obfervatione confinnatur , quod vis refledtens GO fie major , quo major eft refra&io in fuperficie refledlente. Haud abfimilicer, l:cet repulfio & attraclio videantur cfle non tantum diver- fa2, fed &. fibi contrariac qualicates, quaedam tamcn faltem repulfionis Pboenomena ad minorcm ex una quam alia par- te attradioncm feliciter funt revocata , tic v. gr. minor Mercurii in tubo capillari quam Vafe altitudo, quam, mi- nori vitri , quam Mercurii in Mercurium attraclioni de- beri , vel ex eo conficitur , quod, Mercurium a vitro at- crahi , II. ANTWOORD OP DE VRAAGE van de Kwik op de Kwik , daaraan kan men haa de Proefneemingen van DESAGULIERS niet twy- felen. Veele dergelyke voorbeelden vind men in de Scheikunde van den Heer BOERHAAVE, by voorbeeld , dat de Alcohol wel van Zou- ten aangetrokken , doch indien dezelve water in zich bevat , afgeftooten word. Uit derge- lyke Verfchynzelen , kan men ten minften opmaaken , dat 'er tusfchen verfchillende uit- werkingen eene Analogic plaats hebbe , welke of hoedanig dezelve zy , hoe verre zy zich uit- ftrekke , moet niet willekeurig , maar uit gisfin- gen , door Waarneemingen geftaafd ? bepaald worden. Men moet by voorbeeld , by gele- genheid der bovengemelde Waarneemingen on- derzoeken , of niet alle de verfchynzelen der Afilooting op dezelve wyze konnen verklaard worden , uit eene mindere aantrekking ; en in- dien dit niet kan gefchieden , welke eene be- treklving de afflootende en aantrekkende kracht op trahi , non posfit pofl experimenta DESAGULIEUII du- bitari. Mulca ejusdcm rei exempla proftant in BOER HA- vii Chymia , v. g. quod Mcobol a Salibus alias quidem attrahatur , fi autem aquam in fe contineac repeliatur. Qualibus Phcenomenis hoc ad minimum comprobatur, a- liquam inter effefta diverfa efle slnalogiam, quse qualis fit, quousque fe extendat , conjefturis obfervacionibus con- firmandis , non precario & arbitrario modo definiendum. Inquirendum v. g. occaflone obiervationum prolatarum , num forte omnia repulfionum Phoenomena eodem modo ex minori attradlione posfint explicari ? Si id fieri ne- qucat, quam habea: reiationera vis repellcns ad actiahen- tcm? OVER DE ANALOCIE, ENZ. 159 op elkander hebben 5 en volgens welke eene Wet derzelver uitwerkingen zamenhangen , of elkander vervangen ; en of anders zommige dee- len anderen niet altoos aantrekken of afflooten , of eerst aantrekken , en daarna afflooten ; en waar de veranderingen der uitwerkiagen voor- namentlyk van af hangen ? -Somwylen fchynt de Analogic tusfchen verfcheiden uitwerkingen be- vestigd te worden door eenige uitwendige over- eenkomst of eenvoudigheid. Dus , naademaal het geluid niet veroorzaakt word door uitvloei- jingen uit het geluidgeevende ligchaam , bragt de Analogic CARTESIUS op zyne gedachte van het licht 5 welke nochtans door de agtereenvol- gende voortzetting van het licht wederlegdword. 'Er is'er echter , die met den grooten EULER meenen, dat het licht in een dunner lucht, en die meer veerkrachtig is 9 voortgezet word. De- zer gevoelen zal eindelyk tot zekerheid gebragt worden 5 wanneer men aantoont , dat de uit- wer- tcm? Qua Icge earum efFedla vel connedantur, vel femu- tuo cxcipiant ? Utrum nonnuliae particulai alias femper vel attraharu, vel repellant , aut mine attrahant mox re- pellant ? Uncle mutationes efFeftuura praecipue depende- ant ? Quandoque convenientia aliqua exrerna aut fimpli- citace videtur Analugw inter diverfbs efFeftus confirmari ? Jta cum fonus non producatur emisfione effluviorum e cor- pore fonoro emanantium , Analogia CART ESI o fuam de luce opinionem fuggerebat , quas licet fuccesfiva lummis propagatione refellatur , funt tamen qui cum fummo EU- LER o lucera in medio acre rariori , magisque elaftico propagari cenfent. Quorum fenteniia ita demum ad cer- titu- II. ANTWOORD op BE VRAAGB werkingen van het licht aan deeze voortzetting gunftig zyn , of ten minften dezelve niet te- genfpreeken. Maar fchoon men tusfchen het Licht en het Geluid , ten opzichte van eenige uitwerkingen eene groote Analogic vind , ( toe welke men brengen kan , dat 'er zeven couleu- ren zyn , gelyk 'er zeven toonen in eene odlaav zyn , en dat de ruimten 5 die de verfchillende couleuren beflaan , onderling in dezelve even- redigheid zyn , als de lengten der fnaaren ? die met zamenflemmende toonen overeenkomen , ) wyl echter het Licht niet zylings afwykt , en men nooit gezien heeft 5 dat het door kromme lynen liep , gelyk het Geluid , fchynt 'er een verfchil tusfchen hunnen voortgang plaats te hebben. Derhalven, ten ware men konde aan- toonen , dat eene grooter ylheid in de luchtdeel- tjes , en dus eene mindere zamendrukldng en veerkracht, welke die der lucht verre te boven gaat, tirudinem perducetur , fi oftendatur efFedla lucis tali pro- pagaiione favere, vel certe illi non contradicere. At li- cet inter Sonum & Lumen magna quoad nonnullos efFedus Atmlogia obfervetur , ( quo referri poteft , quod feptem Tint colores , quemadmodum toni Mufici in odava , mulcis inter fe rebus dff- ferre , ufui Temper erit tamen Analo^ia, (i tantum ea fol- licite a fc hi? icem diftinguere noveriraus , quae conftan- tiae Lcgum . immutabilitatique ordinis a Deo ftabiliti de t>entur, ab aliis , quas grafam veiam varietatem nauirae- que in ea magnificcntiam , & foecunditatem prpbanc. Non alienum a re erit oonnulfis hoc exemplis illuftrare. Furrunt qui plantas ex putri nafci , fortuitoque cauflarum concurfu generari putaverunc , quorum ineptam opinio- nem OVEI; DE ANALOG1E, ENZ. 167 gen zamenloop van oorzaaken ontftonden; welk onzinnig gevoelen de Analogic alleen genoegzaam tegenfpreekt ; want los door elkander gemengde oorzaaken konnen geene regeknatige uitwerkin- gen voortbrengen ; veel minder kan 'er eene uitwerking voortgebragt worden , die het ver- bazend werktuiglyk zamenftel der bewerktuigde ligchaamen nabootst ; ook ziet men in de uit- werkingen , die uit eene fpeeling der Natuur voortkomen , zoo veel konst niet , dan in de pringfte Planten. Ook lochend niemand , dac de Planten , ten minften de meeste , uit haart Zaaden voortkomen , en wy hebben geene re- den , om dit niet op alien toetepasfen. Want de reden ? vvaarom de Planten uit haare 2Jaadeni voortkomen , is 5 dat de ftoffe , volgens alge- meene Wetten bewoogen, tot werktuiglyke lig- chaamen vooittebrengen ongefchikt is ; en niet meerdcr genoegzaam tot het voortbrengen van de grootite , dan van de kleinfte Planten , in wel- r.em tola luffid'jnter refcllit Analogia. Nulius enim caus- iliruni temero p.-;nrJxtarum cffcrfus regulans , tancoque rn pus qui Oup^ndam or^anicorum corporum (truduratn imicecur , protierri poteft , nee in iis quae lufui naturae dc- bentur tar*-?* 5 r -'Mifpicitur ars , quanra in vilislimis plantis. Przt*i^-j p!7.r.aique iaitem ex fuis oriri feminibus ncgat nemu , iic v ulla eil ratio cur hoc non omnibus ap- pliceJBus. Car (nim ptantae ex fuis oriancur feininibus , ejus cauf r -i eli , quod marci ci fecuodum generales Lrc;es roota ad f^rmanda corpora Organira mepca fit; nee magis lufficiac rnc.xirni.'i quim minimis planris , in quibus baud L 4 ces- i68 II. ANTWOORD OP BE VRAAGE welke laatften geene mindere konst doorftraalt, Jndien nu zekere Waarneemingen tegen het ge- tuigen der Analogic zouden konnen gefteld wor- den , zouden wy moeten erkennen , dat men nicer op de Waarneemingen , dan op de Ana- logic moest betrouwen. Maar om dat wy de Zaaden van zommige Planten niet konnen ont- dekken, kan men geen befluit trekken, dat die Planten niet uit Zaaden voortkomen , vvyl 'er zo veele andere dingen in de Natuur gevonden worden , die onze Waarneemingen ontfnappen. Dit nochtans , dat in zommige Planten , die ee- igen meenden , dat geene Zaaden hadden , de- ^elven eindelyk gelukkig ontdekt zyn , b. v. in de Flab (///g#), Eendekroos (Lens paluftris^). Dit 9 ( herzeg ik > ) toont allerduideiykst aan , cum tot alia occurrant in natura, qua? obfervatio- |ies noflras effugiant. Illud autem quod in nonnuljis plan- tis, quas carere ferr mibtis aliqui arbitrabantur, ea tandem Jeliciter flnt detetta v. g. in alga, lente, paluitri, often- dit evidenter omnes noftras obfervationcs verfus hoc ve- ritatis punclum vcluti convergere , non dari generationes squivocas a & incertns , fed eas efle determinatas , 6c , quod nifrita effet baud poflfec intelligi cur OVER DE ANALOGIE, ENZ. 169 welk, indien zo niet was, men niet zoude kon- nen begiypen , waarom 'er niet zomtyds eenige n^-euwe iborten van Wezens ontftaan , en an- dere verdwynen. Dezelve Analogic , die de tdubbelzinnige voortteelingen vernietigd, fpreekt ook de veranderingen der Planten , in andere verfchillende foorten tegen. Want 5 men be- grypt ligtelyk , dat 'er geen reden kan gevonden .worden , waarom zulke herfcheppingen niet zom- tyds 5 ja dikwerf noch in alle foorten zouden voorvallen ; en waarom ook niet in de Dieren. Waarom by voorbeeld zouden , gelyk fommi- gen gedacht hebben , de Boomen in Lamme- ren , de Bladeren in Vogelen , de Vruchten in Wormen , de Craanen in Muizen niet konnen veranderd worden. En indien dit niet te- gen de Natuur der zaaken ftreed , dan zou hee ook gemakkelyk konnen gebeuren , dat de Plan- ten Menfchen voortbragten. Schoon nu dit ge- voeien (omtrent de vqortteeling de Planten) is , non novae rerurn fpecies certis temporibu^ oriancur , aliae- que intereant. Radem Anakgia quse deftniit generationes arquivocas , refcllit etiam plantarum in alias fpecies diver- fas transmucationem. Facile enim intelllgiturnullamproi- fus etcogitari pofle rationem ,- cur > fi tales Metamorpho- fes quancioque , non eriam fepius , nee in omnibus fpe- ciebus concingerent , imo , cur non in ipfis etiam animan- tibus. Cur v. g. tic nounulli piitarunc, arbores in agnos, frondes in aves, frudtus in Venues, grana in inures trans- formari non poflent , qure fi nature rcrum non repugra- rent , facile etiam futurum diet", uc puintjsc homines gi- gnerent. Licet itaquc opioio ilia non fuiO^c obfbrvationi- !..- i bus 170 (II. ANTWOORD OP DE VRAAGE al eens niet door waarneemingen , die met zeer veele naauwkeurighcid , ja meer dan de zaak waardig is , gedaun zyn , tegengefprooken wierd , zoude de Analogic alleen deszelvs valfchheid aantoonen , en Icercn , dat het veiliger is onop- lettenheid in zommige Waarneemers, of kwaa- de trouwe te onderftellen , dan zulk eene on- flandvastigheid in de Natuur , die tegen de vvaa- re order ftryd ? te vermoeden. Want het ftryd niet tegen de order der zaaken , dat in het Die- renryk Muil-Ezels zyn f en in het Plantenryk Planten , die op dezelve wyze voortgeteeld zyn ; wyl men , om Muil-Ezels voortteteelen , Die- ten van verfchillende Sexe , die in foort niet veel verfchillen ; en zulke Dieren en Planten , of onvruchtbaar zyn , of indien "er cenige (ge- lyk zommige meenen) konnen voortteelcn, 'er echter door pairing van Mail - Ezels 9 van ver- fchiliende foort , geen nieuwe foorten tot in het oneindige voortgeplant zouden worden. De bus accaratisfimc , imo juflo fcrupulofius inflitutis confu-\ tata , Tola cam Anal^ia fal&atis arguitTec , docuiircc que tutius eile incuriam in obfervatoribusquibusdam, veletiam jnalain ficlem , quam tantam in natura inconftanciam , or- uini vero rcpugnantem fufpicari. Quod enim fint in re- gnd Animali mull , ten of inenten, voortgeteeld worden, ftryci het tegen de Analogic niet , dat zommige Dieren 9 en de Polypen , op dergclyke wyze voorttee- len 9 wyl de Wet van agtereenvolging , wel- ke de Natuur altoos bedoeld , ons overreed 5 dat 'er zulke foorten konnen en moeten be- ftaan , die door deeze eigenfchappen tot het Dieren-, en door andcren tot het Groeibaare Ryk behoorende, dceze beiden, als het waare, verbinden. En inderdaad de groote LEIBNITZ , zegt men , dat de verwondeflyke eigenfchappen der Polypen voorzegt heeft : De algetneene eindoogmerken der zaaken moeten van de by- zondere 9 en de middelen moeten van de ein- dens naauwkeurig onderfcheiden worden. De Analogic immers word met beter uitflag op de algemeene , dan op de byzondere , beter op de eindens , dan op de middelen tocgepast. En het que efle. Ita cum plants propagentur tarn ope gemmae , five oculi , quam per iniitionem, baud fane Analogies na- turae repugnat animantia quaedam , & Polypos , fimilibus propagari "raodis , cum ipfa lex continui \ cujus Natura rationem Temper habet , fuadeac exiftere pofle , imo de- here, tales fpecies , qua; his proprietatibus ad Animale , aliis ad vegetabile regnum pertinendo , diverfa ha?c regna veluti conjungant* Sane fummus LEIBNITIUS admiran- das polyporum proprietates dicitur prajdixifTe. Fines re- runs generates a peculiaribus , media a finibus , follicite diftingui debent. Felicius enim Slnalogia applicatur ge- neralibusj quam fpecialibus , finibus, quam mediis, JN T a- tu- OVER DE ANALOG IE, ENZ. 175! het is zo zeker , dat de Natuur zeer wysfelyk voor de behoudenis der foorten gezorgd heeft , dat het geheel dwaas zoude zyn dit in twyffel te trekken ; maar zy bereikt het zelve algemee- ne einde door verfcheideu middelen na de ver- fcheidenheid der Dieren. Men kan derhalven uit het geen men in een zeker zamenftel van deelen , in eene foort van Dieren ziet , beflui- ten dat hetzelve tot hun behoud noodzakelyk is , maarniet dat andere foorten ,, fchoonnaby dezel- ve , juist mede zulk een zamenftel hebben ; by voorbeeld de Ganzen, Hoenders, Eenden heb- ben eene zeer dikke Maag 5 die zeer vleezig is, doch dit vind men met in de Roofvogelen , in welker Maag de fpyzen door een maagfap zag- ter gemaakt en ontbondcn v/o, "l?n. Men be- grypt ligtelyk , dat het zelve eindo door ver- fcheiden middelen bereikc kan v\o: J.t'ii 5 maar men kan van de Analogic dei tide midde- !en turam confervationi fpccierum om 1 i i ir.i fcpionter prospc- xifle tam certum eft , ut ftulcurn -f rorfus force id in du- bium revocarc ; at eundem fin en? gcncralcrn variis prcrfus pro diverfitate animantium affequitur n^cdiis. Ex eo ita- que quod in aliqua animantium Ipccic ccrta partium fcruc- tura obtineat , colligere quidem licet cc rdern efie ad cjus confervationera neccflariam , non autcni alias etiam fpe- cies quantum! ibet vicinas endem gruc'c ::. Eft v. g. in anfenbus, gallinis, anatibu? ventriculus crasOsfimus, mire carnofus , non autem in volucribus rapacibus , In quarum ventriculo cibi a fucco gaftrico crrujJtJiintur. Ubicunque facile intclligirur potuific eundem finem diverHs obtineri ncdiis , ab Analogic Mediorum cognitorum ad 176 IL ANTWOORD 01- DE VRAAGE len tot de onbekende niet redeneeren. De Aarde verder van de Zon afitaande , dan Venus of Mercurius , heeft haaren Wagter ; Jupiter en Saturnus hebben de hunnen ; kan men hier uit befluiten , dat Mars , die verder van de Zonne af is dan de Aarde , ook zynen Wagter hcbbe ? Immers zeker niet , vvyl dit ontbree- ken van eenen Wagter , ligtelyk door andere iniddelen kan verholpen worden , en wy alle de wyzen van handelen der Natuur niet kennen. Onder die , welker zamenhang wy niet fchy- nen te konnen ontdekken, moeten wy ook geen moeite doen ? om dezelve aan de Analogic te onderwerpen. Wie, byvoorbeeld, zaluitde uitwendige gedaante van eene Plant bepaalen , of zy een onderfcheid van Sexe toelaat ; wie zal haare krachten bepaalen ? Wie zal uit de grootheden der Dwaalfterren , of haare afflan- den van de Zon, de Tyden der dagelykfche om- argumentari baud !icet. Terra ma,2:is a Sole quam Mer- curius & Venus remota Satellitem fuum habet , quibus gaudent Jupiter etiam Saturnusqm* Num ex hoc colli- fi potefl fuum Martem etiam habere Satellitem , magis a ole quam tellurem remotum ? JNon certe ^ cum defec- tus ejus facile aliis modis fuppleri pptueric, tiec nobis om^ nes naturx agendi ratipnes fint perfpeftas- Inter quae nul- la connexio detegi videcur pofle , de iis Analogic fub- mittendis , nequidecn laborandum eft. Quis v. g. ex ex- terna plants forma definiet utrum fexus discrimen admit- tat , quis vires cjusdem colliget ? Quis feu ex magnitu- dine , feu diftancia Planetarum a Sole, revolutionis diur- 1133 OVER DE ANALOGIE, ENZ. 177 omwenteling bepaalen ? Men moet altoos deii* ken , dat men op alle mogelyke wyzen de ei- genfehappen der gefchaapen Wezens moet on- derzoeken , en niet ten eerften op eenige niter- lyke overeenkomst moet blyven ftilftaan > want *er voegd zich dikwyls eene groote ftrydigheid van hoedanigheden by eene uiterlyk overeenko- mende gelykheid. 'Er zyn by voorbeeld doo- delyke Planten > die de gedaante van heilzaame hebben. Het zal ons vooral veel helpen 5 de meer byzondere en zeldzaame verfchynzelen wel te fcennen 5 om te weeten 5 hoe verre het onder- fcheid van gelyke zaaken zich uitftrekt , en aan welke uitzonderingen de regels 5 die algemeen fchynen konden 5 onderworpen zyn ; op dat wy uit geen willekeurige Analogic dat geene zou- den willen afleiden , dat uit enkele waarneemin- gen pa? tempera determinabit F Perpendendum Temper eft ; in proprietaies rerum omnibus modis , qui in noflra func poceftace , efle inquirendum , nee externas cuidam conve- nientiae prscipitanter acquiefcendum. Excernx enim fi- ri uudini maxima fe quandoque jungle qualicatum rcpug- nancia. Dantur v, g. Plants lethales , falubrium fpeciem mebtientes. Juvabit praecipue fingularia, & rariora Phoenomena per- fpeda habere , ut fciamus quousque rerum , licet firai- lium , diverlitas fe extendat ? Qualibus regulae, qua? ee- nerales videri poflent, exceptionibus fint obnoxiae ? rJe ex arbitraria Analogic conficere velimus , quod ex Soli* XXIL Decl. U gbn 173 II. ANTWOORD OP DE VRAAGfi gen moet geleerd worden. De Analogic ech* ter bedriegt niet , fchoon toegepast op verfchei- den foorten van natuurlyke ligchaamen , ter- wyl wy zien , dat door derzelver verfchil gee- ne hoedanigheid of wet veranderd word. Het word door zeer A r eele waarneemingen , in het Dieren- en Planten-Ryk genomen , geftaafd , dat de bewerktuigde ligchaamen uit eene te vo- ten gevorrade floffe hunnen oorfprong hebben. De Waarneeming van den onfterfelyken HAL- LER is bekend, doorwelke hy beweezen heeft dat het geel of de dooijer van het Ey het In- gewand van het Kuiken maakt ; oin van veele anderen niej te fpreeken. Wat nu kan men uit die en veele andere dergelyke waarneemin- gen befluiten ? Zeker dit : dat fchoon verfchei- de foorten van Dieren en Planten op verfchei- de wyzen konnen voortgeplant worden , ech- ter ieder bewerktuigd ligchaam vereifcht , dat het obfervationibus difcendum eft. Baud vero fallit Jlxalogfa diverfis licet rerum naturalium fpeciebus appiicaf a , cum aliquam feu qualitatem , leu legem varietate earundem non rcutari' intelligimus. Corpora organica ex prisbforma- ta oriri materia plurimis obfervationibus 3 in reeno Ari- mali , & vegecabili captis confirmatur. fs'ota ell immor- tal is HALL'ERI obfcrvatin , qua comprobavit fla-vam ovi partem inteftina pulli couftituere , ut plures alias tacca- mus. Quid aucem ex ea , aliisque affioibus cum ratione conficitur ? Hoc certe , diveifas quidem AniTiarium , Plantarumque fpecics variis modis propagari pofle, at hoc . cuique organico corpori competere, illud nonnifj ex prae- formata oriri pcffe matejia , feu ilia fit hie ibique , ut non- OVER IE ANALOGIE , -fcNz. 179 het niet kan gebooren worden , dan nit eeft t6 vooren daar zynde floffe 5 het zy dezelve hier en daar verftrooid zy > gelyk zommige meenen , h >t zy beflooten in en oneindig getal van in elkander beflooten Eijeren ; want tot dit punt zien wy dat alle waarneemingen zamenloopen > en \vy hebbm geen reden om te gelooven , dat deeze algemeene Wet aan uitzonderingen zou- de onderhevig zyn ; vvyl zelv de gewoone ver- menigvuldiging der Polypen door deeling , met eene te vooren daar zynde bewerktuigde (loffe, -kan overeengebragt worden. Verder moet men de algemeene , het zy wetten of hoedanigheden , wel onderfcheiden van die , welke uit de verfcheidenheid der fooit vooftvloeijen. Deeze toonen de order en de ftandvastigheid der Natuur 5 en geene derzel- ver vruchtbaarheid , die men niet genoeg be- wonderen kan. Even als de zwaartekracht de Ver- lionnullis placet , difperfa , feu ov.is , fe mutuo in infini- turn continentibus, inclufa. Verfus enimhocpundumom- nes obfervationes convergere animadvertimus , nullamqua rationem habemus fufpicandi generalem hanc Legem ex- ceptionibus obnoxiam efle, cum ipfum Polyporum divi- iionis ope perfici folitam multiplicationem , cum materice Organicae praeexillentia conciliari pofle intelligamus. Generales proinde feu qualitates 5 feu leges 5 ab jllis qux diverfltati fpeciei debentur , funt follicice tliftinguen- dx. llliB enim probanc ordinem , & conilantiam Natu- ne, has foecunditatem nunquam fatis adrairandam. .Uc M i g ra ' II. ANTWOORD OP DE VRAAGE Verfchynzelen in het Waereld - geftel voort- brengt , dus brengt de prikkelbaarheid ( /m- tabilitas ) de Verfchynzelen van het Dierenryk voort. Gelyk de zwaartekracht werkt op Sa- turnus en de Aarde , zo werkt de prikkelbaar- heid op den Menfch en het geringfte Dier. Wanneer 'er eene hoedanigheid , of eene Wet ontdekt is , die niet af hangt van de verfchei- denheid der foorten , maar die aan de algemee- ne eindoogmerken verbonden is , behoefd men niet te vreezen , om dezelve zoo verre uit te ftrekken , als zy , zonder eenen fprong te maa- ken , fchynt uitgeftrekt te konnen vvorden ; op dat ons niet het zelve gebeure, als den grooten KEPLERUS , die , na de waare gedaante van den loopbaan der Dwaalfterren ontdekt te hebben , zyne uitvinding niet op de Staartfterren durvde toepasfen , als zynde door eenige vooroordee- len verhinderd. gravitas producit fyflematis mundi , Jta irritabilkas regnt .Animalis Phoenomena. Ut ejas eadem eft caufla in oa- turno 9 & Terra , ica hujus in homine , & vjlisfimo Ani- mali. Cum lex aliqua, aut qualitas, a diverfitate fpecie- rum non dependens , fed cum generalibus connexa fini- bus detedla eft , non eft verendura earn eousque exten- r 5 -e , qupusque fine faltu videtur extend! pofle, ne fecus idem nobis , quod lurnrao KEPLERO , eveniat, qui poft- qjuin veram orbitae Planetarum figuram detexiflet , in- vencum ftium prasjudiciis quibusdam impeditus , comecis applicare non cit aufus. Tato OVER. DE ANALOGIE, ENZ. ilr Wy fchynen ook veilig uit de Analogic te moogen redeneeren , wanneer de daar uit afge- leide redenen , door de algeraeene Aqafagia der Wezens , of door derzelver pvereenkomst en zamenflemming bevestigd word. Dat de Dwaalfterren 5 by voorbeeld, door redelyke Wezens bewoond worden , word daar uit niet alleen opgemaakt , om dat zy gelyk zyn aarr onze Aarde , maar ook , om dat niets in de Na- tuur .onvrugtbaar of onbruikbaar is , maar alles zyn gebruik heeft. Maar wat aangaat de ge- daante en de levenswyze derlnwoonderen, het geen zommige 'er van gezegd hebben , zyn lou- tere gisfingen , wyl wy geene paalen aan de vrugtbaarheid en verfcheidenheid der gefchaapert Wezens in de Natuur ftellen konnen; waar uit ook kan opgemaakt worden , dat dit gevoelen niet kan verzwakt worden , het zy door het ver~ fchil, dat 'er tusfchen de Maan en de Aarde is, het Tuto ctiam ex Analagia videmur arguraentari pofle, cum rationes inde petitae univerfali rerum omnium Analo- gia , vel harmonia confirmancur. Planetas v. g. a creaturis rationalibus habitari , non tantum ex eo colligi- tur quod telluri noftras fint fimiles , fed etiam quod nihil fit ftenle , nihil incultum , in Narura, omnia habent fuos nfus. Quae vero de forma , moribus incolarum , quos ha- bent , a nonnullis funt probata , merse funt conjedlur^ , eum non posfint a nobis fines naturae fcecunditati & varie- tati rerum poni. Ex quo etiam intelligitur non pofle earn opinionem labefadlari vel diverfitate quae inter Lunam tel- luremque incercedic, vel eo, quod fi Planetis incol* de- beant adfcribi , tyjn ne Cooietis quidem fiut deuegandi , M 3 quod i8a II. ANTWOORD OP DE VRAAGE het zy door te ftellen , dat wanneer men In- woonders aan de Dvvaalfterren toefchryft , men dezelve aan de Staartfterren niet weigeren kan , het geen niet fchynt te konnen zyn , wyl de Staartfter van 1680, zoo na by de Zon geweest is , dat deszelvs Inwoonders zouden hebben anoeten verbranden , gelyk de Heer D'ALEM- BERT redeneert. Want het geen uit de algemee- ne eindoogmerken , en uit de order van zaaken te regt befloten word, kan wegens de verfchei- denheid der dingen , die altoos ons begrip te bo ven gaat, niet in twyffel getrokken worden. Wy moeten de Analogle ook niet mistrou- wen 9 fchoon de gelykheid tusfchen verfchei- den gedagten en foorten , ten opzichte van het eene of andere Wezen , zoo volmaakt is , dat vvy zien , dat het verfchil , dat ons voorkomt, niet bekwaam is om dezelve te verbreeken. De werkingen van fommige Dieren en hunne lede- maa- quod videtur non pofle fieri, cum Cometa qui Anno i65o, apparuit , t'am propc ad Solem acceflerit, uc incolae ejus exuri debuiflbnt , prouci Argumentatur C!'ALEMBERTIUS, Ea enim quse ex gcneralibus finibus , ordineque rerum omnium jufte colliguptur, non poflunt ob folam diverfira- tem rerum , qus major Temper eft quam ut a nobis con- queat , in dubium revocari. Nee proinde Analogies debemus diffidere cum flmilitu- do inter diverfa licet genera , & fpeues refpcdlu rei ali- cujus tarn perfecta eft , ut diverfitatem quas occurrit ni- \\\ ad earn infringendum valere baud difficulty intelliga- OVER DE ANALOGIE, EMZ. 183 maaten komen met de onze zo overeen , dat men niet kan twyfFelen , dat zommige banner met eene gevoelige ziel, en zelv met zekerverftand begaafd zyn: maarhetiszeker, dathetverfchil, dat wy met onze oogen zien , uit de verfchei- denheid der ligchaamen , der hersfenen , ja uit de verfchillende ziels-vermogens 5 kan en moet verklaard worden, wyl de gewaarwording {fen~ fatio ) , van dewelke 'er zulke doorflaande be- wyzen in dezelve zyn , geen grooter Analogies met de beweegingen van eene logge floffe heeft % dan de kennis {cognitio*) ; maar de natuur del-, zaaken zelve , fteeds door verandering beftaan* de 5 verfcheidenheid vereifcht. Waaruit (om 'er dit ter loops by te voegen) men begrypeu kan , dat de onderftelling van hen die meenen , dac de zielen der Menfchen en van alle Dieren volmaakt gelyk zyn, en de verfcheidenheid der h.indelingen alleenuit hetverfchilderligchaameii aflei- i-nus. Brutorum nonnullorum operationes , rnembraque w noftris tarn Analog funt , ut ea Anima fentiente, imo etiam incelligentia qundam praedita gaudere non posfic du- bitari , diverlkatem autem quas incurrit in oculos ex va~ rietate corporum , cerebri , imo & ex diverfis Animarum vinbus , pofTe (Sc debere explicari certura eft , cum non m'ajorem fenfatio , cujus cot in cis lunc indicia , cum mo- tibus materise incrtis , quam cognitio Analoiam habeat, diverfitaccm autem rerun} ipfa nacura , varietate gaudens* requirat. Ex quo , uc obiter addamus , intelligi poteft cor urn hypothefin , qui Animas hominum , Animantium- que omnium perfedeiimilesedecenfenc, operationumque a Sola diverfiuce corporuin repecunc, cojjftan- M 4 ti i8 4 II ANTWOORD OP DE VRAAGE afleiden , aanloopt tegen de flandvastige Anahgie. der Natuur van de Wezens, die met de onver- anderlykheid der Wetten altoos verfcheidenheid paart , en die niet minder in vrugtbaarheid dan eenvoudigheid haar vermaak fchynt te vinden. Tot dus verre handelden wy over de toepas- fing der Analogic op zekere algemeene Eigen- fchappen , die door vergelyking der uitwerkin- gen moeten ontdekt , en aan elkander verbon- iden worden , en de verfchillende verfchynze- len ? tot dezelve Wetten te brengen , en de overeenkomst der zaaken zelv in haare verfchei- denheid waarteneemen en te erkennen. Thans blyft 'er nog overig , dat wy kortelyk nagaan , op welk eene wyze deeze Analogle kan toege- past worden , om de algemeene Wetten der Beweeging te vinden of te betoogen ; de uit- wer- ti Analog* Nature rerum , varietatera , Legum immuta- bilitaci femper jungentis , fcecunditaceque baud minus ac ilmplicitacc gaudentis, repugnare. Egimus de applicatione Antilogi ad generales quasdim prop'rietatcs effe&uum collacione detegendas , casque in* ter ic conne^lendas, Phoenomena diverfa ad easdem leges rrvocanda , & convenfentmm rerum in ipfa eavundc'^ di- verfitate obfervandam, ac agnoscendam. Rcftare vide- iur , ut quomodo ea generalibus motus legibus invenien- dis, auc dcmonftrandis , effeaibus ex fuis caufis expli- can- OVER DE ANALOG1E, ENZ. 185 werkingen uit haare oorzaaken te verklaaren , onderflellingen uittevinden of te onderzoeken. Het is bekend , dat de werktuigkundige Wet-, ten konnen gebragt vvorden tot de traagheid i tot de zamenftelling der beweeging , en tot het evenwigt der ligchaamen. Dat de ligchaameit eene traagheid hebben , maakt men op uit de Analogic, die op waarneemingen fteunt; wyl men ligt begrypt , ( wat ook fommigen volgens Pater BOSCOVISCH meenen mogen , ) dat de ligchaamen niet van zelv uit de rust in de beweeging overgaan , noch de rigting en fnel- heid die zy verkreegen hebben , uit zich zelve konnen veranderen ; het welk ook zeker de re* den is 5 waarom 'er order in de verfchynzelen waargenomen word , en dat 'er geen willekeu- rige , maar zekere en bepaalde veranderingen in de gantfche Natuur gebooren worden. En op de- zelve wy ze geeft de Analogic zelve de wetten der za- candis , hypothcfibusque excogitandis , vel examinandis adhiberi posfit , paucis exponamus. Leges Mechamcas revocari pofle ad inertiam , Coinpofitionera Mot us , & ./Equilibrium Corporurn , norum eft. Inertiam vcro com- perere debere corporibus ex ipia Analo^ia , obfervationi- DUS innixa , eolligicur , cum facile iutelligatur C^uidquid nonrmlli cum Huscovicio velintj corpora nee ex quiete ia inotum fua fe fponte conjicere ; nee dire&ionem , & cele- ritatem quam habent immutare pofle , quae fane eft ratio cur ordo in Phoenomenis obfervetur , ncc qualescuhque rnutationes , fed cercae , i poteft quam quod itatuere coaftus eft ille : Corpora asqualia eadem in fe celeritate incurrentia , ucraque eadem qua ante colliflonem prsdita erant raotus quantitate refilire, li autem Mafia unius vel tantillum minuatur , turn futurum cfle ut corpus minus quidem asque ut in priori cafu refiliac , majus autem in- fua celencate in taudern j'lagara, in quam ante iocur- i8t II- ANTWOORD OP DE V&AAGE het grootfte met zyne geheele fnelheid , met welke het voor de botfing bewoogen wierd , in zyne beweeging zal voortgaan , volgens dezel- ve ftreek , die het voor de botfing had. Want wie zal konncn denken , dat de Natuur zich zelve zoo ongelyk is , dat zy door de minfte verandering van omftandigheden , uitwerkingen voortbrengt , die vlak tegen elkander aanloopen ; daar het veeleer ligtelyk te zien is , dat de ver- anderingen der Verfchynzelen moeten gefchikt zyn na de veranderingen der oorzaaken. Hieruit kan men ook gemakkelyk opmaaken , wat het gebruik der Eindporzaaken is in het uit- vinden of betoogen van de Wetten der Werk- tuigkunde. Want , offchoon men niet kan loo- chenen , dat de algemeene Wetten der Bewee- ging overeenkomen met de hoogfte Wysheid , ftaat het nochtans ons , die onweetend zyn van de oogmerken Gods, niet vry, uitdat, hetgeea meer fum ferebatur , moved pergat. Quis enim tarn male fibi conflare naturam fufpicabicur , ut minima licet circum- ilantiarum mutatione efFedus tarn fibi e Diametro con- traries producat , cum potius facile apparent mutationes Phocnomenorurn variarionibus cauffarum attemperatas es- ie oportere. Ex quo etiam intelligi poteft quis fit cauffarum final?urn in Legibus Mechanical inveniendis , vel demonllrandis ufus. Utut cnim negari nequeat generalesl motus leges perfeftisfimas fapientiae convenientes effe , neque tamea nobis in finium divinorum igaoracione verfantibus ex eo quod OVER DE ANALOGIES ENZ. 189 meer met de order en eenvoudigheid der Na- tuur overeemkomt , te befluiten , dat het we- zentlyk zo is; ten zy die gisfing door Waarnee- rningen geftaafd word , van welke Waarneemin- gen de voorzichtig redeneerende Wysgeeren fchynen te moeten beginnen , en dus eindelyk tot de befchouwing der Goddelyke Oogmerken te moeten opklimmen , wyl anderszints de toe- pasfing der Eindoorzaaken 5 noodwendig onze- ker , willekeurig ? en aan geduurige tegenftry- digheden onderworpen word. De twisten over de Wet van Geduurzaamheid konnen hier ten voorbeelde ftrekken, Wyl men daarop in de botzing van twee harde ligchaamen niet fchynt gelet te hebben 5 heeft dit zommigen doen overhellen 9 om aan alle ligchaamen eene Veerkracht toe te kennen ; anderen , om alle aanraaldng der ligchaamen te loochenen , die zeker echter beter zouden gedaan hebben met de quod aliquid ordini , & fimplicitati naturas magis conve- niens videatur , ftatim conficere licet idem revera obti- nere , nifi conjedura obfervationibus confirmetur , a qui- bus fobrie philofophantibus videtur efle incipiendum , & ka demum adconiiderationernfiniumdiyinorurnadfcenden- dum , cum fecus finallum caufarum applicacionem reddi oporteat incertam , vagam , perpetuisque controverfiis obnoxiam. Exemplo efle poflbnt dispucationes de Lege continuitatis , cujus cum in collifione durorum corporuni baud videatur haberi ratio ? id nonnullos induxic ad elafti* citatem omnibus corporibns adfcribendam , alios ad om- nem corporum contaclum negandum, qui reclius fane ob- fervationibus \eram Jiujus legis ad effecla applicationem It. ANTWOORD op DE VRAAGE de waare toepasfmg van deeze Wet op de uit* werkingen vooraf door Waarneemingen te bepaa- len , voor dat zy 'er zulke gevolgen uic trokkeru En inderdaad , het is niet beneden den Wys- geer of 2yns onwaardig , de overeenkomst deir algemeene Wetten , door Waarneemingen ge- Itaafd , met de Goddelyke Wysheid , in voile daglicht te zetten , of ook eenige zaaken , uit haare order en eindoogmerken nan een yder ten eerften blykende 5 te gisfen of te vermoeden , maar het is niet geoorloofd eenige Wet voor algemeen 5 zeker *en onveranderlyk op te gee- ven , ten zy die door de ondervinding en de Anakgle , met dezelve overeenkomende , en niet ilegts door redeneeringen , die fchoon fchy- nen 5 bevestigd worde. Hy die de veranderingen , welke in de tuur voorvallen 5 uit de gedaante der Ligchaa- 'men, uit him zamenftel, botiing en onderlinge wer- definiviflent , prlusquam tales ex ea confequentias elicuir* fcnt. Haud fane eft indignum Philofopho legum genera- lium , obfervatipnibus confirmatarum convenientiam cum divina fapientia in lucem protraliere , vel etiam nonnulia ex ordine rerum , finibusque, ^n oculos cujusvis incur- rentibus , conjicere 5 fufpicari , yel colligere , non autem licet Legem quamcunque pro univerfali , certa , & invio- labili, venditare, nili experientia, & Analogia illis actera- perata, non folis rationibus fpeciofis, confirmetur, s Qui mutationes quae in Natura rerum contingunt con- venieuter generalibus Mechanices Legibus , pfoprietati- bus* OVER DE ANALOGIE, ENZ. 191 werking konde verklaaren, overeenkomftig met de algemeene Wetten der Werktuigkimde 5 en met de algemeene eigenfchappen der ftoffe, die zoude de waare oorzaaken der Verfchynzelen kennen. Maar zoo verre is de menfchelyke kundigheid niet gevorderd : en , men twyffeld met reden , of zy ooit zoo verre komen zal : want de eigenfchappen der ligchaamen, die dik- wyls genoeg voorkomen , en meer of minder algemeen zyn , gelyk de Zwaarte , de Veer- kracht 5 en veele andere 5 zyn noch door geen werktuigelyke reden klaar en duidelyk openge- legd. Schoon men niet kan twyffelen , dat ten minften zommigen eene werktuigelyke dorzaak hebben. Jaa men heeft zelvs tot noch toe niet alle de Verfchynzelen , tot deeze hoedanighe- den , die byvoegelyke ^ftwntfftrte ) mogen ge- noemd worden, kunnen herbrengen. De Wys- geeren nochtans meenen, dat het hen vry itaat te busque materiae univerfalibus, ex corporum figura, flruc- tura, 6t impulfu explicare poflec, is veras PhcenomenoruiTi caufas cognitas haberet. At necdum eousque pervenic humana cognitio , imo merito dubicatur an unquam per- ventura fit ? Proprietates enim ipfae fat is obviae , magis , minusque univerfales , quales funt gravitas , elaflicitas , & multag alis , a nemine adhucdum funt Mechanica ra- tione fatis perfpicue & fufficienter explicate, licet con- nullarum faltem adefle cauflas Mechanicas non^posfit du- bitari. Imo nee omnia Phcenomena ad qualitates has , qus fecundariqe dici queunt , reduci adhucdum potufc- runt. Licere tamen (ibi putant Philofophi tentare utruin Phenomena ex causfis quibusdam vel m fenfus incurrenti- bus ? H. ANTWOORD OP DE VRAAGE te beproeven , of zy de Verfchynzelen kunnen verklaaren uit oorzaaken , die voor de zintuigen vatbaar zyn 5 of die goedgekeurd worden door Anahgie 9 door middel van eene waarfchyne- lyke onderflelling , dewelke meer of min tot eene Natuurkundige zekerheid nadert. Het zal derhalven niet vreetnd van myn onderwerp zyn , kortelyk lets te zeggen omtrent het maaken , toepasfen, en beoordeelen van zulke onderftel- lingen. Men fchynt wel niet te moeten twyffelen , dat men, om zommige meer zteldzaame uitwer- kingen , werktuigelyk te verklaaren , eene ftof- fe te hulpe neemen moet , die fyner is dan de Lucht , en meer veerkracht heeft , en dat 'er zulk eene ftoffe aanweezig is 9 toonen de ver- fchynzelen der Electriciteit en anderen. Maar bus , vel Analogia comprobatis explicarc posfint , ope hy- pothefeos alicujus verofimilis, ad Phyficara certitudinem agis , minusque acccdentis. Haud itaque a propofito alienum eric nonnulla circa tales hypothefes formandas 4 adhibcndas, examinandasque obfervanda, in medium pro- ferre. De eo quidem baud videtur dubitandum efle , ad rario- res efFedlus Mechanice explicandos fecure materiam ali- quam aere fubtiliorem , majori praeditam elafticitate ad- vocari , qqam exiftere Phenomena eleftricitatis , aliaque probanc. At OVER DE ANALOGtE, ENZ. Maar wanneer de onderftelling eene byzoti- clere zamenftelling in de ligchaamen vereifcht , word zy valfch en verdagt , als de Waarnee- 1 fnmgen en de Analogic haar met toevallen. Want de Natuur bereikt haare eindens, op zoo vecle en zulke verfchillende wyzen , en zoo dikwyls door zulke , die in den eerfteft opflag tegen de meest gefchikte aanloopen , dat het niec zeer waarfchynelyk is , dat wy alleeit door gisfen de waare reden van haare handelin- gen zullen ontdekken. Dus fchynt het zeer na een harsfenfchim te zweemen , het geen CARTESIUS bedagt heeft , omtrent de deel- tjes der fyne ftoife , die fchroefs^yze met drie ftreepen gedraaid en uitgehold zyn ^ en dat die , welke van de Zuidpool koomen ? niet op dezelve wyze in een gedraaid zyn als die , \\ r el^ ke van de Noordpool koomen. Maaf de on- derftelling van FRANKLIN, een onderfcheid ftellende tusfchen de ftellige en oiukennende Elec* At ubi peculiarem in corporibus rtruduram requirit iiy- pothefis , fufpetla falfitatis redd^tur , nifi ei faveant ob- fervationes , vel Amlvgia. Tot enim tamquc diverfls modis natura fuos fines afiecjuitur, tarn fsepe ifs qiii pri* tna fronte accommodatisiimi videnrur contrariis , ut vix fit vcrofimile nos fola conjeftura veram ejus agendi rario- r,ern ddtedluros. Ita facile apparet figmentiim ret|olere ea ,' quae CARTESIUS, de particulis materis fubtilis , ti'ibus (triis in modum Cochlearum intortis , excavatis , & iis quae a Polo Auftrali veniunt , non in easdem partes in- tortis in quas funt ills , quas veniunc a Polo i'orcalf 5 commentus eft* Hypothecs autem FRAWKLINI, di- XXIL Deel. JN cri- II ANTWOORD OP DE VRAAGE Ele&riciteit , door de waarneemingen zelve aan de hand gegeeven zynde , is van die verden- king vry , en waardig , dat men Proeven doe , 0111 dezelve te betoogen , of te bepaalen. Maar indien ook de Waarneemingen en de Analogle aan een onderflelling gunftig fchynen , moet naauwkeurig onderzogt worden : Hoedanig zyn de beweegingen , die men aan de fyne ftoffe toefchryft ? Kan men uit de Eigenfchappen , die men aan dezelve toe- fchryft , en daar de Analogle niet tegenfpreekt , by voorbeeld , de fynheid , veerkracht , op eene verftaanbaare wyze verklaaren , hoe ea waarom de vereifchte beweegingen in dezel- ve ontftaan , voortgezet , en behouden wor- den ? Zyn ook de beweegingen genoegzaam * om de verfchynzelen op dezelve wyze en or- der voort te brengen 5 als men dezelve ziet ? Zoude crimen pofidvse ac negative eleftricitatis ftatuens , cum ab ipfis obfervationibus fug^efta fit, hoc vitio nonlaborat, dignaque eft cujus vel probandas, vel Iimitanda2 caufla ex- perimenta capiantur. Quod fi jam hypothefi obfervationes & Analogia aliquo faltem modo favere videantur , hsec follicite examinari de- bent. Quales fint motus fubtili materije adfcripti ? Num ex propnetatibus ei non inventa Analogici attributis, v. g. fubtilitate , elafticitate, mado intelligibili posfic explicari , <:ur, & quomodo motus requifiti in eaoriantur, propagen- tur, conferventur ? An motus illi fufficiant ad Phoenorne- isa eodem raodo & ordine quo obferyaniur producenda ? DB ANALOGIE, ENZ. 2oude men met het zelve recht geen tegeii- ftrydige bcweegingen aan de fyne ftoffe konnen geeven , en zoude de verfchynzelen , die te- gen de waargenoomene ftryden , even zoo ge^ makkelyk konnen verklaard worden ? Indien de verklaaring der zwaartekracht van CARTE- SI us aan deeze Wetten getoetst word , zal zy van zelv vervallen , fchoon zy door de Analogic der wateragtige Draaikringen eenizints fchynt te konnen worden opgehelderd. Want , a! eena gefteld zynde, dat 'er zulk eene beweeging der fyne ftotFe , evenwydig aan de Evennagtslyn $ plaats hebbe 9 dan zouden de zwaare Ligchaa- meri niet naar het middelpunt der Aarde , manr naar de middelpunten van verfcheiden aan de Evennagtslyn evenwydige cirkels vallen. Indien men , om deeze zwaarigheid weg te neemen , fteld , dat de fyne ftoffe in grooce cirkels be- woogen word , zal men niet begrypen 5 hoe An non eodem |ure contrani motus fubtili iliatefise effli> gi poflent <> Prjosnomenaque obfervatis repugnantia pari facilitate explicari ? Si ad has leges exigacur CARTE- SI AN A gravitatis 'explicatio , licet Analo^ia vorticum a- queomirT aliquomodo ilHiftrari node videatur j fponte ta- men cadet. Poiito cnim fubniis materia motu ad ss.qna- torem paralello . futururn eflet , ut gravia non verfus tel- luris centrum, 'fed peculiaria civcuiorum ad agquatoreni paraiellorum centra tenderent. Si vero ad difficukacem nanc removendam fingatur marcriam fubtilem movcri in circulis maxiaiiSj baud intelligetur quomodo tails ejus JN s II. ANTWOORD OP DE VRAAG12 zulk eene beweeging ontftaat , duurt , en on- derhouden kan worden , zonder geduurige ver- warring. De eerfte Happen dan , om de verfchynzelen te verklaaren , moeten zeer voorzichtig gedaan worden , en men moet overdenken wat de on- derftelling vereifcht ; of het geen men tot de- zelve neemt 5 waarfchynelyk is , of ten min- ilcn door geene waarneemingen tegengefproken word. Want indien 'er kenteekenen zyn , die 'er tegen aanloopen 9 moet men dezelven ten eerften verwerpen. Dus had men in het her- haalen van de zwaarte door de kringswyze be- weeging van eene fyne ftoffe , volgens CAR- T ESI us vooraf moeten onderzoeken, hoe veel fnelheid de draaikring der vloeiftoffe moestheb- ben , om te voldoen aan het voortbrengen der verfchynzelen van de zwaartekracht ; en indien men dit gedaan had a zoude men gevondenheb- * ben, motus oriri , continuari , & confervari fine perpetais per- turbationibus posfit. Primi itaque ad explicanda Phosromena pafTus cautisil- me funt faciendi. Perpendendum quid hypothefis requi- rar. Num qua; in ea fumumur fine vcrofioiina, vel faltera nullis obfervationibus confutentur ? Si enim adfint con- trarii indicia ea ftatim deferenda. Ita GARTESIAMS gra- vita tern a circular] fubeilis materise motu repctentibus , ante omnia fuiflet examinandum, quantam in fluidi vortice celeritatem adefle oporteat , ut gravitatis Phoenomeni^ producendis fufficiat , quod fi fec;flenc , inven;fTcnt earn dcciei DE ANALOG IE, ENZ. 197 ben , dat zy zeventien maalen de fnelheid van de beweeging der Aarde om haaren As te boven ging ; en dat , indien de draaikring met zulk eene fnelheid bewoogen wierd 5 zy de bewee- ging der Aarde noodzaakelyk nioest verfnellen. Daarenboven moeten de Verfchynzelen , die men verklaaren wilde , niet ieder afzonderlyk , maar zaraen genomen befchouwd worden ; in- dien dit niet ^efchied , zal het gebeuren , dat de onderftelling, die gefchikt is na de befchou- wing van deeze of geene verfchynzelen , zon- der verband met andere , door nieuwe waarnee mingen zal omver geftooten worden. Want al waren de draaikringen van CARTESIUS vol- doende , om de beweegingen der Dwaalflerreu te verklaaren , het geen echter te recht geloo- chend word, zouden de beweegingen derStaait- fterren dezelve omver ftooten , als die waarge- noomen worden 5 in dezelve Ilemelruimtens vplgens verfchillende rigtingeii en oriveranderde (hel- decies fepties fuperare debere velocitacem tcrrae circa air- em mote , quanta fi vortex celerltatc moveretur, luotuin tdluris neceflario accelerarec. Piaeterea Phcunoniena cx- plicanda non folum feorfim , fed 6: conjur.diai fpedanda funt , quod nili fiat, contingec at hypocheGs his illisque PhGBQomefiis , citra connexioneiii cum aliis confideratis. accomodata, mox hovisobfcrvacionibusrefelia^ur. Etiamfl vortices CAKTESII Planetarum rootibus explicanclis fuf- ficerent , quod quideni nierito negacur , foli casucn Come- tarum inotus eos deftiuerent, qui in iisdem cum . P'anctis eoeli fpatiis , variis directioDibus , 6; cclerlcaiibus imiu- II. ANTWOORD OP DE VRAAGE fiielheden bewoogen te worden. En men krni ook niet gunftiger oordeelen over den overeen- ftemmenden omloop , door den grooten LEIB- NITZ te hulp genoomen , om de verfchynze- len der Dwaalfterren te verklaaren > want fchoon men door middel van dezelve de beweeging van iedere Dwaalfter in het byzonder konde verklaa- ren , wyl echter de fnelheden van de verfchil- lende Dwaalfterren tot elkander ftaan in eene omgekeerde reden van de Vierkants - wortelen der Afilanden van de Zon , (het geen uit de welbekende Wet van KEPLER volgt,) zou- den (op dat 'er plaats zyn konde >) de draai- kringen der Dwaalfterren in verfcheiden lagen moeten verdeeld worden , zo dat de fnelheden van ieder, in het byzonder befchouwd , in ee- ne omgekeerde rede der Afftanden waren ? en in de verfchillende laagen 5 als de vierkante wor- tels ; welke fchielyke veranderingen der draai- tatis, mover! obfervantur. Nee multo faventius judican- dum ell de circulatione harmonica a magno LEIHNITIO ad explicanda Planetarum Phoenomena "advoeata, Licet enim ex ea uniqs cujusque Planets , feorfim fpedlati , roo- ms explicacum haberent , cum tamen Planetarum diver- forum celeri rates inter fe in ratione inverfa radicum qua- dratorum diftanps a Sole (quod ex notisfima KBPLKUI lege confequitur ) ut ze onwetendheid der oorzaaken te ontdekken , dan een onderftelling hardnekkig flaande te hou- den , die alleen op gisfingen en een fchyn van waarheid Iteund , of dat wy te fchielyk tot de inwendige krachten en wezentlyke eigenfchap- pen onze toevlugt neemen. De aantrekking kan hier ten voorbeelde dienen , welke zommi- gen voor even zulk eeiie wezentlyke eigenfchap der flofFe willen gehouden hebben , als de onindringbaarheid ; maar naar myn gevoelen ten onregte. Want fchoon men niet looche- nen kan , dat de uitwerkingen der zwaarte- kracht duidelyk in de beweegingen der Dwaal- fterren nomena poftent ex caufTirum quarundam operationibas ex- plicari , opera danda eft , ut Leges, quibus convenienter etfefU exoriunrur , eorumque ordinem , & connexionem detcgamus , quo ulterius progredi raro datur mortalibus , quodque ufibus vitae fufhcic. Prxftat fane ignorantiam qauflarum ingenu^ confiteri , quam hypothefin Sola con- jedlura , aut apparente vcri fpecie comnrendatam pertina- citer propugnare , aut juflo prsecipitantius ad vires inter- nas , propriccatesque esfennales confugere. Exemplo es- ie poteft attraftio , quam nonuulli pro aeque esfentiali ma- terise proprietate habere volunt. Ac ipfa eft impenetrabi- litas : uc arbkror , minus rcfte. Licet enira negari ne- queac OVER DE ANALOGIE, ENZ. 209 fterren gezien worden , konnen echter de ver- dedigcrs eener inwendige en algemeene aantrek- king niet loochenen , dat de aantrekldngen dcr aardfche ligchaamen niet aan dezelve Wetten als de Hemelfche onderworpen zyn, met KB ILL, tot verklaaring van den zamenhang der ligchaa- men ftellende , dat alle de ftofdeeltjes elkander onderling aantrekken met een vermogen , het geen in eene fterker afneemende reden ftaat , dan de Vierkanten der fteeds toeneemende af- ftand. Ja het is buiten tegenfpraak , dat de deelen van het licht door zommige ligchaamen aangetrokken , en door anderen afgefcoten wor- den , en zelv van het zelve ligchaam no. aange- trokken dan afgeftooten worden , in evenredig- heid van den afftand : voorts , dat men geene reden van de Scheikundige aantrekkingen gee- ven kan , dan door aan eenige deeltjes aantrek- king 5 en aan anderen afltooting toe te ken- nen ; en te ftellen , dat de aantrekking by het eene queat gfFefla gravitatis in Phnetarnm motibus manlfede confpici , non eidem camen Legi lubefle terreflres atcrac- tiones quibus cnc!cftes, ipfi negare nequeunt attraftionis htrinfecie & Univerfalis defenfores , cum K EILIO ad co- hacfionem corporum explicandain ponentes fingulas mate- ria? partes fe mutuo adrrahere , vi in majore quam dupli- cata diftancis augescentis ratione decrescence. Jmo par- ticulas Lucis a quibuschm corporibus adtrahi , ab aliis re- pelli , vel ab eodem ctiam corpore pro diftanciae ratione nunc attrahi , mox repelli , nee fermentationum Chemf- carum rationem reddi pofle, njfi quibusdam particuiis ad- tra^ionem , aliis repuilionera tribuendo , his fortiorem , XXII. Deel. Q illis II ANTWOORD OP DE VRAAGE eene fterker is , en by anderen de afftooting. Uit deezc en vcelc andere uitzonderingon en veranderingen , aan welke de aardfche aantrek- kingen onderworpen zyn 5 kan men bcfluiten , dat de aantrekking niet ten eerften voor cone algemeene en wezentlyke eigenfchap der ftoffc moet gehouden worden , maar dat de Menfch moet blyven ftaan by haare maat en bepaa- ling 9 by de befchouwinge Van haare uitwer- kingen , na het voorbeeld van den grcoten NEWTON, die wcl waarfchouwde , dat men door het woord Aantrekking de uitwerkingen en beweegingen , en niet derzelver borzaa- ken en beginzelen moest begrypcn , ten min- ften zoo lang alle de Verfchynzelen van aan- trekking en afftooting niet tot eene en dczelve Wet gebragt zyn (het geen tot noch toe door niemand gedaan is , ) fchynt het , dat men met geen recht de Aantrekking en Afftooting tot de wezentlyke Eigenfchappen der ftoffe brengen kan. illis debiliorem 9 in confeflb eft. Ex quibus fane, mul- tisque aliis, quibus adtraftiones Terrefrrcs flint obnoxicS , mutacionibus , vel exceptionibus , coliigcre licet ncn (la- tim efie habendam adtraftionem pro matcria? cujusliheC proprietate Univerfali 6c .Eflentiali, fed in effecluum cjus conflderatione , menTura , & Determinationc mortaUbu* fubfiflendum efle, raagni NKWTONI exemplo, qui vocc attradtionis fe effefta & motus , non caufas & princpia corum indigitare monuit. Saltern donee omnia artraclio- num tepulfionumque PhcEnomena ad unam & eandem F.c- gcm fine redufta . nuod nemo adhucdum prsflitit , Ivu I videtur jure attraClio vel repulfio inter proprietaces OVER. >E ANALOGIC, ENZ. 211 kan. Want die geenen , die met Pater Eus- c o v i s c H , zelv de onindringbaarheid uit de kracht van afftooting der ftoffe afleiden , fchy- nen zeer ver van de eenvoudigheid der Natuur af te wyken. Tot das verre toonden wy , hoe men do in de Natuurkunde gebruiken moec ; im blyft 'er noch over, dat wy aantoonen, hoc deceive kan gebruikt worden tot het vindcn en betoogen van Zedekundige Waarheden , het wclk wy naar ons vermogen zullende trachtcn to doen , het geoorloofd zal zyn 5 te beginncn van de Waarheden , die tot Gods Volmaakthe- den behoorcn, zo om dat de zedelyke plichten met dezelve ten naamvften verbonden zyn, ais om dat wy door Nati^urkundige Waarheden , die rife HITcntiales referri. Qai cnim cum Rufscovicio i.p- lam enam impenetrahilitacem ex vi marericC rcpc;u:ntli dc- rivani , videntur multuni a i\acurre fimpiicuute dcflcxii Oftendimns quomodo Anakgla in fcientia Naturnli fit utendum. Reftac ut qua i\ui-jr.e moralibus veritacibus in- veniondis ac Demonilrand;? applicari posfic cxpon^mus : Quod dum prreifcare pro.virili annirimur , licebic.initiupi ducere a Veritatibus ad Dei perfeftioncs pertinentibus, tarn quod Moralfa oflocia wn iis finrJccr fine ecu nexa, O a qua;n II. ANT VVOORD OF DE VRAAGE die alleen begreepen hebben , die tot de Ei- genfchappen en veranderingen der Ligchaamen behooren. Indien al niets anders , zoude de Analogic der gefchaapen Wezens betoogen , dat 'er een Wezen is , dat met eene oneindige Macht en Wysheid begaafd is ; want wat zoude 'er dwaa- zer konnen zyn , dan die zo fchoone order der zaaken aan een blind geval toe te fchryven , en het zoude tegen de dnahgh aanloopen , dat zulks iets geregelds , en met zoo veel konst zamengefteld ? zoude konnen voortbrengen ; en dat alles door onveranderlyke Wetten geregeerd word, dat de foorten der Wezens onderhouden worden , en het Heelal blyft beilaan , en niet door eenig geval vernietigd word : wat bewyst dit anders , dan de Wysheid en Macht van den grooten Maker ; ja zelv zo ver 5 dat de onge- rymd- iia dcrivnrc velle , Bonitaccjiique per poten- tiani que condicioni convenientes impreflbs efle ftimulos , quern uobilioribus fundionibus obeundis a Natura deftinatum efie negari nequit. Prseterea id ipftim quod Homo fenfu quodam communi 9 vel potius veri gaudeac a rationis ufu baud OVF.R DE ANALOCIE, EXZ. 223 reeds vertoond : waar toe , gdyk wy- in het eer- fte gedeelte deezer Verhandeling aangetoont hebben , dat ook de Anahgifche wyze van oor- deelcn behoord. Dit , zeg ik , kan ter betoo- ging ftrekken , dat de menfch met een zedelyk gevoel begaafd is; want hy heeft dit zo w^l als dat van waarheid noodig. En het getuigenis der waarneemingen bevestigd , dat de Natuur , of liever haar goedgunftige Werkmeester , o'p allerlye wyzen voor den Menfch heeft jwillen zorgen. Indien nu de menfch agt flaat op zynen eigen inborst 9 en op de natuur der zaaken en der uit- werkingen , die uit zyne vrye daaden voort- fpruiten , zal hy zonder inoeite gewaar worden , dat zomraige daaden tot middelen dienen , om zyn geliik te bereiken; anderen tot beletzfelen, dat het geen een waar, duurzaam en ftandvastig ver- haud dcpendente, imo e^ ptius fe exferente, quo etiam Ano?QgriMi judicandi rationern pertincre in prima operis pane odend'mus , argumenco eile potcft fenlu etiam Mo- rali eundem inltru6lum eflb. Non emm hoc minus aeilio veri indiget. Naruram aurem , vel porius t-jus paren-e ni bcnignislinuim corjfultum homini modis omnibus voluifle Obfervationum teftimonio confirmaeur. Quod (i jam Homo fuse indolis, & Natura> rerum, ef- fcffuumque qui ex liberis adlion'bus nafcuntur raticncip h :b at , facile intclligec , nonnu!! is afticnes efle fel citacis ' conlcquen-ja; media, alias impedimenta, 'dquodvolup- ' tatcm veram 5 confcaDtem , perpecuaro , nee majon d lori auc 224. It. ANTWOORD OP DE VRAAGE vermaak geeft , het welke aan gecn grooter fmarc of berouw plaats laat , een waar goed is ; maar indien het mocijclykheden baard , of grooter ver- maak dan verdriet geeft, een kwaad is ; dat hy dus pogingen willende aamvenden om zyn geluk te bevorderen , zo de verder afgeleegen als na- dere uitvverkingen raoet nagaan ? onderling ver- gelyken , verfcheiden goed en kwaad afvveegen , sis het waare, en afmeeten, op dat hy das kan onderkennen , welke de beste , zekerfte en kort- fte weg zy ? om tot zyn geluk te komen. . Wanneer hy dit na behooren gedaan heeft , zal hy ten eerften zien ? dat de plichten van den waaren Godsdienst ten allernaauwiten met zyn geluk verbonden zyn. Hy ziet , dat de- zelve niets gebied 5 dan dat aangenaam 5 lief- lyk , en vol verkwikkenden troost is , en be- kwaam om het gemoed optewekken. Hy be- aut poenitentias locum relifluram park , vera bonum efle, malum autem fi vel foles moleflias gignat , vel faltim ma- jores dolores quam voluptates. Adeoque fibi de vera fe- licitate corifequenda laboranti adionum fuarum effecta , remotiora non minus ac propriora, perpendenda , & inter fe comparanda, diverfa bona malaque pondcranda veluti, & menfuranda efie , & quomodo honeftisfima , certisfima, &: brevisfima via ad feliGitatem pcrvenire posfit cognos- cere valeat. Quod fi ut par eft fecerlt , baud difficulter intellfgifi veraereligionis officia vel maxime & ardisfime cum fua fe- licitate copulata efle. Videc earn nihil prscipere nifi ju* cundum , wave dulcisfimac confolationis plenum 9 animis eri* 07FU DE ANALOGIC, ENZ. 2 fluit uit de Goddelyke Wysheid 5 en zyn cigen edeler vermogens , dat de zicl na hot ligchaam zal overblyven ? en dat hy derhalven voorna- mentlyk ecn toekomend leven in het oog moet houden. Dat een alwys GOD niets te vcf- geefs doet , en derhalven dat , dewyl liy dcu menfch gemaakt heeft zoo, dat hy gelukkig \vil- de zyn ,, Hy ook denzelven daar voor vatbaar heefc gemaakt ; en dat Zyn wil en oogmerken. uit Zyne Werken gekend worden. Niet minder duidelyk zal de menfch zren ^ dat zyn geluk natuurlyk verknogt is 5 met de welmeenende pogmgen 9 om ook het geluk vafi anderen te vermeerderen t want hy moct nood- zaakelyk zien , dat 'er in de Natuur niets be- Jftaat ? dat van andere deelen als afgefcheurd en gefcheiden is , maar dat alles op eene zekere wyze is verbonden. Hy twyfFeld^ derhalven iiiet > erigendis aptum. Ex fapientia t)ivina (bisque facultatibus nobilioribus concludic animam corpori fuo fupcrftitern vi- Quram , adeoque fibi future vicaj vel maxime habendam efie racionem. Deum fapientisfjmrim nihil fruftra agere , adeoque fi hominem vitse felicls apoetentem , capacem eciain fecifle , ejusque voluntatem & fines ex operibus fuis cognofci, intelligit. Nee minus clare perfpiciet fuam felicitatem Cum fin c6- ro aliorutn etiam felicitatem promovendi ftudio Naturali- ter conjunlam efle. Non enim potcft con vidcre in ipf* Natura nihil efle a reliquis parcibus divulfltm , & fejunc- tum , ifed certis modis copulata inter fe effe omnia , nee proinde dubitat fapicntisjScQUiTiJ benignisfmium huma- J&KII. Deel, P ni 226 II. ANTWOORD OP DE VRAAGE niet , of de alwyze en algoede Vader van het Menfchdom heeft de waare belangen der Ster- velingen zamen verbonden , en de menfchen gevormd zoo , dat zy elkanders hulp onderling noodig hebben , maar ook dat zy gezellig zyn van Natuur. De menfch gevoeld dus , dat de plichten van rechtvaardigheid , menfchlievend- heid en goedgunftigheid 5 hem door de Natuur zelve aanbevolen worden , en dat de Zedelyke Waereld , door de onderlinge plichten en gene- genheid der menfchen tot elkander ? even zeer beftuurd word , als de natuurlyke Waereld door de algemeene zwaartekracht. De Anakgle leert ons dus deeze Zedekun- dige grondbeginzelen : dat de plichten van waa- ren Godsdienst altoos met het geluk van den Menfch zamenftemmen ; en dat ons eigen waar geluk niet kan bevorderd worden door het na- deel van anderen; wyl de Natuur het rechtvan dee- ni generis Parentem vera etiam mortal] am commoda con- junxifje , eosdemque mutu^e opis non tantum indigences , led <5c fociali Nacura prasditos fecifle. Sentit Juftitias , humanitatis , & benevolently officia ab ipfa nobis Natura commendari, mutuoque hominum erga fe invicem amore, & officiis , mundum'moralem haudlecus, ac Phyficura gravitatione univerfali , regi. Ipfa itaque Anakgia hxc nobis fuggeric Principia Ethi- ca : Officia verse Religionis cum felicitate hominis fempcr confpirare ; Nee pofTe verara noftram felicitatem cum a- fcorurn detrimenco promoveri 3 cum Natura Jura hujus Ju- OVER DE ANALOGIE, ENZ. deezen niet met dat van een anderen , noch de plichten van den eenen met die van den ande- ren ftrydig heeft gemaakt , en dat dus niemand recht heeft om daaden te doen , welke , indien anderen ook meenden, dat zy hun vry ftonden, ? er geduurige twisten uit ryzen zonden , en den ondergang van de menfchelyke zamenleeving na zich zoade fleepen , of althans het recht van den eenen tegens het recht van den anderen zou- de ftryden ; en derhalven als de vraag is , wat in deeze of die omftandigheden geooiioofd is , of gedaan moet worden , men billyk nagaa wat 'er gebearen zoude , indien de Natuur die vryheid over en weder toegeftaan had , wyl zy zekerlyk den menfchen niet te vergeefsch een gevoel van zekere evengelykheid ten opzichte der plichten van rechtvaardigheid ingefchaapen heeft. Deeze Analogifche waarheden alleen 9 \vel aangewend zynde , en op de verfcheiden bezig- he- Juribus illius , officiaque officiis baud fane oppofuerit ; j\dcoque nemini Jus eorum facicndovum compctere , qus; 15 alii quoque fibi licere pucarcnc, ex eo continua bella nafccrentur , interitusque mucus inter homines confocia- tionis fequeretur , vel certe Jura hujus illius Juribus repu- gnarenc ; Et proinde, cum de eo quaeritur quid in his illis- que circumflantiis liceat, vel opus fie fafto , utiliter ex- pendi, quid futurum eflet fi promiscuam ejus licentiam Na- tura concesfiilet , quas fane aequalitatis alicujus , refpedti Juftitias officiorum , fenfum 5 hand fruflra iogencravic ho~ ininibus. Hae folce veritates Analvsjica rcfte adhibitae % diverfls- que vitce humanse negociis & circumftanciis convenienter P a 8 - II. ANTWOORO OP be VRAAGE heden en omflandigheden van het menfchelyke leven toegepast , voldoen cm alle de plichten dcr inenfchcn aan te toonen , en de Zedckun- dige dwaalingen weg te neemen. En het zal niet onnut zyn, hicr omtrent eenige voorbeel- den by te brengen. Wyl de plichten van den Godsdienst niet konnen ftryden met de vvaare plichten jegens ons zelve ? of jegens anderen , anders zoude GOD zich zelve niet gelyk zyn 5 ) bewyst de Analogic duidelyk ? dat het geene waare Godsdienst -plichten zyn, die niet konnen volvoerd worden zonder verwWrloozing of gewelddoening aan anderen. Hier toe kan men brengen de onmaatige en onnuttc ligchaams- kwellingen , ja den zelvmoord zelven door aan- drang van eenen blinden y ver begaan 5 of reu- keloos gezocht ; als ook het zich onttrekken aan de zamenleeving , en alle andere verkeerde wyzen van G O D te dienen , of liever te be- ledigen , die tegen de goede order , zcden , open- applicatBj fufficiunt omnibus Hominum Officiis demon- ftrandis crroribusque moralibus refellendis. Cujus rei aliquot excmpla d^difTe baud inutile erit. Cum Rcligio- nis officia veris feu erga nos , feu alios officiis repugnare non posfint (iecus cnim Deus fibi non eonflarec) /Ina- logia fane probac baud efle vera pietatis officia ca qus- cunquc non nifi aliorum negleclu, & violatione praeftari pofiunt. Quo refcrri queunt maceracioncs corporis im- modicae, & inutiles, irno mors ipfa voluntaria cseci fer- voris impulfu oppetita , vel ccmerarie quzefita, fuga So- cietatis , omnesque alii Deum perverfe colendi , vel po- tius offendendi ritus , bono or Jini , n;oribusque , Faci pu- OVER DE ANALOGIE, ENZ. 29 opsnbaare rust en veiligheid aanloopen , en vo-jral die yvcr vol haat en wreedheid 5 die GOD wil behaagen door den dood en het bloed van zulke , die men meent dat dwaalen. Want welk eene fchandelyke , en der Goddelyke v/ysheid onwaardige verwarring van alle plich- ten , zoude 'er niet ontftaan , indien de bevelen van den Godsdienst ieder een belastten 5 om die geenen , die een ander gevoelen toegedaan waren , ter dood te deepen en te vermoordcn ; en de waare Godsvrucht aanraadde om de geenen 9 welken de Wet van him geweeten verplicht, om veeleer allerleije wreedheden 5 ja den dood te ondergaan, dandeeer, die zy CODE fchul* dig zyn, na te laaten , dezulken, zeg ik, door pynigingen en allerleije foort van wreedheid te dwingen om den Godsdienst , dien zy alleen voor waar houden, af te zweeren. Neen zeker, de Goddelyke Wetten , die zoo ftrydige plichtea den menfchen zouden opleggen, zouden der publics , & tranquillitati contrarii , ac praicipue plenus odii Sc crudeli^atis ille Zelus , qui Deo eorum fanguine & caede vuk placere, quos in errore verfari putat. Q.uam turpis enim nafceretur , indignaque Dei fapientia officio* rum omnium perturbatio, & confufio , fi religionis pr- cepca omnibus juberent cos qui contrarise opmioni funt addid' ad mortem rapere, & jugulare , & vera in Deuiii piecas iuaucvet eos tormentis , & omnibus fsevidas fpeci- minibus cogere ad religionem quam folam pro falutari ha- bent ejurandam , quos confciencias Lex obligac ad dira po- tius quaivis fubeunda , mortemque oppetendam , cjuam liPAorem Deo dcbitum violandum. Nas ita Leges divinse P 3 tain 230 II. ANTWOORD op DE VRAAGE Volmaaktfte Wysheid niet betaamen. Het zelf- de zou ook plants hebbcn , indien de Natuur ooit toegelaaten had de Wetten van billykheid in eenig geval te verkrachten ; want men kan niet loochenen ? dat dezelve daarmede het wel- zyn van het Menfchdom in het oog gehad heeft ; en het is ontwyffelbaar , dat zy bekwaam is 3 om het geen zy vastgefteld heeft , te vc - brengen. De Analogic der Natuur derhalven , benevens de Goddelyke Wysheid , en de aart der menfchen , betoogen , dat de Wetten van billykheid zoo ftandvastig en onverandeiiyk zyn , als die , door welke het Heelal bcfluurd word. Eveneens moet men denken omtrent de plichten van gocdwilligheid en liefde , met welken de Natuur het genoegen van het menfchdom verbonden hebbende , zy zich zelv fchandelyk zoude tegenfpreeken , indien het ooit gebeuren konde , dat derzelver fchending nuttig 5 dat derzelver waarneeming fchaadelyk ware, tarn contraria hominihus officia imponentes fapientiae baud convenirenc. Quod etiam dici deberec (i Le^es juttitiae ullo in cafu vjolari Natura permififlet. Humani enim generis comrrodis iisdem earn confulerc vo- luiflc negari nocjuit , quam certe deflinatis fuis perficien- dis parem efle non licet dubitare. Analogic* itaque Na- ture , fapientiaque Dei , & ipfa humana indoles fuadenc Leges Jultici* seque immutabiles & conftantes efle, ac il- las quibus regitur Univerfitas rerum. Haud alircr fen- tiendum de benevolemias & caritatis officiis , quibus cum JNatura humani generis coromoda conjunxerit , fibi turpi- rer endem contradicerec fi unquam cvenire poflet ut eo- rum OVER DE ANALOGIE, ENZ. 231 ware. Althans de Godloochenaars zelve durven niet ontkennen , dat daaden van billykhcid en deugd 5 die met de Wetten overeen koraen , ten minften gemeenelyk en natuurlyker wyze goede , en die tegen dezelve ftryden , kwaade uitwerldngen voortbrengem Waar uit men , overeenkpmftig met de Anakgle , befluiten kan , dat de voorfpoed der Goddeloozen 5 en de tegenfpoed der Vroomen , maar alleen in fchyn beftaat ? en niet wezentlyk b ; dat alle het andere gelyk gefteld zynde , Godsvrucht en Deugd den menfch altoos gelakkiger , en de ondeugd , 'er tegenoverftaande , hem ongeluk- kiger maakt. De Regels derhalven , om gelukkig te \vor- den 5 door Waarneemingen en Anakgle ont- dekt en zaamverbonden 5 zyn niet minder ze- ker , dan die der Natuurkunde , volgens welke vvy leeven enj handelen. Even als het brood ons rum violatio utilis , obfervatio vere noxia efiet. A&io- nes fane Juftitiae vircutisque Lcgibus conveniences bonos , repugnances vero malos efFedlus gignere nacuralicer fal- tem , & ordinarie, ne ipfi quidem Athei diffiteri audent. Ex quo conveniencer Analogies concludere Ijcec , Scele- ratoruin profpericacem , bonorucnque infelicicacem appa- rentem , baud veram efle , piecatemque & virtucem, cae- ceris paribus , Hominem Temper feliciorem , vitiaque op- pofica infeliciorem reddere. Regul^ itaque felicitatis coofequendae obfervationibus & Analogic invencas ? ac concextas, baud minus func cer- cx ac illas PhyScje , quibus convenienter vivimus , agi- P 4 mus- II. ANTWOORD o? DE VRAAGE ons voed , het vtiUr ons verwarmd ? zoo-maa- ken Haat en Nyd ons ongelukkig , en Deugd en Liefde gelukkig. En even als wy denken , dat de natuurlyke eigenfchappen derzaaken niet verandcren zullen , even zoo onveranderlyk zyn de natuurlyke uitwerkingen der Zedelyke daa- den. Trouwloosheid was en zal altoos fchande- lyk, ichadelyk en onteerende zyn, maarwoord- houding , edelmoedigheid , milddaadigheid zyn altoos fchoon , edel , eerlyk en nuttig. De al- getneene Zedelyke Wetten blyven, niet mill on* yeranderlyk dan die der Natuur. Het gebeurd wel foms , dat zommige bedric* gelyke zedekundige oordeelen der menfchen , omtrcnt hunne plichten , even als in zommige gevallen der Gezigtkunde , hen verkeerd doen handelcn , welke verkeerde oordeelen echter f ( wanneer men zyne aandacht vestigt op de ge- woone uitwerkingen der daaden en op de Analo- gic imisque. Ut panis nutrit , ignis calefadt , ita odium & invidia nos infclices , caritas ? virtus , feliccs reddunt. Ut non putamus immutatum iri proprietates rerum Phyfi- cas , ita nee Naturales aftionum Moralium effettus. 'Fi- dei violntio fuit eritque Temper turpis, ignominiofa, no- xfa: conftantia in promisfis, generofitas, liberalitas, pul- cra, honcfla , utilis ,' Legesque Morales univerfales baud jninus ae ills PhyGcae immutatse mancnt. . Equidcm fallacies nonnullae optids fimiles Moralia ho- ininum de iuis offitiis Judida quandoque in trans verfum sgunr, quae ramcn, attendone ad ordinarta aftionum effec- ta Q Naturae /Inahgiam adhibita, detegi poflunt. Opus OVER DE ANALOGIE, ENZ. 233 gie der Natuur) konnen oiutdekt worden. Wy moeten llechts trachten de Sterrekundigen nate- volgen. Het .gebeurd in de Zedelyke (Waereld niet minder gemeenlyk, dan in de Natuurkundi- ge , dat zaaken 5 die in eenen grooteren of klee- nerenaflland van onsafzyn, ons grooter of klee- ner toefchynen ; dus ook , dat de naby zynde uitwerkingen van onze!daadenduidelyker, ende verder afgelegene duisterder voorkomen ; maar een voorzichtig menfch ziet niet alleen hetgeeit onmiddelbaar voor hem is 5 maar hy overweegd ook de gevolgen zyner daaden die verder af zyn* Het gebeurd ook vaak , dat ieder zich als in het middelpunt der Zedelyke Waereld wil ftel- len 5 en alle zyne daaden , tot zyn byzonder voordeel wil doen zamenloopen , daar echter ieder , die de order der Natuur aandachtig naa- gaat, begrypen kan, dat het veel betamelyker is het algemeqn^ voordeel , waarin het byzon- dere taDtum eft ut Aftronomos difcamus imitari. Evenit in Mundo Morali haud rarius ac in Phyfico ut quiedam in major! aut minor! a nobis diflanda pofita julto majora vel minora videantur , propioresque noflrarum aftionum ef- fedlus clarius , remotiores obfcnrius cernantur , fed ho- minis prudentis eft non ca Iblum qu?2 ante pedes pofita funt intueri , verum aQionum lliarum fequelas vel remo- tiores perpendere. Fie etiam iaepisiime uc quilibec fe in centro vcluti orbis Moralis collocare, omnesque fuas ac- tiones ad privata fua commoda referre velic , cum tamen facile ordini Nature attcntu* intelligere poflet, convenien- tius ei longe efle ut publicum coramcdum , quo privata etiara COQUneitfur, pro cowmuni vcluti motuuna Mora- P f lium 234 H. ANTWOORD oi> DE VRAAGE dere dus ook begreepen is , voor het gemeene middelpunt der Zedekundige beweegingen te houden ; want in der daad 5 men zoude geene overeenkomst in de Zedelyke Wetten konnen waarieemen 5 indien ieder alleen voor zich zel- ve wys was , en dat voor billyk raoest houden , dat alleen zyn byzonder nut bedoeld. De Analogic alleen kan ons overreden 5 dat de Natuur dezelfde plichten van Godsvrucht , billykheid en goedwilligheid , die zy in het gemeen aan ieder opgelegd heeft , ook aaii Vorilen en Burgeryen heeft voorgefchreeven. Want gelyk in het Heelal de grootfte en klein- fle ligchaamen aan dezelfde Wetten onderwor- pen zyn , zoo komt het ook met de Goddely- ke Wysheid en de ftandvastigheid der Natuur overeen , dat de plichten van Vorsten en ge- heele Volkeren niet verfchillen met die van ie- der byzonder Perfoon. Want , hoe affchuwelyk zoude de gedaante der Zedelyke vvaereld zyn , in- lium centre habeatur. Sane enim fi (ibi foil quisque fa- pere , idque pro jufto quod privacim utile eft habere debcret, nulla in Niorahbus Legibus confenfio poflec ob iervari. Kadcm pictatis , juftitias , & J3enevolentias pfficia , quse fln^ulis, univerdsjetiam , principibus, Sc civitatibus , na- turam priEfcripfiOe obfervanda , (bla perfuadere potefl Amlogia. Ut enim in Univerfitate return maxima mini- maque corpora iisdem; funt fubjcfta legibus , ita baud alia efTe principum populorumque offlcia ac privatoruni , & finguloaim, eft divinae fapientias, nacurJEque conftantias con- OVER DE ANALOGIC, ENZ. 235 indien het geen aan een byzonder menfch fcha- delyk was 5 den Vorsten voordeelig ware , en het welzyn van enkele menfchen ftryden zoude tegen dat van het algemeen ? De Analogic derhalven ftopt den mond aan alle die Leer- meesters van bedriegery, onbillykheid entrouw- loosheid 5 die niet fchroomen te zeggen , dat men ten voordeele van het algemeene welzyn y de Wetten van Recht 9 Billykheid en Menfch- lykheid mag en moet overtreeden. Want de- zelve Natuur , welke die Wetten aan byzon- dere perfoonen gegeeven heeft , heeft dezelve ook den Vorsten voorgefchreeven 5 en heeft voor het welzyn van het geheele Menfch- dom zorg gedraagen 5 door de onderlinge plich- ten van het algemeen omtrent byzondere per- foonen , en van deeze omtrent het algemeen , en van die van Vorsten omtrent byzondere Menfchen , en omtrent Vorsten , als mede van Volkeren onderling omtrenp elkander. 'Er * zyn confentaneum. Quam enim deformis efier moralis mundi fades, fi quod privatis noxium principibus mile eflec, falusque lingulorutn , univerforum faluti unquam rcpugna- ret ? Analogia itaque refellit omnes illo.s nequitiaj, inju- ftitias., & perfidiJE Magiftros , qui publicas utilitaris cans- % la naturales julliciic , a^quitatis , humanitatisque leges vio- lari pofTe, &: debere, dicere baud verencur. Eadem enitn natura qiue has fingulis , & privatis , principibus etiam & nniverfis commendavit , mucuisque univerfbrum erga iingulos horumque erga illos , principum erga privates & principes , gentiumque erga gentes officiis totius bu- iiiani generis faluci profpexit , <3c coufuluit. Aut itaque nulls 236 II. ANTWOORD OP DE VRAAGE zyn derhalven geene Godlyke natuurlykc Wet- ten den Menfchen voorgefchreeven , die niet van een ieder , die zyn geluk zoekt , : heilig nioeten nagekoraen worden. 'Er is. derhalven een uitmuntend gebruik te maaken van de Analogic , in het kennen en be- wyzen van de overeenkomst van alle onze plich^ ten met het waar geluk ; en om daartoe te ge- raaken , hebben wy flechts noodig te weeten , welke de aart en ftaat van den Menfch zy , en de zamenhang der verfcheiden daaden met zyn geluk ; om overtuigd to zyn , dat de Zedelyke Wetten, ^acuarlyk (als van Goddelyke herkom- zeker , ilan-Jvastig en onveranderlyk zyn , wel als de Natuurlyke ; om derhalven de ge- meene en natuurlyke uitwerkingen van goede en kwaade daaden van toevallige (of liever die yolgens Gods geheim beftuur gefchieden) afte- zon* nullac funt Leges divinse naturales humanis pofltce aftioni- bus , aut certe ills func ab omnibus ilics felicitacis cupidis iaaclc obfcrvandaj. Efl itaque inficjnis Analogic ufus in confenfione omnium nodrorum officiorum cum vera felicirate agnofcenda , ac demoniLranda. Ad quod obtinendurn opus tantum eft: Uc fciamus qualis fie hominis indoles, conditio, aftionura- que variarum cum felicitate copulacio? Ut perfuafum ha- beamus Leges Morales , Naturales ( ucpote Divinas ) certns , conftantes , immutabiles efTe , aeque ut Phyficas; Adeoque effecla aclionum bonarum malarumque ordina- ria , IN'aturalia , ab aliis fortuiiis , vel pocius fecretse Dei Gubcr- DE ANALOGIE, ENZ. 257 zonderen ; en om nooit te vergecten 5 dat Gods goedheid en wysheid nooit toelaaten , dat ie- mand door het overtreeden zyner Wetten ge- lukkiger, en door derzelver opvolging ongeluk- kiger worden 'zoude. Wy hebben das het fchoone verband der Menfchelyke Plichcen afgehandeld. 'Er blyft thans noch overig , dat wy aantoonen , hoe wy de Analogic moeten gebruiken, om byzondere Zedekundige waarheden te vinden of te betoo- gen , het geen my met weinig woorden toefchynt te konnen afgedaan woiflen. Indien wy on- derzoeken willen , of 'er eene Analogic plaats hebbe tusfchen eenige Zedekundige zaaken , moeten wy op dezelve wyze te werk gaan als in de Natuurkunde. Men moet onderzoeken , of die zaaken altoos zamen verbonden zyn , of de eene vermeerderd of verminderd zynde ? de andere insgelyks aangroeit of afneemt. Indien wy Gubernationi debitis , accidentalibusque diflinguamus ; Nee unquam oblivifcamur baud pati Dei bonitarem & fa- p^cntiam , u: quisquam Lcgum fuarum violatione fclicior, obft-rvatione evaaat infelicior. Egiinus de omnium humanorum officiorum concentu pulchevrimo. Reftat uc quomodo Anakgiam peculiaribus moralibus vericatibus invcniendis ant demonftrandis adhi- bere debeamus 4 cxponamus. Quod quidem paucis vide- tur abfolvi polTe. Si examinare veliraus ucrum inter aliquas res Morales intercede dnalogia, eodem procedendum eft modo quo in fcienua Natural!, Discutiendum an c con- flan- 338 II. ANTVVOORD OP DE VPxAAGE wy de Onderflelling willen onderzoeken van hen, die meenen, dat alle vriendfchap uic hoo- pe van eigen belang en behoefte ontftaat , koo- mcn de volgende flukken aan ons onderzoek voor : Zyn die alleen voor vriendfchap vat- baar , die hulp noodig hebben ? Zyn zy 'er zo veel te nieer vatbaar voor , hoe meer ge- breks zy hebben ? Zyn 'er geen voorbeelden vn eene zuivere genegendheid zonder beloo- ning ? Gebeurd het niet dikwils ? dat de vriend- fchap op zich zelve vermaakt zonder hoop van voordeel ? Wanneer 'er eenige Analogic tusfchen vcrfchillende zaakea plaats heeft, moet men de paalen van derzelver gelykvormigheid naauwkeu- rig aanwyzen , op dat de Analogifchs redeneering dezelve niet-overfchreede. Inderdaad de meeste drogredenen (^Sophismds*) van BA-YLE , door welke hy de goddelooze flellingen der Mam- cheers wilde onderftutten ? fteunen op deeze eene flanter fint connexx , an una earum audla vel imminuta cres- cat veldecrescat alcera ? Si eorum hypothefm qui omnera amicitiara ex proprii commodi fpe atque indigencia orcam cenfenc examinare velimus , hsec perpendenda veniunt : An ii foli ad amicitiam proni qui auxilii egent ? An canto proniores quo magis indigent ? Nullane dantur exem- pla amoris puri , baud mercenarii ? Mumquamne fie ut ipfa dele&et araicitia, non fpes lucri ? Ubi aliquam inter res diverfas intercedere Analogiam certum eft , limites fi- milicudinis accurate definiendi funt , ne ultra eos argu- mentatio Analogica proferatur. Pleraque fane BAYLII Sopbismata , quibus impiam Manicbaorum eaufain fulcire voluit, nitumur hoc folo errorc, quod Deura inftar patrisr OVER DE ANALOGIE , ENZ. 239 eene dwaaling , dat hy GOD heefc willen bc- grypen, wel als eengoedertierenenVader, maar niet als een rechtvaardigen Richter , niet als zulk een Heer , die zyne Onderdaanen ? door eene ingefchaapen vryheid , om zeer wyze redenen bekwaam gemaakt heeft voor loon en ftraffe. Die alleen aangemerkt zynde , blykt , dat alle gelykenisfen , door hem te berde gebragt , door welke hy Gods werking omtrent de toelaating van het kwaad tracht te verduisteren , byster mank gaan. Wanneer de verfcheidenheid zich by de o- vereenkomst voegt , moet men de eene zoo wel als de andere in het oog houden ; om de toepasfmg der Analogic niet te doen dwaalen. Vooral moet men het oneindig verfchil , dat 'er tusfchen GOD en de .Schepzelen is , niet ver- geeten , wanneer men uit de befluiten ', voor- neemens en daaden der menfchen > tot de eind- oog- quidcm benignisfimi , atnonjufti ctiam judicis , non tails Domini , qui fuos fubditos fapientisfimis ex caufis praemii pccnacque capaces , indita illis libertate , feceric , conci- pere'velit , quo folo obfcrvato facile apparec oirmes fimi- litudines ab eo prolatas, quibus aftionem Dei circa per- misfionem mali obfcurare voluic, niifere claudicare. Ubi convenientiae fejuna/itdiverfitas, hujus non minor ac illius ratio habenda eft , ne Analog applicatio reddatur erronca. Przferrim ubi ex hominum propofjtis, confiliis, & adlionibus argumentamur ad fines Dei , immenfi quod inter Deum & creaturas intcrcedit difcriminis nunquam oblivifccndum efc. In perfection ibus quidem ei adfcnben- dis II. ANTWOORD op BE VRAAGfi oogmerken van God redeneerd. \Vy konnen in het toefchtyven van Volmaaktheden aan GOD niet tc verre gaan, (wyl deeze ons begrip verre te boven gaan). Dus ftaaven wy te recht door de Analogic met de menfchlyke daadcn dc recht- vaardigheid Zyner wegen 5 en zondercn alle on- volmaakthcid van Zync werken af ; wanneer wy by voorbeeld 3 om de tegenwerpingen- der fcpicuristen tegen te gaan 5 zeggen : dat het tegenswoordige tydftip van ons leven , met het eerfte bedryf van een Treurfpel kan vergelee- ken worden , in het welke men gecn Plan zien kan 9 maar dat hy , die over deszelvs fchoon- heid zoude willen oordeelen, het laatfte bedryf moet af\vagten ; want daar de gefchaapene vvae- reld zoo veele en zulke blykbaare getuigenisfen van GODS oneindige Volmaaktheden geeft 5 maa; men ook (Vat HUME ook zeggen moge ) die werkingen Gods , die in den eerften opflag niet zoo fchoon gefchikt fchynen 5 door middel der dis nimii elTe non poflumus , fcum CSB captum noflrum longisfimc fuperenrj adeoque jure Analogia humanarum actionum juiliciam viarum ejus vindicamus , imperfetlfo- nesque ab operibus rcmovemus , cum v. g. ad refellendas Epiciireoram objeftiones didmus , praefencem vita? noftrje periodum cum primo TragccdicE adlu pofle comparari , in quo nullus poteft confpici ordo , led ei qui de ejus pulcri- tudine judicium ferre vclit ultinium actum ode cxpeftan- dwm. Cum enim de immenfis ejus peifectionibus Natura rerum tot camque luculcntisfima teflimonia pcrhibeat , li- cet fane (quidquid dicat HUMIUS) cas etiam Dei ope- racioncs qua; haud lam pulcrtj ordinacac prima fpecic ap- parent OVER BE ANALOGIC, ENZ. 241 der Analogle , met de Wetten van eene aller- volmaaktlte Wysheid gemakkelyk overeenbren- gen. Ja wy zyn zelv verplicht zulks te doen. Maar overal, waar eene onvolmaaktheid met eene volmaaktheid gepaard gaat , moet men zorgvul- dig agt geeven 5 dat wy den volmaakten GOD geene menfchelyke onvolmaaktheeden toefchry- ven : Zulks deeden zy ? die , meenende Gods ee- re te handhaven , Hem een willekeurige Macht toefchreeven. Want, fchoon Godeenvolmaakt recht he eft op het leven en de goederen der Menfchen 9 kan men daar uit niet befluiten > dat Hy 5 volgens zyn recht, onfchuldige fchep- zelen kan kwellen > en rampen toezenden , wyl het tot Zyne oneindige Volmaaktheid behoord , dat Hy nietanders, dan billyk, wys en goed kan handelen. Het is'er zoo verre van daan, datde voorbeelden dewelken van Menfchen , die eene Despotiecq of volmagtig gebied oefFenen , of die y welke uit zeden en gewoonten genoomen zyn > het parent cum perfeftisfimas fapientia; Legibus, ope Analogic ron incommode conciliare. Imo hoc^facere nodri eft of* ficii. At ubi perfection! admixta eft imperfedio , cavcn- dum foliicice eft ne humanos defectus Deo perfedtisfimo adfcribamus. Id fecerunt qui arbitrariam Deo poccftatcm vindicando fe ejus honori confulere puraverunt. Licec enim fummo Numini competat jus perfedum in vitam 5c bona hominum , ex eo tamen concludere nondum licet, pofle eum jure fuo creaturas innocentes torquere , malis- que afficere cum ad ejus infinitam perfedlionem pertinent non ni(i jufte , benigne , & fapienter polTe agere. Exem- pla autem a hominuai despoticum Imperiuiu ezcrcentium XXIL Desl. Q. inori* II. ANTWOORD OP DE VRAAGE hct tcgcndccl zouden bewyzen , dat zy veeleer God hoonen , die altyd wyzelyk van zya rccht gcbvuik maakt , maar nooit zyn Mach: en Al- vermoogen misbruikt , gelyk de Stervelingen veekyds docn. Op dat wy dan door geen fchyn van Ana- hgie bedroogen worden 9 moec men de zaaken uit verfcheidene oogpunten befchouwen , en haare betrckkingen en uitwcrkingen van deeze en geene zyde nagaan , en indien het noodig is met elkander vergelyken. Sommige willen be- wyzen uit de droevige gevolgen van Burgerlyke Oorlogcn en Oproeren , en uit de allerakeligfte gevolgen van de leer der Vorften-moorders, dat men aan Regeerders eene volkomene en onbe- paalde macht raoct toeflaan , maar deeze ram- pen zyn byna weinig minder dan die , welke de v woede der Dwingelandcn mecr dan eens ver- oorzaakt heeft. Dus leert do Anahgie hier , gelyk' moribus , & confaetudinibus deprompta tantum abefl ut p concrarium probent, uc potius Deo fine injuria, qui jure ' fuo fapicnter Temper uritur , nunquam autem potencia & poteflatc 5 ut morcales fsepisfime faciunt , abutitur. Ne itaque npparente aliqua Analogic (pecic decipiamur, res ex variis funt fpedlanda: latcribus , diverOe earum feu relationes , feu effeda hinc & illinc contemplanda , & (i opus fit inter fe conferenda. Abfolutam prorfus fed optima ilia eft quis rninimis urgetur viciis. Mucanda ikpc vifus pundta , 6c conveniencisfimum eligcndum. Si icire veils utrum tolerantia diverfarum Reiigionum civhaci fie utilis^ & quousque ea excendi debeat? Refpeftus fieri debet non tantum r,d mala erroris , & commoda vericatis , fed ad prascepra Kciigionis Chriitianae , ad con venien tern earn propagandi rnoJum , ad Leges prudencirS , ac trifles con- fequentias imolerantise , & pra^dpuc quid Imperantibus Q a Juris -44 II- ANT WOORD OP DE VRAAGE op de gevoelens , den Godsdienst aangaande , toekomt ; het geen men befchouwen moet uit het oogpunt van algemeene rust en goede order in de zamenleeving. Men moet naauw- keurig bepaalen , wat het gefchiktst zy om de Vraag wel te ftellen. Indien wy onderzoeken, of men met recht zyn woord , aan Dwingelan- den gegeeven , breeken kan ? Begrypt men duidelyk , dat de Vraag niet daar op ziet , of zy waardig zyn , dat men zyn woord aan hen houde ; maar veel eer , welke de uitwerkzelen zyn der verbreeking van openbaare trouwe ; en of met het verbreeken van dezelve, de vreede en rast van het Menfchdom ongefchonden kan blyven. De oogmerken der Zedelyke plich- ten en begrippen moeten ten naauwkeurigften bepaald worden , op dat onderling verfchillen- de dingen niet zamen verward worden. Men moet by voorbeeld bepaalen 3 welke de paalen zyn Juris in cpiniones ad religionem fpe&antes competat , ex falutis & tranquillitatis publics, bomque in Societate or- dinis ratione , velut convenientisfimo vifus pundlo dispi- ciendum eft Determinandum accurate quae fint ea qua: quceftioni definiendae funt accommodatisfima. Si de eo qu^ramus an fides Tyrannis data violari jure ppsfit? facl'e intelhgitur non ad hoc ipeftandum efTe: An illi digni fine quihus fervetur fides , fed potius : Qualia fint efFedla violationis fidei publics? Num fi earn fallereliceret, par, tranquMlitas humani generis confer vari po^fit ? Fines offi- ciorum , notionumque omnium moralium accuratiflimede- terminari debenc, ne quae inter fe d'verfa funt confundan- tur. Definiendum v. P. qui fint defecfionjs judae teiiuin 5 ? OVER DE ANALOGIEj ENZ. 243 zyn van eene billyke zelfsverdediging, waar de. zelve eindigt en de wraak begind ? Welke de grenzen zyn van waare verdraagzaamheid , bui- ten welke zy in eene ongeoorloofde toelaating overgaac 5 hoe eenige noodzaaldyke ftrengheid van wreedheid 9 goedertierendheid van flaphar- tigheid , uit onverftand voortkomende , onder- fcheiden zy. Verfcheiden plichten raoeten zoo uitgedrukt en bepaald worden , dat zy niet tegen elkander fchynen aan te loopen ? wyl men in het Goddelyk verftand geene tegenflrydigheid kan onderftellen. Wanneer de befchouwing eener zaake te ingewikkeld fchynt , moet men trachten 'er verfcheide omftandigheden van af te zonderen ., en men moet duidelyk toonen , wat ieder haarer uitwerke of welke verandering zy baart 3 het geen byna op dezelve wyze moet gefchieden , als wy gebruiken om de al te zeer ingewikkelde Natuurkundige uitwerkingen tot haare uorzaaken te brengen, Indien Ubi ea definat, & ultfo incipiat ? Qui fint veri toleran- tise fines, ultra quos ea in veticam conniventiam ahear ? Quomodo necefTaria feveritas a crudelirate , dementia a leniiate nimia , ex imbecillitate veniente , diflinguantur P Officia varia ita exprimenda , ae determinanda , ne inur fe pugnare vid.eantur, cum nulla in ineelleftu Divino con- dpi po^fit repugnancia. Ubi confideratio rci nimis vidttur intricata, danda opera ut circumftanciae varias a fe feparen- tur , & quid unaxjuasvis efficiac , vel mutet diilinde ex- ponatur , quod eodem ferme fieri debet modo., quo vet famur in complicacis cimis Phyficis pfFe^i-bus ad fims cau* fas referendis. si 2 4 6 II. AJNTWOORD cp SE VRAAGE Indiea wy 'de Zedekundige kiindighedcn wel bcpcicilcl hcbben, zalten wys door dcri'.elver vergelyking en nafpooring , verfcheide- wr.su> hedcn ontdekken , die tot onze Natuur en zaa- ken buicen ons betrekking hebben. Het welke v/anneer wy pogen .te doen , verdiend de Re- duffle of overbrenging te hulp geroepen te worden , als door welke wy zeer moeilyke 5 en meer ingewikkelde gevallen, tot andere geiliak- kelyker en meer bekende te rug roepen. Dit nu gefchied op verfcheiden 'wyzen ; zomtyds laat de natuur der zaak eene onmiddelyke Re- duElie toe ; ja vereifcht dezelve- De Vmg , of een door vrees onbiMyk afgedrongene belofte in den ftaat der Natuur iemand verbind ., komt zeer na aan deeze volgende : Of alle vrede , door openbaare trouw bevestigd 9 moet gehou- den worden 9 naadien de Vorften onderling in den Natuurlyken ftaat leeven* Dewyl derhal- ven byna ieder zal toeftaan , dat de Vredes- ver- Si notiones morales benedeterminatashabesmus, carum coliatione , <3c atteniione ad noftratn reruniqae Naitjram fafta , varias verirates detegemas. Quod dum frcere 3a- nitimur in ufum praecipue merecur vo^cari redudio , cujus ope difficiliores magisqae incricati cafus ad alios foe '.o- res , nor'oresque , fed /tnalbgicos revocairsus. Variis au- tem id fie modis. Quandoque ipfa rei Natura inimedia- tam rcdutbonem admittit, imo fliigitat. QuaeR'o, an pnc- tum, injufto extortum metu, in flatu:iatu?r.Ti obligee v '; aiteri eft dlinis : An pax omnis 5'de publica mtcfppGta confirrnata fcrvanda fie, cum Reges vivaat inter fe in ftatu Karurali. Cum itaque pafta pacis non polle infirmari p.er OVER DE ANALOGIE, ENZ. 247 verbintenisfen niet konneri Verbrooken wbrden , door een uitzondering van vrees, (wane anders zoude men eincle of paal nan den oorlog konnen ftellen,) fchynt het, dat men van de verbinte- nisfen in den ftaat der Natuur het zelve moet oordeelen. Dikwils verkrygt men zulk eene rtduStte , door de zaak af te fcheiden van bm- ftandigheden, die'er vreemd van zyn; dus kon- nen veele twist -redenen ,-omtrent de plichten van Regeerders en Onderdaanen , uit de Na- tuur der verbintenisfen bepaald worden. Som- tyds gefchied deeze reduEKc door middel van een verd'igtzel , door de omflandigheden zo za- men te fchikken , als best is cm de waarheid te erkennen. Dus heeft iemand niet onge- lukkig beweezen 9 dat de Veelwyvery door de Natuur verbooden is ; uit hoofde dat 5 indien het gebeurde 5 dat een even groot getal Jonge- lingen en huwbaare Meisjes , door fchipbreuk op een vvoest Eiland geworpen waren , geen Jon,- ex-ceptionem metus omnes fere confentiant, ("nam fecus niHlus belhs impooi poflec modus & finis } videtur idem de padtis ftatu nacurali initis dicendum cffj. Ssepe reduc- tio.obcinetur rem a circumftanciis a re aiienis feparando. Jta multae de mutuis imperancium & civium officiis contro- veffi* ex natura paftorum definiri po{Iunc. Nonnunquam pcrficitur reduftio ope fi6tionis alicujus, circumftantias ita componendo ut vcntati agnofcendse eft accommodatisli- inum. Polygamiam v. g. a Natcra prohiberi probat non nemo baud infeliciter ex eo,-quod (i contingerec in de- fortam aliquam infulam parem juvenum virginumque DU- naufragio ejid 5 tuiji fane neuter illorum plures fi- Q. 4 J ' ias II. ANTW. OP DE V.RAAGE, Jon^eling ineer dan een Meisje zou konnen voor zyn Vrouvv ncemen , zonder den anderen ongelyk te doen. Het geen men nu ftelt in deeze woestc plaats te gefchieden , ziet men uit de waarneemingen , dat byna alom in de Wae- reld gebeurt. Ik zal nu met fpreeken van ande- re vvyzen , om moeijelyke zaaken tot ligtere te brengen. Deeze wyzen sullen meestal door de omftandigheden aan de hand gegeeven worden. Men begrypt ligtelyk , dat al het overige ; het geen wy van het gebruik der Analogic in de Jvlatuurkunde gezegd hebben , ook met de noo- cljge veranderingen ? op de Zedekundige Waar- heden kan toegepast worden. lias in uxorem ducefe pofTet , fine manlfefta reliquorum 5njuria. At, quod fingitur in deferto illolocoevenire, idem in hoc terrarum orbe fere contingere obfervationes docenc* Sponte taceo alios modos difficiliora ad faciliora reducendi, quos plerumque circumftantiae fuppeditabunc. Facile autem intelligitur reliqua etiam, quse de Analogic in fcientia Naturali ufu diximus , moralibus quoque verita- tibus baud incommode mutatis mutandis applicari pofle. ONDER- Bhdz. 449 ONDERZOEK N OPENS HET ZEDELYK LOT D E R KINDEREN N A DIT LEVEN; DOOR LJMSERTIUS METER. r S8E&5^^ I N H Q O D; I 1 TOfet belang en de aanleiding van dit On- jtjl derzoek. II, Waaromtrent men zedig behoort te werk w gaan. III. De orde , en bet beloop , in dit onderzoeK gehoudeo. O 5 DE 050 OVER HET ZSEDELYK LOT DER DE EERSTE AFDEELING. JVaarln de htgwallen^an dit Onderwcrp, en d vcrfcbiliuide gcdagtcn.dcr Gtleerderi daaromtreni nagcgaan ivordeu. g. IV. Wat Heidenen en Joodcn 'er over dachcen. V. Her gevoeien der Quden laac zich gevoeglyk in dnecrlei meningen onderfcheiden. Die \r on gun fit g over dagten. Griekfchc Kerk- Leeraars. VI. Latynfche , en voornaamlyk AUGUSTINUS. VII. Navolgeren deszclfs. VIll. De Schoplfchc Godgeleerden. IX. De Godgeleerden der Roomfche Kerk. X. Waarby hec gevoeien van P. UAYLE gevoegd word. XL Kerkvaders , die 'cr gun/tiger over dagtcn. Griekfche. XII. Latynfche. XIH. Vervolg hiervan. XIV. Het gevoeien van BERNFIARDUS en anderen. XV. Die eencn middenweg wjluegen ; UvJ oude Pe- lagiaanen. XVI. Zommige Schoolfche Godgeleerden. XVII. A'adereh , die nog verder ginger, XVIII. Hec gevoeien der Protestanten hierottntrent ia hec gemeen, ^ XI X. Van de Augsburgfche Belydcnis. * XX. Vervolg daarvan. Gercformeerden. Vervolg daarvan. XXIII. Aanmerking over der Prorestanren gevoeien. XXIV. Zommigen zoeken den grond voor der Kinde- ren bchoudenis in de Kerk. . XXV.' * ? K I N D E R BN SA nir LEVEN. g. XXV.. Voornaametyk FORBESIUS. XXVI. Zummige / ! r NA Oil LKXY.N. $ I- Van veclen , en op eene zeer verfchillende \vyze , is die ondenverp , aangaande het v -on rockomend lot der Kinderen., behancleH , het geene \vy \vel gcheel en al aan zyne plaats konden laaten , by aldien wy den ten Rechter de jonglle beilisfmg vanalle menichlyke zaaken en derzelver lot , die Hem illeen toekomt, flechts konden toevertroawen. Dan dewyl ons verftand al doorgaans zoo geaart i> en handelc , dat wy, op het hooren of ver- 4icmen Vjua oenig voorftel, al ras het zelve aan oas oordeel onderwcrpen , en daaromtrent of eene toeftemmcnde , of eene ontkennende uit- .iak by ons zelven opmaken. Dc\vyl onderwerp met andere waarheden en leer- .:n den Christelyken Godsdienst in een naauw verband ftaat , zoo dat het zich van zel- v^ , en buiten ons zoeken , dikwyls aan onze bcdenkingen vertegen\voorjigt en aanbiedc. Dewyl KINDEREN KA DIT LEVEM. 255 Dewyl het eindelyk by ons geliefde Voorwer- pen zyn 5 omtrent wclkcn deeze bedenkingen gaan , en welker tederhartige bezorging wy 5 zoo hng de Voorzienigheid 'er ons toe roept , nimmer mogen ter zyde ftellen , die ook , wan- neer wy ze misfen moeten, met grievende finer- ten van ons nagezien worden , en omtrent wel- ker lot wy niet onverfchillig mogen zyn ; zoo kan het niet als onbillyk en onbetaamelyk afge- ketird worden 5 wanneer iemand dit ftuk be- daard en naauwkeurig poogt nategaan , de zwaa- righeden en duisternisfen , die zich daarby op- doen , poogt te ontwarren en opteheldeVen , en 5 zoo verre het doenlyk is 5 naar zekerhcid en gronden , waarop men berusfen kan , zoekt. Om deeze reden, en de aanleiding in den weg der Voorzienigheid het medcbrengende , heb- ben wy dit flak by herhaalde overdenkingen na- gegaan 9 en het geene ons daaromtrent is voor- gekoinen , wel aan anderen willen mededeelen. De hooggeleerde Heer VENEMA , verre van dit aftekeuren , verklaart het voor eene uitmuntende en lofwaardige poging , wanneer men de zwaarigheden , die zich hierby opdoen, poogt opteruimen , en op eenigzins aanneem- lyke gronden hieromtren: iets te bepaalen. JDis- fert. Sacr. L. i. c. i. $. i. p. 494. S* IL 256 OVER HET 2EDELYK LOT $.11. Dan dit moeten wy hierby vooraf herinne- ren , dat dit onderwerp , aangaande het toeko- mend lot der Kinderen , zoo ooit eenig andcr ftuk, onder die voorftellen moet gerekend wor- den, omtrent welken men, behoudens de waar- heid ende der vreede , verfchillend denken kan. Het donkere 5 waarin wy dit flak , van welk eenen kant wy het ook begluuren , altyd be- fchouwen : de verfchillende gevoelens en twis- ten van 200 veele geleerde Mannen , die hier* omtrent hebben plaats gehad , maken dit ondei'- zoek moeijelyk. De befchouwing van de on- derwerpen , als van redelyke wezens , tot een eindeloos beftaan opgelegd : de aanmerking der Godlyke Deugden , die zich in de \vegen met , en de behandeling van redelyke Schepfelen openbaaren : en het nagaan van den weg ende de voorwaarden tot behoud van ons ontaart en zondig geflacht , in het woord van God voor- gefteld ? kunnen het gemoed 5 by het onder- zoek hieromtrent , lichtelyk dan zoo , dan an- ders zwenken. En hierom is het niet vreemd , dat de gedagten der Geleerden over dit ftuk zoo verfchillend uitgevallen zyn ; naademaal een ieder hieromtrent bepaalde , het geene hem best voorkwam , of met zyn leer-ftelfel 5 of andere begunftigde gevoelens meest fcheen te ftroofeo. Doch KINDEREN NA DIT LEVEN. 357 / Doch in hevigheid en driften met anderen hierointrent te twisten , is zekerlyk onvoor- Zichtig : en hen , die van ons in die ftuk ver- fchillen, zelf te verketteren , is onheufch en liefdeloos. Een befcheiden en bedaard onder- zoek moet hier billyk plaats hebben , en de zucht en liefde der waarheid , om die te ont- dek.ken <> moet ons hierby gaande maaken en bezielen. S- 1 1 1- Op deeze \vyze znllen wy dit ftuk 9 zoo veel ofis doenlyk, nagaan, waaromtrent wy ons deeze orde hebben voorgefteld : dat wy eent de gefchiedenis van dit onderwerp ? of de vei- fchillende gedagten der Geleerden daaromtrent kortelyk opgeeyen ; en ten-tweeden ^ het geene ons daarby nicest waarfchynelyk voor- komt 5 voorftellen ; en eindelyk dc gevoe- lens van anderen zedig beoordeelen , en hunne zwaarighedea popens het onze oplosfen. XXIL Dtef, R DE SJ 3 OVER IIET ZEDELYK LOT DE EERSTE AFDEELING. Waarln de gefchie&enls van dlt en de yerfchilltnde gedagten der Geleer- den daaromtrent warden nagefpoord. . I V. Het zou wel niet onaangenaam zyn , wan- neer men , om dit ftuk wat hooger optehaalen , naging , welke hieromtrent de gedagten van de verftandigften onder de Heidenen , die over zaaken van den Godsdienst iets nagelaaten heb- ben , geweest zyn. Dan devvyl dit eene meer dan gemeene kennis en belezenheid in^derzel- ver fchrifcen onderflelt : ep vooral ook , dewyl het leerftuk van de onfterflykheid der Ziele by hen al veel zeer in het donkere lag , en aan veele tvvyfelingen onderhevig was , en by hen , die het zelve beleden , onder een inmengfel van veele andere gevoelens bedolven lag , die der vvaarheid niet weinig tot nadeel en bezwal- king flrekten; zoo z.ou'er veelligt weinig vrucht van dit onderzoek te verwachten zyn. Ook zullen wy niet onderzoeken , wat de Joodfche Meesters hieromtrent gedagt en be- paald hebben ; alhoewel het zich , uit hun ge- voelen nopens de befiiyd^jois , welder noodzaa- kelyk- KINDEREN NA BIT LEVEN. 259 kelykbeid zy doorgaans zeer bygeloovig verhef- ten , lichtelyk laat opmaken , dat zy van het ontvangen of niet ontvangen van dezelve , der Kindercn gelukkig of rampzalig lot afhangelyk maken. Alhoewel 'er ook zyn 5 die met eenen vermaarden Meester onder hun , ABENZRA het voor eene dvvaaling verklaaren : 5 , dat een j, Kind zonder de befnydenis ontvangen te heb- ben , geftorven , geen deel zou hebben in het toekomend leven. " HEIDEGGER. His- tor. Patriarch. T. IL Exerc. vn. J. 19. S- V. Komen wy tot de vroegere Leeraars der Christencn , wy vinden by hun een groot ver- fchil van meeningen hieromtrent. Niet weini- gen zyn 'er , die de Kinderen , wen ze onge- doopt geftorven waren , tot de eeuwige vlam- men verweezeu ; gelyk J, G. Vossius, Dis- put de Baptismo VII. .21. getuigt. Wanneer zy over den Doop en deszelfs noodzaaklykheid handelden , verldaarden zich veelen ook om- trent dit ftuk. Onder de Griekfche Kerk - leeraaren heeft, op die gemelde ftrengere wyze 5 zyn gevoelen uitgedrukt DIONYSIUS , de Areopagiet byge- naamd 5 in het Eoek de Hierarchia'Ecckfiaft. c. 2* by aldiea by de Schry ver van dat back R 2 maar sdo OVER MET ZEDELYK LOT DER maar is. Das dagt 'er ook over CYPRIANUS, Libri de Lap/is , by FORBESIUS, Inftruft. Hiftorico Tfieo/og. L. X. c. V. . 2 & 5. En CYRILLUS HIEROSOLYM. Catech. III. by Vossius, 1. c. aangehaald. Men fchreef naamelyk , reeds in de tweede Eeuw , en nog meer vervolgens in de derde 5 aan den doop de- uitneemendfte krachten en uitwerkfelen toe :. dat die tot vergeving der zbnden diende , de wederbaarende en vernieuwende genade - gavea des Heiligen Geests aanbragt : en beriep zick daaromtrent op des Heilands uitfpraak. JOH. III. vs. 5. Gelyk van den Heer VENEMA , His- tor. Ecclefiaft. V. & N. T. T. III. p. 485. feq. uit JUSTINUS MART. IREN^EUS , en CLE- MENSALEXANDR. Kerkleeraaren in de twee- de Eeuw 5 en TERTULLIANUS ? dieinhet laatfte der tweede en het begin der derde Eeuw leefde 5 is aangetoond , terwyl als getuigen hier ' voor uit de derde Eeuw CYPRIANUS en FIR- MI L i A N u s worden aangehaald , 1. c. p. 665.- Hieruit nu fproot het bezef van de onontbeer- lyke noodzaaldykheid des Doops , en tevens 3 dat men de Kinderen , die ongedoopt ftierven , uit den Hemel en van de zaligheid weerde , naardemaal ze van het geene daartoe vereifcht wierd , en dea weg baande ? ongelukkig ver- fleken waren. Meri R1NDEREN NA DIT LEVEN. Men gebruikte ondertusfchen die gemaatigd- heid omtrent de Kinderen , die den marteldood ondergifigen , dat men het gebrek van den Wa- ter -doop him zoo zwaar niet toerekende , en gunftiger van hun dagt, naardemaal de martol- dood , dien men toen ook wel eenen bloed- doop noemde , gerekend wierd niet alleen het gebrek van den water-doop te vergoeden, maar ook ruim zoo krachtig te zyn tot wegneming der zonden, en om den menfch met God naauw te vereenigcn. VENEMA, L c. p. 486 feq. Ook was men zoo toegevend omtrent hen , die buiten hunne fchuld den doop moesten derven 5 hoedanigen men na derzelyer dood nogte den hemel toewees , nogte ter helle doemde , maar na zekere derde plaats ? ofte eenen ftaat tus- fchen beiden verzond. En dat dit ook het heerfchend gevoelen in de vierde eetiw gevveest zy, heeft de Heer VENEMA, T. IV. p. 122 & feq. uit CHRYSOSTOMUS , GREGORIUS NAZIANZ. en NYSSENUS ? BASILIUS M. en anderen getoond. $ V I. Onder de Latynfchc Kerk - leeraars zyn de meesten ook met die gevoelens ingenomen ge- weest. De verniaarde Bisfcbop te Hippo in de vyfde eeuw 5 AUGUST INUS , is veelcn hierin een voorganger geweest. Hy verklaar- R 3 de , OVER HET ZEDELYK LOT DER . f de , dat de Kinderen 5 die ongedoopt ? of bui- ten den martel-dood uit dit leven wierden weg- gerukt , niet in den hemel kvvamen 5 maar aan de ftrafffen des tweeden doods onderhevig waren. Lib. de Origin, peccato, c. 18. en elcfiTs in zy- ne fchriften , uit vvelken de getuigenisfen ver- zameld en aangehaald zyn. by FORBESIUS, 1. c. L VIII. c. II. . so. L. V. c. V. &c. De erfzonde was , naar zyn oordeel , voldoen- de , cm de Kinderen , die van het geloof ver- fteken, en het bondzegel, het'welk de weder- baarende genade , en den ingang ten hemel aan- brengt , niet deelachtig geworden waren , tot den afgrond der eeuwige rampzaligheid te ver- wyzen. Dan gemaatigder , gelyk ook an- dere voor hem , dagt hy nopens de geene , die buiten hunne fchuld den doop hadden moeten derven. Ook ontfloeg hy hen van dit harde vorniis , die den martel-dood ondergaan had- den. En over het geheel poogde hy dit onge- lukkig lot der gedoemde Kinderen daardoor te verzagten , dat hy den allerlaagften trap , ofte het allerlichtfte van de verdoemeniS hun ilechts toefchreef ; naardemaal ze alleenlyk de erfzon- de , en geen eigenc ofte daadelyke zonden tot hunnen last hadden. Dit gevoelen , met de gronden , op welken hy het bewees ? heeft de Heer V ENEMA , hi ft. Eccfcf. T. IV. p. 567 feq. midsgaders hoe noodzaaklyk by den doop fteld ; p. 435. uitvoerig vsrtoonci. .- Men meent K1NDEREN NA DIT LEVJSN. meent ondertusfchen , dat AUGUSTINUS uit groote hevigheid en drift in zyn twisten met de Pelagiaanen , eij om tegen deezen de erf- zonde ftaande te houden > en de noodzaaklyk- heid der wedergeboorte ende des doops te be- toogen , tot die geftrengheid omtrent de Kin- deren zou vervallen fcyn. FORBESIUS, 1. c. L. X. c. V. . i. Ook heeft men aange- merkt , dat die Kerk - vader hieromtrent wel eens van zich zelven verfchilt , en niet altyd op die zelfde wyze dagt of fchreef. Zie FOR- BES. 1. c. . 3. Vossius , 1. c. . 23. Dan by dit alles word hy doorgaans onder de voorftaanderen van der Kinderen harder lot n$ dit leven gerekend. . V I I. K Hierin zyn hem veele naargevolgd. F.UL- CENTIUS verklaarde , dat ze de Itraffen des tweeden doods ondergingen , en in den poel van vuur gekweld en gepynigd wierden. Lib. de Incarnat. & Gratia Christi , & de Fide ad Petr.Diac. c. 3 & 29. GELASI.US, Bis- fchop -te Rome , verwees hen in den oordeels- dag ter flinkerhand van den Rechter. Ook verfchilden INNOCENTIUS en GREGORIUS MAGN, hiervan niet. Hunne gevoelens , bewyzen en woorden zyn by Vossius, 1. e. en FORBESIUS, L c. . 9. en elders aangehaald. R 4 . VIII. 264 OVER HET ZEDELYK LOT DER $. V I I I. Toen in het vervolg van tyd de Schoolfche Godgeleerdheid , gelyk men ze noemt , zich eenen naam en opgang maakte , is *er ook over dit ftuk niet weinig getwist. GREGORIUS ARIMINIENSIS, een Beftuurer van de Au* gustyner orde , in het midden van de veertien- de eeuw , een man van grooten naam , verliet de in zynen tyd vry algemeen gunftiger gedag- ten nopens het toekomend lot der Kinderen , en vereenigde , nevens eenige anderen , zich met het gevoelen van AUGUSTINUS: waar- om men hem ook den bynaam van een leul der Kinderen (Tortor infantum) heeft toegfelegd. Zie G. G. LEIBNITZ , Iheodic. . 92. En de ver- maarde Spreuk-meester, PKTRUS LOMBARDUS , die de Schoolfche Godgeleerdheid tot den hoog- ften top voerde , was , met veelen zyner aan- hangeren , in het zelfde gevoelen. Sentent. IV. Diff. 4. gelyk FORBES. 1. c. . 7. heeft aan- gewezen. Ook hebben zich naderhand veele Bisfchop- pen en Godgeleerden in Frankryk met hec ge- voelen van AUGUSTINUS vereenigd , en de Kinderen , die in hunne onnozelheid , doch zonder doop geftorven waren , tot een eeu- wig vuur gedoemd. Men ziet dit in eenen Brief., uit naam van vyf Bisfchoppen aan Pans Inno- KINDEREN NA BIT LEVEK. *$$ Innocetitius XII. tegen een boek van den Kar- dinaal STONDRATI, gefchreeven ; alhoewel zy daarin het gevoelen , dat de ongedoopte Kirsderen enkel aan ftraffen van gemis onderhe- v>i waren, met durfden veroordeelen , naarde- maal die mening van THOMAS AQUINAS in andere Mannen van naam zyne voorftaanderen had. LEIBNITZ, 1. c. . 93. Alwaar opk nog r^gerccrkt is, dat NICOLIUS het zelfde ge- voelen van AUGUSTINUS, tegen JURIEIT te bepleken , dog pngelukkig ? tot zynen taak ge- nomen heeft. I X. Dit gevoelen heeft ook op de Trentfche Kevk- vergadering gediend , dog weinige Aan- hangeren gehad ; want die Vaders hebben het gevoelen van AUGUSTINUS en GREGORIUS ARIMIN. verlaaten, en daaromtrent iets anders bepaaid, waarvan wy vervolgens melden zullen, Men heeft echter onder de Leeraars der B oomlche Kerk ? vvelken dat flrenger gevoelen goed fcheen 9 en die de ongedoopt geftorvene Kinderen verdoemden. Dusfchreef BUS^EUS, fa Stti-ibus horninum, p. 151. 157 feq. 'er over. En DOMINICUS A SOLO, de Natura & Gratia., L. II. c. 10. Dat het in de Room- 9 , fche Kerk ^een meest aangenomen gevoelen is 3 dat geen Kinderen , die den doop niet R 5 OVER nfir ZEDELYK LOT DER ^ daadelyk ontvangen hebben , dien ze zelf niet eens verlangen kunnen , in het Koning- ryk derhemelen ingaan. 5> En BELLARMI- NUS, fo Jtmif. grat. # Volgens het geloof der Katholieke Kerk heeft men ta ftellen 5 dat de Kinderen ? die zonder doop geftorven zyn 99 tot den eetiwigen dood gedoemd worden. " En elders : De Kerk heeft altoos geloofd , 5 , dat de ongedoopte Kinderen verloren gaan. " Ook geeft de Trentfche Katechismas 5 in het hoofdftuk over den Doop, dergelyken op. Zie J. G. WALCH , Disf. Iheolog. dc Fide In fan- turn in utero^ . 6. X. Onder de Protestanten is ons tot hiertoe geen Godgeleerde bekend 5 die met dit harder gevoe- len omtrent het lot der onnozelen zich veree- nigd heeft , buiten den eenen beruchtten P. B AYLE , die zyn werk opzetlyk fchynt gemaakt te hebben 5 om tegen de Godlyke goedertie- renheid en derzelver bedeelingen veele zwaa- righeden op te ftapelen , als of hy zich aange- pord vond , om de zaak der oude Manicheen en hutine gevoelens te bepleiten. Deszelfs gevoe- len hieromtrent heeft hy , niet zonder de God- lyke goedertierenheid hoonende trekkcn, in ec- ne zvvaarigheid das uitgedrukt : Wanneer een ,5 zeer groot- volk over het geheel-zich aan opr roer KINDEREN NA PIT LEVEN. 267 H roer en muitery had fchuldig gemaakt , daa h zouden het geen bewyzen van eene genoeg- 5, zaame en deoverhand hebbende genade zyn , 55 indien een honderd duizendile gedeeke daat 55 van verfchoond wierde , maar de overige alle , 5 , de onnoozele zuigelingen eens zelf niet uit- 5 , gezonderd , den dood moesten ondergaan.'* Refponf. ad Quafita Provincial. T. III. c. 148. axiom. 18. heeft hy dit iiitgelaaten ? en c. 178. p. 1223. die zelfde zwaarigheid wederom aaa- gedrongen , en zich als een verdediger van het bo ven gemelde gevoelen van NICOLIUS op- geworpen. Zie LEIBNITZ, 1. c. . 133. J. XL Dan dit omtrent de Kinderem min. gunflig gevoelen heeft by alien geen ingang ofte goed- keuring gevonden. 'Er zyn ook onder de ou- de Kerk - leeraaren , die nopens het jongfte lot der oniiozelen gunftiger gedagt hebben. Onder de Griekfche Kerk-vaderen heeft IRENJEUS , adverf. Bteref. L. II. c. 22. zich hierover dus uitgedrukt : 5 , Christus heeft al- 55 le de leef-tyden der menfchen doorgewan- deld , ten einde Hy alien behouden zoude : 55 alien 5 zeg ik , die door Hem tot God vve- 3> derom geboren worden : Kinderen 5 en klei- nen 9 en knaapjes , en jongelingen , en ou- dere OVRR HET ZEDELYK LOT DER , dere lieden : voor de onnoozele Kinderen i, (Jnfans^ is Hy een kind geworden , om de kinderen te heiligen : en voor de jonge kin- deren een jong kind ? om te heiligen 5 die van zulk eenen oudeitlom zyn." BOTSACC. Moral, gedan. p. 103. en Vossius 1. c. disp. XIV. . 7. hebben dit aangehaald , als een ge- tuigenis uit de tweede eeuw voor den Kinder- doop , daar de uitdrukking van wederom gebo- ren te worden op doelen zou. De Heer VE- NEMA , die Hi ft. Eccl. T. III. p. 467. deeze plaats ook aanhaalt ? en die betekenis der fpreek- \vyze ook toeflemt , vindt dit getuigenis hier chter niet als ongetwyfeld ; dewyl 'er in het voorgaande en volgende van den Doop geen melding voorkomt. Dit wedergeboren le wor- den door Christus zou dus ? zyns oordeels 5 zoo veel zeggen als geheiligd^ dat is 5 zalig worden door Christus. De zin van dit gezegde zou 9 by gevolg , kunnen zyn , dat Christus , alle der menfchen leeftyden doorwandelende , door dit zyn voorbeeld heeft willen te kennen gee- ven , dat Hy gekomen was , om menfchen van allerlei ouderdom , ook de kinderen , te heili- gen , dat is , zalig te maken. En volgens die verklaaring ligt die gedagte en ftelling , die wy hier bedoelen , in dit gezegde rechtftreeks en zeer duidelyk opgefloten. In de vierde eeuw vinden wy BASILIUS MAGNUS, die den doop niet volftrekt noodza- kelyk KINDEREN NA BIT LEVEN. 269 kelyk ter zaligheid ftelde ; want de geenen ,. die men niet zeggen kon deri echten doop ontvan- gen te hebben , welken men overzulks moest oordeelennog ongedoopt te zyn, verklaarde hy 9 dat , ftichtingshalven , niet behoefden wederom gedoopt te worden. Kon nu iemand , naar het oordeel van dien Kerk-vader zalig worden, of- fchoon hy 5 welvoegelykheids - halve, niet ge- doopt ware ; hy zal dan ook den Kinderen, die ongedoopt fterven , de zaligheid niet hebben af- gefproken. Vossius, 1. c. Disp. VII. . 25. $. X I L Onder de Latynfche Kerk-leeraars was TER- TULLIANUS , in de derde eeuw, wel van dat gevoelen , dat de doop de heerlykfte nuttighe- den en uitwerkfelen had ; hy begreep echter ook, dat men dien daarom niet verhaastenmogt > maar ried deszelfs uitftel aan , vooral ten aan- ziene van de Kinderen. En nopens de Oude- ren , die om de behoUdenis hunner Kinderen , wen ze ongedoopt fterven mogten , bekom- merd waren , die dan ook op hunne begeerte 9 naar een gebruik , in dien tyd , dezelve ge- doopt kreegen , fchryft hy , dat zy meer no- pens het verkrygen , dan omtrent het uitftellen van den doop, by aldien zy deszelfs gewigtbe- grepen , bekommerd zouden zyn. By het uit- ftellen v^tn dien hadden de Christenen mets te vree- 170 OVER HET ZEDELYK LOT DER vreezen ; want de behoudenis is , by een op- reeht geloof , veilig genoeg 9 en de Kinderen worden door het geloof hunner Ouderen zalig. En hiervoor brengt hy i KOR. VII. vs. 14. by, en verklaart die htiligheid , door den Apostel aan de Kinderen toegefehreven , als een voor- recht van derzelver geboorte - lot , waardoor ze tot heiligheid en zaligheid beftemd waren , en in den zelfden ftaat raaken met him , die uit watet en Geest geboren worden , dat is , met volwasfenen , die gedoopt worden. De Bap- tismo , c. 1 8. & Lib. cie Anim& , c. 39 , 40. aangehaald by den Heer VENEMA, T. III. p. 4(5(5. Ook was in de vierde eeuw een begunftiger van ditbetere lot der Kinderen, CYPRIANUS, die , ' Epist. ad Fidem , L. III. Ep. VIII. dus fchreef : Wat de Kinderen aangaat , wy 3, hebben alien geoordeeld (eene vergadering 3, naamelyk van LXVI Bisfchoppen) dat geen 33 menfchen-ldnd Gods genade en barmhaitig- 3, heid ontzegd mag worden/* En vervolgens : 33 Dat God zyne gunften zoo wel aan de Kin- deren, als aan volwasfenen bedeelt. 3<3 Want God , die geen aannemer des perfoons 33 is 3 ziet oolc niet op den ouderdom , maar vergunt aan alien eenen gelyken toegang tot 3, zyne hemelfche genade. Worden 5 , den grootften zondaaren , die zich voorheen , zeer KINDEREN NA DIT LEVEN.. 271 zecr tegen God bezondigd hebben, wanaeer 5, ze naderhand gelooven , de zonden verge- ven : word 'er niemand van den doop en de genade uitgeiloten ; hoe veel te minder mag men dan een Kind uitfluiten , het welke , onlangs geboren , nog geen zonde gedaaa heeft 5 maar alleenlyk door zyne vleefchlyke geboorte uit Adam onder de fchuld des doods ligt ? Zal dit niet zoo veel te eerder de ver- geving der zonden deelachtig worden ; naar 5> demaal aan het zelve geen eigene , maar 3, vreemde zonden vergeven worden ? Hier- om , myn zeer geliefde Breeder ! is dit , in de Kerk - vergadering ? ons beiluit geweest , 5 5 dat wy niemand mogen uitfluiten van den doop , ende van de genade van God 5 die omtrent alien barmhartig , goedertieren en getrouw is. Moet nu dit omtrent alien waar- ,, genomen en vastgehouden worden; hoe veel ? , te meer dan ook omtrent de Kinderen en jongst-geborenen, die terftond na hunne ge- boorte fchreijen en weenen , en dus niet an* ders doen , dan fmeeken : die overzulks de voorwerpen van onze behulpzaame hand, en* de van Gods ontferiningen zoo veel te meer verdienen te zyn ?" En dit getuigenis, fchryft Vossius, 1. c. Disp. XIV. .9. is van zoo veel te meer gewigt , dewyl het zelve het oordeei was van LXVI Bisfchoppen ? in eene Kerk-vergadering*. XIII. OVER HBT ZEDELYK LOT DER t . XII L AMBROSIUS, een getuige uft die zelfde eeuw , zegt , de Abrah. Patriarcha , L. II. c. 2. ., Geen aankomeling '(tPrqft/iit') , die oud van jaaren is 5 geen kind , een inboor- 37 ling zynde , word 'er uitgeflooten ; want el- ke leef-tyd is aan zonden onderhevig , en overzulks ook vatbaar voor het bond-zegel. ?> , Indien iemand niet weder geboren word uit water en den Heiligen Geest 5 kan 3 , hy in het koningryk van God niet ingaan. " Daar word zekerlyk niemand uitgeflooten, geen kind 5 niemand , die door eenige noodzaaklyk- heid belemmerd is. Vossius 1. c. . 10. En Ho MIL. in obit. Valentin, zegthyvanden overledenen , dat dezelve , hoewel ongedoopt geftorven , een beter lot was deelachtig gewor- den. En beroept zich op het voorbeeld van David , die terwyl zyn zoontje ziek was, rou- we bedreef , uit vreeze , dat het hem ontrukt zou worden ; maar niet langer weende , na dat het geftorven was , naardemaal hy wist , dat het by Christus was. Hy treurde over zynen aan bloed - fchande fchuldigen zoon Amnon 5 insgelyks over den breeder -moorder Abfakm^ weetende , dat beiden in hunne zonden geftor- ven waren. Maar over den dood van dit zyn onnoozel zoontje had hy geen rouwe ; dewyl by geloofde , dat het zelve > als nog onnoozel zyn- RlNDERBN NA mr ifivfiw. ttynde , le ven zou. FORBBSIUS, die die aan- haalt , 1. c. L. X. c. 6. . 2, merkt op dit be- wys van dien Kerk-vader aan, da dezelve van oordeel geweest is , dat dit geen byzonder voor- recht van Davids kind , boven die van andere geloovigen geweest ware ; maar dat David zyne hooftgroriden van het wedervaaren van alle kjn- deren der geloovigen , die in hunne kindsheid fterven > ontleend 5 en dus niet uit een byzon- dere ppenbaaring had* . XIV. Vooral heeft zich de zaak der Kinderen ook ieer aangetrokken de verrnaarde Abt B E R N- HARD us uit de twaalfde eeuw. Dorn. in ran-.* palmar. Serm. i* Opp. p. m. 33. fchryit hy dus : 55 Die als een Kind geboren is , en den 35 ftand der onnoozele Kinderen tot zyn eerfte 3j lot verkoos , fluit ook thans geen Kinderen 5 , uit van de genade. Dit ftrookt met hunne 5, onnoozelheid 5 en is eene lichte zaak voor 55 zyne Majefteit 5 dat Hy door zyne genade - 5, goederen vervulle , het geen natuurlyk bo- 5, ven hun bereik is." - En S4rfri< fuper* Cantic. LXVI. fol. 186. gaat hy de verachte- ren van den Kinderdoop dus tegen : ^ Alhoe- ^ wel het Kind voor zich zelven niet fpreoken 55 kan 5 hier is echter het bloed van deszelfs ,5 broeder , en wel zulk eenen breeder , he XXII Dtel* we4 274 O V ER HET ZEDELYK LOT DER 35 welk van de aarde tot God roept : hier is tevens deszelfs moeder , de Kerk , die voor 3, het zelve roept : en het kind zelve , ziet gy 3, niet 5 hoe het hygt 5 en als aan de bronnen 33 des Zaligmakers tot God roept , weent en 35 huilt : Heere ik word onderdrukt , wees Gy 5, myn borge ? Het fiiikt om de hulp der ge- 35 nade , dewyl het onder den druk ligt van zy- j, nen oorfprong. De onfchuld van het ellen- 35 dig fchepfel roept 5 de onwetenheid van het kleine kind roept, de zwakheid van den doo- 3, peling roept. Alles roept hier dus : het bloed 3, des breeders , het geloof der moeder , het 35 gebrek des ellendigen , en de ellende des gebrek|cigen : dit dies roept tot den Vader. '* Dit bevestigt hy met het voorbeeld van de ge- loovige fmeekingen der Kananeeifche Vrouw : , ten voordeele van haare dochter , die door den Heiland geholpen is. En na eenige andere be- wyzen zegt hy eindelyk : met de woorden van IRENJEUS : Hierom is Christus zelve ook 5 5 een Kind geworden , en heeft alle de trap* r , pen van den menfchlyken ouderdom door ge- 3, gaan 5 om in geenerlei ouderdom iemand zy- 5 5 ne hulp te doen derven." Uitvoerig fchryft hy ook over dit ftuk, Epiflol. LXXVIL tid Rugon. de S. Victor e 5 fol. 221. feq. daar wy , dewyl die brief zeer wydloopig is , deeza hoofd-zaaken flechts uit optekenen. i.) Aan- gaande de woorden van Christus tgtNikodemus: inditn KINDEREN NA BIT LEVEN. inditn kmand met weder geboren word uit wo* ter en geest , kan hy in het koningryk der he- melen met ingaan , oordeelt hy , dat derzelver verklaaring al te hard zy en niet kan aangeno- men worden , wanneer men alien , die onge- doopt fterven , mits zy aan eene verachting van den doop niet fchuldig zyn , daardoor van de zaligheid uitiluit. 2. ) Dringt hy aan , dat naar- demaal de inftelling van den doop niet van ee- ne natuurlyke wet is , en overzulks buiten ee- ne voorafgaande afkondiging niet bekend kan zyn 5 men de geene , die , eer ze nog daarvoor vatbaar zyn , uit dit leven worden weggerukt , niet veroordeelen mag. 3.) Op de zwaarig- heid, die hier van eene verdoemende erfzonde gemaakt word , antwoordt hy, dat God, bui- ten den doop en de voorgaande befnydenis ook nog andere middelen heeft , om menfchen zalig te maken. In dit gevoelen ftonden ook deszelfs tyd-ge- nooten, HUGO DE S. VICTORS en PETRUS BLESENSIS, aangehaald by FORBESIUS, 1. c* c. 7. . i. en Vossius 5 L c. . 22. i- S- xv. Onder de Protestantfche Godgeleerden vindt men eenpaarig genoeg , dat ze omtrent dit ftuk. zeer gemaatigd gedagt hebben* Dan eer wy i S 2 4at OvfiR HET ZEDELYK LOT dat nagaaft , moeten wy nog de gedagten zommige 5 die met het tweederlei gemelde ge- voelen niet inftemmen , vernemen. Dewyl men hieromtrent niet wel iets vinden kon 5 het geene in alles met andere bekende waarheden 5 of aangenomen ftellingen overeen te brengen was , hebben zommige goedgevon- den eenen middenweg inteflaan. Dus heeft in de vierde eeuw GREGORIUS NAZIANZ. 5 Orat. de bapt. Theod. ap. FORBES. L. X. c. 3- $. 9. reeds geoordeeld , dat de Kinderen zoo vveinig met de hemelfche hecrlykheid beloond , als tot de flraflfen der 'verdoemcnis vaneenrecht- vaardigen Rechter verdordeeld wierden ; voor zoo veel ze den doop niet ontvangen en echter ook aan daadelyke zonden zich niet fchuldig gemaakt hadden. En de geleerde Kerk- vader ATHENAGORAS 5 in de tweede eeuw , Lib. de RcfurrtS?. p. 185. was van gedagten , dat , naardemaal de Kinderen goed noch kwaad gedaan hadden 5 zy zelf niet eens in het laatfte oordeel eene plaats konden hebben. VENEMA Dijfort Sacr. p. S37- De oude Pelagiaanen konden ook de onge- doopte Kinderen zoo weiriig tot het koningryk van God toclaaten , als zy dezelve tot de hel- fche pynen durfden verdoemen ; maar weezen bun eene zekere derde plaats toe , de yoorburg der Fader $n (liinbus Patruni) genaarad. FOR- BES. KINDERENf NA WT LEVEN. BES. 1. c. L. VIII. c. II. ao, 21. De Heer VENEMA , 1. c. T. IV. p. 568. merkt sian 5 dat ze oirderfcheid maakten tusfchen het eeuwige leven, en het koningryk der hemelen: het eerfte vergunden fcy den Kinderen wel , we- gens derzelver onnoozelheid 9 en onzondigen ftaat , doch alleenlyk wen ze gedoopt waren , volgens JOH. III. vs. 5. En dit word van "Au- GUSTINUS eene plaats van tweede gelukzalig- heid genoemd. Dan het blykt nergens duide- lyk ? waarin dat onderfcheid tusfchen het eeu- wige leven en het koningryk der hemelen zou beftaan hcbben. Dog het bekende zeggen van PE LAG i us nopens de Kinderen was : Waar ze met heenkomtn^ west /, maar wmrzehcen gaan , weet ik niet : waardoor hy eenen rnid- denftaat tusfchen hel en paradys bedoelde. En dit gevoelen wierd in de Karthageenfche , ofte Mileritaanfche Kerk - vergadering veroordeeld. Ook waren 'er onder de-aanhangeren van PE- LAGIUS , die zulk eenen middenflaat verwier- pen ; maar in beiden verfcheiden trappen ftel- den. Het is echter waarfchynlyk , dat ze eene natuurlyke gelukzaligheid , buiten het zalig aan- fchouwen van God , onder de bena^ming van het eeuwig leven bedoelden. Nog anders begrepen het de halve Pelagiaa- nen ? dat naamelyk de Kinderen 5 geduurende den ftaat van onnqozelheid geftorven , geoor- S 3 deeld 278 OVER HET ZEDELYK LOT DER deeld zouden worden naar het gecne zy zouden bedreven hebben , by aldien ze den ftaat van vohvasfenen zouden bereikt hebben : en over- zulla ten deele vrygefproken , ten deele ver- doemd worden. De Heer VENEMA Disfert. Sacr. p. 537. houdt dit voor ongerymd ? naar- demaal 'er niet geoordeeld word over het geene demand nog zou doen , maar over het geene hy gedaan heefu En hierby moest ook eene zoo- genaamde , naderhand zoo veel twist -ftof uit- geleverd hebbende 5 middenkennis onderfteld worden. Uit deeze aan God toegeeigende ken- Tiis hebben ook zommige Leeraars der Augsburg- fche Belydenis der Kinderen zalig of rampzalig lot afgeleid , gelyk WALCH , 1. c. $. 3. ge- tuigc , en het gevoelen van J. HJLSEMAN daaromtrent vertoont. J. X V L De meeste School -geleerden durfden hen wel niet tot de helfche vlammen veroordeelen , maar verwezen hen tot eene zekere voorburg , in welke zy wel niet te lyden , ofte geen ftraf te ondergaan hadden, doch van het zaligend aan- fchouwen van God verfteken zouden zyn. Doch zommige drukten zich daaromtrent liever zoo uit , dat ze wel niet in de hel geftraft wor- den , maar eene lichtere fooit van ftraf zouden hebben te ondergaan., nice eene branding, maar eene KINDEREN NA DIT LBVEM. 279 eene gevangenis. Dit gevoelen wierd door de H. BRIGITTA , die in de veertiende eeuw eenen grooten naam had , byzonder begunftigd en onderfteund ; dewyl men van derzelver ge- waande openbaringen te Rome veel werks maak- te , gelyk LEIBNITZ, 1. c. . 92. heeft aan- gemerkt. Bykans op diezelfde wyze heb- ben, gelyk aldaar .93. getoond is, /THOMAS AQUINAS, BONAVENTURA en andere daar over ook gedagt , en-gefteld , dat ze wel eene ftraf van gemis , maar niet de ftrafFen van ge- voel te ondergaan hadden : voor zoo veel ze naamelyk ongedoopt geftorven waren. Dit word ook van FORBESIUS , I.e. L. X. c. 6 . & c 7. J. i. aangetoond. In de Trentfche Kerk-vergadering wierd door de Godgeleerden van de Dominikaaner-Orde bepleit , dat de ongedoopte Kinderen , die voor het gebruik der rede geftorven waren , na de opftanding in zekere voorburg, ofte onderaard- fche plaats in de duisternis zouden opgeiloten , doch niet door het vuur gekweld worden : ge- lyk van P. SARPIUS , hiftor. CwiciL Irident. p. 157. bericht is. Alhoewel nu dit gevoelen veel gemaatigder is dan het bovengemelde ( . 5 i o. ) , zoo is echter de praktyk der Roomfche Kerk daar- omtrent zoo gemaatigd en toegevend niet ; naa- deinaal de geene , die nog ongedoopt zyn , als S 4 ilaa- OVER HBT ZEDELYK LOT flaaven en een eigendom van den Duivel Wor- den aangemerkt f uit welken de Duivel , door eenen plechtigen ban {exorcistifusji word uit- gedreven , eer ze werklyk gedoopt worden. En den geenen, die ongedoopt fterven, word geen begraafplaats op de kerk - hoven der Christened vergund , maar ze moeten elders pnder den groiid geftopt worden. 5. x v i L Dan hierby hebben zommige geoordeeld het xiog niet te moeten laaten berusten , maar den Kinderen zelf die ongedoopt overleden wgren , eene zeker^ natuurlyke gelukzaligheid toege- fchreven , gelyk , volgens LEIBNITZ , 1. c, AMBROSIUS CATHARINUS, ALPH. SAL- MERO , LUH. MOLINA , en andere gefteld" liebben. De Godgeleerden van de Franciskaaner ordq beweerden in de Trentfche Kerk - vergadering v clat ze op zekere plaats boven den aard-klooc verheven , en in het licht him verblyf zouden hebben. Zommige beweerden ook, dat ze mec de Wysgeerte , en befchoawing van de dingen der natuur zich bezig houden , en zulk een ge- noegen genieten zouden , als die geene in dit Jven ondervinden 9 die zich met voorfpoed in ^8 uitvidig pntdekkfa'g yan saalien kwyten KINDEREN NA DIT LEVEN, Ook voegde A. C A T H A R i N u s hier nog by , dat ze van de heilige Engelen en gezaligde men- fchen zomtyds bezoeken ontvangen en vertroos* tingen genieten zouden, Zie SARPIUS 1. c. Zelf keurde de Kardinaal FRANG.-SFON-. PR AT us dien toeftand eener gelukkige onfchuld der Kinderen nog boven den ftaat der gezaligde zondaaren. Alhoewel t fchryft hy , God hen 5, niet tot de hemelfche heerlykheid toelaat , 55 begunftigt Hy ze echter met eene andere en veel grootere weldaad , die zy , en wy zelve ook , by aldien daaromtrent eene keuze te 5, doen ftond , ongelyk hooger ? dan den he- 55 mel , waardeeren zouden. En deeze wel- daad is , dat ze , door eenen vroegtydigen dood weggerukt 5 nopens hunne periooneele onfchuld in veiligheid gefteld , buiten de mo- 5 , gelykheid van zoo veele, ten deele vergeef- ,, lyke, ten deele doodelyke zonden geraaken, ^ en aan geduurige en oneindige gevaaren van ? 5 en verzoekingen tot zonden onttrokken wor- 5, den 5 aan welken zy met den voortgang der 5, jaaren onvermydelyk zouden blootgefteld zyn , 9 5 en dus de eeuwige helfche ftraf tot eene prooi 9 5 worden. Hy wierd weggerukt , op dat deboos* 3 5 held zyn yerjtand niet zoude vtrandertn , of 5, de list zyne ziel bedrtegen. WYSH. IV. vs. 9.'* Deeze zyn deszelfs eigene woordeir, by LEIB- WITZ I q. OVER HEX ZEDELYK LOT DER Dit was ook het gevoelen van ALB. PIG- HIUS , die niet alleen eene ftraf van gemis den Kinderen flechts toefchreef , gelyk het meest by de School -geleerden aangenomen gevoelen medebragt ; maar ook zich verbeeldde , dat ze aan eene vry vermaaklyke plaats 5 het zy in dee- ze 5 het zy in eene andere weereld zich bevin- den , en onder het genot van eene zekere na- tuurlyke gelukzaligheid , God loven en danken zouden ; alhoewel uitgellooten van het koning- ryk der hemelen, dan hierover zouden ze geen ongemak hebben , niet treuren, of zich bekla- gen. Want dit zou eene tegenftrevigheid tegen Gods wil zyn 5 die niet vry ware van zonde. En naardemaal ze in dit leven geen verkeerde wils-neigingen gehad hebben, zoo was het ook niet waarfchynlyk 5 dat die in een ander leven in hun zouden plaats hebben. Dus word des- zelfs gevoelen voors;efl:eld van P. MARTYR, Loc. commun. Cl. II. Loc. i. . 5. & Cl. III. Loc i. 35. gelyk ook A. RIVETITS , Ca- thol. Orthod. Traft. III. Q. 3. Opp. T. III. p. 304. het zelve heeft voorgefteld 5 die ook ze- keren DE SILBON aanhaalt, als vereenigd met dat gevoelen. J. XVIII. Zedert de zestiende eeuw , met welke de Ketk-herforming begon aan te lichten ? vindt men KINDEREN NA DIT LEVEN. 283 men, dat de Protestantfche Godgeleerden dooi- gaans vry gemaatigd over dit ftuk dagten. Al meest komt men daarin overeen , dat men no- pens de Kinderen , die voor eenen volwasfenen ftaat , en het gebruik der rede fterven , het zy ze gedoopc , of ongedoopt zyn , het goede na dit leven hoope. En nopens de Kinderen der Christenen meent men , dat hun het geloof in Christus , het eenige middel , ora de genade en zaligheid , door Christus verworven , deelach- tig te worden , niet kan ontzegd worden. Dnn hoewel men nopens het geloof en de wederge- boorte , de voorwaarden der zaligheid , door Christus , ten aanziene der volwasfenen , zich onderling niet wel verftaan , en dezelve niet gereedelyk verklaaren , ofte bepaalen kon , in welk eenen zin , en hoedanig men die aan de Kinderen zoude kunnen toefchryven ; zoo ver- werpt men echter daarom de zaak , of die gun- ftige gedagte nopens het toekomend lot der Kin- deren niet. En het gefchil nopens die voor- xvaarde der zaligheid word by veelenjaangemerkt en behandeld , als of het flechts een woorden - twist ware. En over het geheel laat zich , no- pens die voorwaarden van der Kinderen zalig- heid, aanmerken, dat de Protestantfche Godge- leerden daaromtrent een drieerlei gevoelen om- helzen. Want zoramige vinden alles in Chris- tus , en de genadige toerekening van deszelfs verdienften , wat tot der Kinderqn zalig lot na die 84 OVER HET ZEDELYK LOT DER dit leven behoort. Andere zoeken en ftel- !en die voorwaarden perfoonelyk in de Kinde- ren > en tusfchen deepen heeft dan in 't byzon- der het gefchil plaats , nopens de wyze , hoe men dezelve in die onderwerpen moete begry- pen. En nog andere gaan hier te rug tot de Ouderen , in welken de Kinderen gerekend worden , in welken men dan ook de vervulling dier voorwaarden llelt , die den Kinderen , uit hoofde van een natuurlyk onvermogen , ont- breken zou. Dan , zonder juist naar deeze or- de ons hier te fchikken, zullen. wy de gcdagten van eenige Godgeleerden opgeven. . XIX. By de Broederen van de Augsburgfche Bely- denis word al meest het in de tweede plaats ge* rnelde gevoelen , aangaande de voorwaarde der zaligheid in de Kinderen 3 aangenomen. Men vindt in de Formula Concordite , uit den grooten Katechismus van LUTHERUS, hieromtrent dit volgende : 5 , Wanncer wy zeg- 9, gen , dat de Kinderen gelooven , en het ge- ^ loof bezitten ? is het geenzins onze mening, 5 , dat zy op eene verftandige wyze werkzaara 95 zyn 5 en geloofs - daaden oeffenen zouden. Maar wy will en daar door die dwaaling van hun tegengaan , die zich verbeelden , dat de KINDEREN NA DIT LEVS& a^S - gedoopte Kinderen Code behagen 5 en zon- . der eenige werking des Heiligen Geests in | hun , zalig worden. En alhoewel wy niet duidelyk verftaan , of met woorden ook niet 5, verklaaren kunnen , welke en hoedanige die \ werking des Heiligen Geests in de Kinderen zy , die gedoopt worden ; zoo is bet noch- " tans uit Gods woord zeker , dat ze 'er is en plaats heeft." Dit heeft uit CHEMNITII Exam. Condi. Trident, ad Can. XIII. dt Bap- tism, aangehaald J. L. FABRICIUS Dialog, dt Fide infantutor, Opp. p. 394, CHEMNITIUS zelve heeft dit flufc ook uit- voeriger behandeld , waarvan F A B R i c i a s L c. p. 395. dit uittrekfel geeft : Dat den Kin- deren , zoo veelen 'er zalig worden , de Hei- lige Geest van God gefchonken word , die in hun zekere v r erking heeft en voortbrengt. 99 Dat wy den aart van die werking en die 5 , gave niet verftaan , ofte met zekerheid be- paalen kunnen , die wy echter, hoedanig ze ,; ook moge zyn , het geloof noemen. . Niet als of dit zulk eene toeftemming in het verftand en vertrouwen der harten ware , hoedanig 'er in volwasfenen plaats heeft ; maar dewyl dat middel , waar door Gods ko- ;, ningryk , in het woord en de bond - zegelen 5? aawgeboden , aatigenomen word , in de Hei- 5? lige. Schriftuur dien Jiaam draagt." -C J. GER. 286 OVER HET? ZEDELYK LOT DER J. GERHARDUS verftaat door het daadelyk geloof, het welk men den Kinderen niet af- fpreken mag, allerlei werkingen des H. Geests, hoedanigen die ook zyn mogen , die tot 's men- fchen gerechtigheid en zaligheid dienen. Ibid. pag. 397. - Ook worden aldaar aangehaald BALDUINUS, BaocHMANenHuLSEMAN, als die raede in den Kinderen het geloof erken- nen. De laatstgenoemde erkent zeif in de Kinderen de wedergeboorte , hoewel niet de y in eenen naauweren zin dus genaamde , beke- ring. En elders leidt hy der Kinderen behou- denis ook af uit de zoogenaamde midden-kennis {fcientia media ) van God, en uit een voorge- zien geloof , het welke zy , by aldien een lan- ger leven him vergund ware , zoudeii gehad hebben. Zie J. G WALCHII Divert de Fi- fa injanum in utero , . 3. SEB. SCHMIDT heefc op de vraag : Of de Kinderen , die voor den achtften dag , en dus zonder de befnydenis ontvangen te hebben > ge- ftorven waren ',. ook waren zalig geworden ? dit te recht geantwoordt : Wei zeker ; want naardemaal ze door niemands fchuld , maar uit eene ftipte gehoorzaamheid aan het God- 5) lyk voorfchrift van dat bond- zegel verftekeh 5 , waren ; zo mag men oratrent dezelve geen mindere genade van God ftellen plaats tc 3> hebben, dan omtrent de Kinderen van zulke 9> KINDER EN NA DIT IEVEM. 287 ? , Geloovigen , die tot de befnydenis niet ver* plicht waren. Johannes do Dooper wierdt voor de befnydenis , en nog in 's Moeders buik zynde , met den Heiligen Geest vervuld. David geloofde de zaligheid van zyn op den 5, zevenden dag geftorven Kind zoo zeker, als hy zyne eigene hoopte. Want de belofte, die den Ouderen door de befnydenis toege- 'past en verzegeld wierd, dat God him God t en hunnes zaads God zoa zyn, kon niet fei- len , zoo lang de menfchen niet door hunne eigene fchuld dezelve verydejden. " Aange- haald by WALCH ? 1. c. . 5. , die 'er deeze aanmerking ., by ge volg- trekking 9 by voegt : Had dit plaats nopens de Befnydenis , men heeft nopens den Doop dan ook het zelfde te denken. $. XX. Eenftemmig met deeze gedagten heeft zich ook verklaard J. TARNOVIUS , Comment, in Proph. min. ad JON. IV. vs. u. die de Kinde- ren , die voor de befnydenis geftorven waren , in het zelfde lot en geval ftelt met de Dochter- tjes onder het Oude Testament , die voor de jaaren van onderfcheid geftorven , uit kracht der Godlyke belofte zalig geworden waren : insge- lyks met dat van de Kinderen der Israelleren , die gcduurende de veertig- jaarige reize door de woes* eS8 OVER.HET ZEDELYK LOT woestyne onbefneden geftorven w&ren , V. vs. 7. Ook met den toeftand der Knecht- jes , die door het vvreede bevel van den Egip- tifchen Koning in de wateren gefmoord waren , Kxoo. I. vs. 22. Gelyk ook nog met het lot der Onnoozelen > die by andere vervolgingeri door den dood waren weggerukt, i MAKKAB, I. en 'a MAKKAB, VI. En waarom zouden wy thans pnder het Nieuwe Verbond aan derzelver zaligheid vvanhoopen? Dezelfde haalt het ook als merkxmrdig aan 9 het geene door H u N N i u s , Loc . de Baptism* gefchrcven is : - Dat Christus in den buik Jy zyner Moeder een Kind had willen worden , om daar mode aantetoonen 5 dat Hy ook de f , Kinderen van Godvruchtigen , terwyl ze nog 5 5 in de baar-moeder waren, heiligen wilde en 3, ton ; by aldien ze ook het gewoone zegel- 5 , teken der wedergeboorte niet mogten deel- , 7 achtig worden." Het gevoelen van D A N H A u E R hierotD trerit heelt LEIBNITZ 5 1. c. . 98. opgegeven aldus: ?:) Vraagt iemand nopens de wyze en het middel ter zaligheid van zulk een Kind : wy laaten dit , voor zoo veel het Gods zaak is , aan ,, Zyne wysheid over : voor zoo veel de doop 3 , met den Heiligen Geest als een middel tus- } , fchen beiden komt , hoopen wy daaromtrent goede. En hiermede wierd Johannes de Doo- ,, KIND ERE N NA BIT LEVEN, Dooper op eene uitmuntendfle wyze begun- ftigd. Van 's Kinds kant is het eigene gelqof het middel --- daar over onze geleer- de FEURBOUN naauwkeurig gehandeid heeft. Is het nu onmogelyk , zonder geloof Code te behagen, zulke Kinderen moeten dan, by aldien ze zalig worden , noodzaaklyk ook het geloof in hun hart deelachtig worden. " En nopens de Kinderen der Heidenen fchreef B. HOFMAN , tynopf. IheoL Dogmat. p. 329. 5, Dat het wel zeker is , dat Gods toorn op ,.. hun blyve 3 by aldien ze niet op eene bui- 5 , tengewoone wyze door den Heiligen Geest 5 , wedergeboren , en met het geloof begunftigd 3> worden. Dat nu dit gefchieden kan , daar 5 , aan mag niemand t\vyfFelen ; maar of het ook daadelyk gefchiede , dat laaten wy aan de 3> Wysheid en Barmhartigheid van God over,'* LEIBNITZ, 1.0.5.93. daar DANHAUER ook aangehaald word. Nog eenen flap verder ging hier TOB, WAG- K E R , wylen de Kantfelier der Akademie te Tubingen , die omtrent de Kinderen der Hei- denen het goede dagt , en him , naardemaal ze in hunne onwetenheid gefteld waren 9 verfchoo- ning fen vergeving billyk meende te mogeh toe- fchryven. Hy oordeelde 5 dat die mening meer waarfchynelyk Was , die mede brengt , dat God in zyn oordeel over de zulke naar de Barmhar XXII. Bt*L T tig- 29P OVER HET ZEDELYK LOT tigheid overfloeg , en ze met de zaligheid be* gunftigde , dan wanneer men hec tegengeftel- de harder gevoelen , het welke die Kinderen van de zaligheid uitfloot , omhelsde. Zie PFAN- N E R 5 Syflem. Iheol. GenUl. purior. c. XXIL $ J 7- Wy befluiten hier uit 5 het geene ook de Ichrandere LEIBNITZ, 1. c. billyk hier uit heeft opgemiaakt : Dat de Evangelifche God* 5 , geleerden met veel gemaatigdheid hier om- ,, trent gewoon zyn zich uittedrukken : terwyl 3, zy die zielen aan het oordeel en de Genade 3 , van haaren Schepper overlaaten. En voor ons zyn immers alle die buitengewoone we- ' gen verborgen , langs welken God de zielen veiiichten , en van welke middelen Hy zich w daaxtoe bedienen kan/' . X X I. Komen wy eindelyk tot de Godgeleerden van onze Kerk , ofte de Hervormden , deeze y hoe zeer zy ook van anderen , wegens de leer eener byzondere genade , en andere daar mede verknogte leerftukken, bedild en gehekeldzyn, zyn echter , ten aanziene van der Kinderen jdngfte lot , ook zoo gemaatigd van denkwyze , dat ze hen geenzins van de Godlyke genade en cehe eeuwige zaligheid iiitfluiten. Dit zal ops uit KINDEREN NA BIT IEVEN. 391 rit eenige ftaaltjes en getuigenisfen , hoe zy'2ich daarover uitdrukken ? nader blyken. ZWIN T GLJUS althans ontkent de genadewer- kingen des Heiligen Geests in de Kinderen geen- ziiis , wen hy , Opp. T. II. lib. de Baptismo 9 p. 607. zegc ; Wie onzer kan met zeker- held weecen 5 op welk eene wyze de Heere 5 , in de Kinderkens woont ? Zouden wy niet zeer fchaamteloos handelen^ wen wy verme- tel ons zouden aanmaacigen over zulke zoo 3 , zeer verborgeue dingen iets te willen be- ,, paalen" ? Niet minder heeft ook CALVIN us voor der Kinderen belangen gepleir , Inftit. Chrift. relig. L. IV. c. 1 6. . 17. kan hy net niet verkroppen > dat de Wederdoopers hen ten dood veroordee- len , en zegt : Naardemaal de Schriftuur verklaart , dat wy alien in Adam fterven , zo volgt , dat 'er geen hoop ten leven 5 dan al- leenlyk door Christus , voor ons overig is. 3, Om nu erfgenaamen des levens te worden , 5, moeten wy deelgenooten van Hem worden. En zegt de Schriftuur ons elders , dat wy al- le van natuur onder Gods toorn liggen , en in w zonden ontvangen zyn, die ons altoos doein- 99 fchuldig maken ; wy moeten dan 5 om in het koningryk Gods te kunnen ingaan , wederge- 99 boien , en Christus ingelyfd worden. Maar 5 > hoe, zeggenzy^ zullen de Kiaderen weder* 202 OVER IIET ZEDELYK.LOT 33 geboren 'worden , die van goed noch kwaad bezef hebben? Wy antwoorden hun, dat, alhoewel Gods werk onder onze begrippen niet valt , echter geenzins voor met met al 3 , te houden zy. Vervolgens , dat het zeker 3 , is , dat de Kinderen , die behouden zullen 3, worden 9 (en dat 'er eenige uit die jaaren be- 3, houden worden , kan men niet ontkennen , ) 3, alvoorens van den Heere wedergeboren wor- 3 , cten ; dewyl ze zondaars van hunne geboorte 3, af zyn ? en dus by God verfoeijelyk en w^l- M gelyk zouden blyven moeten , by aldien ze niet gerechtvaardigd wierden." En dit be- bevestigt hy met het voorbeeld van Johannes den Dooper , aan welken God getoond heeft r wat Hy ook in anderen doen kon. En het is , zegt hy wyders , te vergeefs , dat ze 5> hier op die uitvlucht maken , dat dit flechts ^,, eenmaal gefceurd is , en daar uit overzulks niet volgt ? dat de Jieere dus doorgaans met 3, en omtrent de Kinderen handelc. Want wy 3, beredeneeren ilechts hier uit , dat zy zonder 3 , grond de Godlyke kracht binnen zoo enge grenzen beperken , waarin ze zich dog geen- zins bepaalen laat." 3, En hiertoe, dus vaart hy voort, . 18, ig. is immers Christus van zyne eerfle kindsheid af geheiligd 5 op dat Hy uit iederen ouder- 3, dom zonder onderfcheid zyne Uitvejrkorenen KINDEREN NA OIT LEVEN. 5, in zich zelven zoude heiligen. - 5 , Hebben wy in Christus een volmaaktst voor- 3, beeld van alle die genade - bedeelingen , met welken God zyne Kinderen begunftigt : wy hebbcn in dit opzicht daarin dan ook een b- wys ? dat de kinderlyke ouderdom niet ten eenemaal met de heiligmaaking onbeftaanbaar is. En zou het ook wel veilig zyn , wanneer wy ontkenden , dat God zich op de eene of de andere wyze aan de Kinderen ont- dekken kon ? . En alhoewel het geloof uit het gehoor is , kan men het zelve , 5 daarom nog in de Kinderen niet ontkennen. 5, Want het zou zeer vermetel zyn , God aan >, dit middel te willen binden ? ofte Hem dit als eene flandvastige regel voortefchryven. En dit is ook geenzins de mening van den Apostel. En heeft niet God ook in de roe- 9 , ping van veelen door de inwendige verlichting zyns Geests , zonder de uitwendige predi- king 5 zyne waare kennis medegedeeld " ? P. MARTYR maakt wel eenige zwaarigheid, om den Kinderen een geloof toeteftaan , het geene hy ook tot derzelver zaligheid niet noo- dig vindt ; dit echter ftelt hy daaromtrent als voldoende , dat de JCinderen , zoo veelen 'er zalig worden , met den Heiligen Geest voor- zien , en daar door bewerkt worden : deeze is de oorzaak en wortel van geloof ? hoope ? lief- T 3 de, 294 OVER MET ZEDELYK LQT de ,, en alle die deugden , welken Hy vervol- gens werkt in Gods Kinderen , hoedanigen v.y dan ook , wanneer hunne jaaren het toelaaten , naar buiten vertoonen. Dan op die gezegde laat hy eindelyk volgen , dat zulke Kinderen in zekeren zin ook Geloovigen kunnen genoemd worden. Loc. Com. ClalT. IV. Loc. vm. . En W. MUSCULUS was van oordeel , dat de geene , die den Kinderen een geloof toc- fchryven , daar door eene zekere verhorgene werking des H. Geests verftonden ? waardoor Hy naar Gods genadig welbehagen de Uitverkorene met eene voorkomende genade begunftigd , waar over wy niet oordeelen kunnen. Hy legt in him een zaad, het welk de vervvorpelingen niet deelachtig worden. Loc. com. p. m. 304. Dus heeft ook B. ARETIUS, Problem. 80. geoordeeld, dat men al te voorbaarig handelde, wanneer men den Kinderen het geloof ten ee- nemaale ontzeide ; naademaal het in zekere op- zichten wel ontkend kon , doch in zekere op- zichten ook toegeftaan moest worden. . XXI I. Z. URSINUS fchryft ook 9 Explic. Catech. Heidelb. ad Qu , 3 ofte neiging , om te gelooven. Het geloof 5, is in de Kinderen by wyze van een vermo- 5, gen en neiging, niet daadelyk met werkzaam- 5 ? heden , gelyk in volwasfenen. D& 3, Kinderen hebben ook den Heiligen Geest , 5, en warden , naar maate him ouderdom het 55 toelaat , daar door wedergeboren. " F. JUNIUS verklaart het als onbeftaanbaar met de waarheid, wanneer men ontkent , dat de Kinderen niet zouden in Christus den ou- den menfch afleggen , en den nieuwen menfch aandoen kunnen. Want dit te ontkennen 2ou* de even zoo veel zyn , als of men wilde be- weeren , dat Christus in hun dat beginfel vaii Jiebbelyke genade niet kon werken. Opp. T. II. pag. 187. Dezelfde houdt ook dikwyls ftaande , tegen GRATIANUS PROSPER, dat men het geloof , alhoewel niet uitgewikkeld en in zyne form , of door zulke werkzaamhe<3en 9 als zich in volwasfenen openbaaren , nochtans ten aanziene van deszelfs wezen en wortel den Kinderen niet ontzeggen kan. A. RIVET.US, Cathol. Orthod. TraSf. IV. Qu0ft.ll. Opp. Tom. III. pag. 387. fchreef; ,5 Wy erkennen , dat God in de Kinderen het 5, geene , by de tederheid van hunnen ouder- dpm , in bun ombreekt 9 door de inwendige T 4 . wer- OVER HET ZEDELYK LOT DER working van zynen Geest vervult , die het 3 , zaad des geloofs in hun verwekt , en door 5, zyne kracht de verdienften van Christus hun 55 toepast , waarvan ze op hunnen tyd de on- 5, dervinding zullen krygen." D. PARJEUS, Comment, in GENES. XVIL vs. 14. verklaart het gevoelen van AUGUSTI- NUS als al te hard, en niet gegrond in Gods woord , ook niet ftrookende met de Christelyke liefde. Opp. T. I. p. 255. ED de onnoozele Kinderen te Bethlehem , op bevel van Hero- des , omgebragt , houdt hy voor de eerfte bloed- getuigen van den Heere Jezus , en ftelt , dat ze zalig zyn geworden. Comment, in MATTH. II. ibid. p. 6 1(5. Wy voegen hier eindelyk nog by A. WA- L^US, die, Opp.Theolog. T. I. p. 493. op de o vereenftemming met URSINUS, SOHNIUS, B u c A N u s , en veele anderen zich beroept , en dit fchryft : Wy zeggen 5 dat de Kinde- 9J ren (wy nemen die thans onbepaald> laaten- 55 de aan God zyne oordeelen ? ) onder de ge- loovigen moeten gerekend worden * dewyl het zaad 5 ofte de Geest des geloofs in hun 5 , is , dien zamraigen eene hebbelykheid ? an- 55 deren eene neiging noemen. En deezen- Geest des geloofs oordeelen wy in ^ hun niet zonder alle werkingen te zyn, want ,> de Cee^t is nooit \ve.keloos. ~ Zyn de KIN DE REN NA BIT LEVEN. 297 de Kinderen Code behagelyk , worden hut* 33 de zonden vergeven 5 zy moeten , by ge- volg , dan ook het geloof deelachtig zyn. 9J Dit zaad , ofte die Geest des ge- loofs in de Kinderen maakt, dat ze voor ge- loovigen gehouden worden , en Leden van Christus zyn : en deeze betrekking , die zy 33 door ban geloof op de verdienften van Chris- 5 , tus hebben 3 is het middel , waar door ze 3, Christus verdienften deelachtig worden , de vergeving der zonden, enz." . X X I I I. Deeze getuigenisfen kunnen voldoeh tot be- wyzen ? dat ook de Godgeleerden van onze hervormde Kerk omtrent der Kinderen uicerfte lot gunftig denken. Tevens kunnen wy hier uit zien , dat veele Protestantfche Leeraars ( . 1 8 22. ) de voorwaarden van der Kinde- ren zaligheid vooraaamelyk in de Kinderen per- foonelyk zoeken en ftellen : naamlyk in derzel- ver geloof 5 waar door ze aan de zaligmakende verdienften van Christus deel krygen 5 en in derzelver wedergeboorte , die hen voor het ge- not van een eeuwig zalig leven vatbaar en be- kwaam maakt : terwyl men het een en andere als een werk der Godlyke genade , en van den Heiligen Geest aanmerkt, well^en men him niet onczegt, T $ Dan A p8 OVER HEX ZEDELYK LOT DER Dan 'er zyn ook , gelyk wy ( >. 18.) heb- ben aangemerkt , die in deezen niet zoo zeer na iets in de Kinderen zelve omzien ; maar , om de voorwaarden van de zaligheid te vinden , tot der Kinderen Ouderen te rug zien , in wel- ken de Kinderen gerekend worden 9 en door welken het geene , by een natuurlyk onvermo- gen , den Kinderen in perfoon ontbreekt , ver- vuld zbu worden. En by dit gevoeleu fiaat men ook 5 zoo veel ons is voorgekomen , eenen drieerlei weg in, Zommige zien voor- naamelyk op de Kerk ; zommige wenden zich , by gebrek van voldoening voor hunne zaak in de naaste Ouderen ? tot geloovige en vroegere Voorouderen ; zommige eindelyk berusten hieromtrent in der Kinderen naaste ea onuiiddelyke Ouderen. . XXIV. Die de Kerk hier in het algemeen in het oog hebben , merken de Kinderen ( evenveel van hoedanige Ouderen , van ketteren ? van godloo- zen 5 of uit hoerery gefproton , of flechts door eene aanneming voor Kinderen erkend 9 indien de Ouderen flechts Christenen heeten , en de Kinderen flechts in eene maatfchappy van Chris- tenen raaken , ) aan als in den fchoot der Kerk geboren , en dits als Kinderen der Kerk , ofte to; de ChristeJyke Maatfchappy beltoorende, en dus KINDER EN NA DIT LEVEN. 299 dtis ate deelgenooten van Gods Verbond met , en de godlyke beloften aan de Kerk ; ovemilks ook als gewcttigd tot de bond - zegelen , door welken de heil - beloften aan de Kerk bevestigd worden : en langs deezen weg doet nieu cte Kinderen dan ook deelen in de genade - goedc- ren van dit leven , en by hunnen dood , bin- nen de jaaren van onno.ozelheid , in het ecu- wig leven. Dat onder de oude Kerk - vaderen ook zom- migen hier been overhelden , heeft de lieer VENEMA, DiJJert. Sacr. pag. 524. nopen$ AUGUSTINUS, Epist. 98. .5. aangetoond* De Kinderen ? zoo fchreef hy , worden aan- gebragt , om de geestlyke genade deelachtig te worden ; niet zoo zeer van him, die hea op hunne handen dragen, (alhoewel ook me- 55 de van him 5 by aldien zy zeive ook waare j, geloovigen zyn , ) dan wel van de geheele 55 gemeente der heiligen en geloovigen. ,5 De geheele Kerk, de Moeder, die heilig is, doet dit overzulks , naardemaal zy geheel al- 55 len , geheel ook elk en een iegelyk baart. " Dog dat die Kerk-vader, van zich zelven, ten aanzien van der Kinderen lot na dit leven , ver- fchillende , by deezen grond alleen niet bleef f maar ook het geloof der Ouderen , en den doop der Kinderen , om him cen zalig lot te kunnen toefchryven , te baat nam , is van den Heer VENE- goo OVER HEt ZEDELYK LOT DER VENEMA, 1. c. te recht aangemerkt. Dat ook de Kerk-vader BERNHARDUS zyne ge- dagten hieromtrent dus geplooid en op de Kerk , als de Moeder der Doopelingen , en een mede- werkfler tot derzelver geluk, gezien heeft, kan uit het geeil wy hi-er boven (. 14.) hebben aangehaald , blyken. De Ouden fchreven naamelyk aan alle Kinderen , die in de kerk den doop ontvingen , de geestlyke genade toe van eene vergeving der erfzonde 5 en van de wedei> geboorte : weldaaden , die 5 naar het heerfchend gevoelen van die tyden , met den doop verzeld gingen 5 gelyk de Heer VENEMA, L c. p. 515. heeft aangetoond. Ik vind aldaar ook uit laatere Godgeleerden ST. DE BRAIS, 7 fief. Iheolog. de necesfit. bap- tism. . 62. en J. CLAUDE ? Qper.postkum. T. V. p. i oo. als begunftigers van dat gevoelen opgegeven. Zy zogten naamelyk den grond van der Kinderen zaligheid in derzelver betrek- king op de geloovige Ouderen ; dan ten aanzie- ne van de Kinderen van enkele mond-belyderen en fchyn-christenen dien niet kunnende vinden , en echter zulke Kinderen met die van Heide- nen niet durvende gelyk ftellen ? namen ze daar omtrent hunne toevlucht tot de Kerk , en merk- tcn alle Kinderen , die van belyderen van het Christendom gofproten waren ? aan als van de Kerk op- en aangenomen , en der Kerk , als de KINDER EN NA DIT LEVEN. 301 de Maatfchappy , tot welken zy behoordeu , geboren. Opk fchynt M. AMYB.ALDUS hier van niet vreemd geweest te zyn , 'die , Disp. de Sacram. Evang. & fpeciatim de Baptism. . 35. Ihef. falmir. P. III. p. m. 61. omtrent de Kinderen van ketterfche Ouders gefproten , en die voor geloovigen niet kunnen gehouden worden , on-' derzoek doet. Die Kinderen , wen ze naar het lot hunner Ouderen gerekend wierden ? moesten dan ongelukkig zyn. En in het loc van vroe- gere Voorouderen dezelve te betrekken , heeft nog minderen grond , dan dat men ze in hunne onmiddelyke Oudereln rekende. Dannader, zegt hy , ter zaake koint 5 dat overal , waar nog eenige zuiverheid der leer ende der Sa- 3 5 cramenten bewaard is, daar ook nog de kerk ,, eenigzins overig is , aan die kenmerken te 3, onderfcheiden , en meer of min zuiver. Nil 3, is 'er geen kerk , of haar komen ook eeniger maate de Godlyke belofcen toe : en deeze 3, zyn van dien aart , dat , naardemaal de Kin- 3, deren tot de maatfchappy 5 als een wezenlyk 3, deel van dezelve, behooren ? ze ook als tot ,> de Kinderen behoorende moeten gerekend 3, worden. Zy worden das , naar Gods bevel , 3, gedoopt , ill hoop , dat ze , by aldien ze 3, niet , volwasfen zynde , het Doop - verbond verwerpen , deszelfs goederen deelachtig wer- 3 oa OVER HET ZEDELYK LOT DER ,, werden. Wanneer ze nu voor de jaaren van eenen volwasfenen leeftyd fterven, ,. dan mogen wy onbelemmerd ftellen ? dat ze de kracht van het Bond - zegel in hunne za- 5 , ligheid oncervinden." En hierop komt het ook neder , het geene hy , Disput. de Px- dobiptismo , . 39- -Ibid. p. 79. fchreef , no- pcns de Kinderen van Land - loopers 5 die geeii belydenis aangenomen hebben , en nopens de Kinderen van ongeloovige Ouddren , als mede nopens Kinderen , welker Ouderen onbekend zyn. . XXV. Vooral heeft zich ook voor dit gevoeleri uit- voerig uitgelaaten J. FORBESIQS, 1. c. Lib. X. cap VI XI. ,, daar hy zich verzet tegen hec gevoelen der geenen , die voor alle ongedoopte Kinderen , wen ze zonder eenen martel - dood uit dit leven fcheiden , den hemel toefluiten. Om deeze mening tegen te gaan , beroept hy zich , i . ) op de overeenkomst tusfchen dea JJoop en de Befnydenis : de Kinderen , die voor den achtften dag , en dus onbefoeden ftierven p zyn door der Ouderen geloof zalig gevvorden , en het zelfde mag men ook nog nopens de on- gedoopt ftervende denken. c. VI. 2.) Daar- op , dat het geloof der Ouderen , zelfookder geenen , die der Ouderen plaats vervingen ? of ein* KIN DE REN KA BIT LEVE.N. 303 eindelyk ook het geloof der Kerk , tot behou- denis der Kinderen voldoende was. En tot dit laatfte neemt hy zyne toevlucht in het geval y dat dc Ouders onkundig , of over het geheel geene waare geloovigen kunnen geoordeeld wor- den te zyn. c. VII. 3.) Daarop, dat dedoop niet als een middel ter zaligheid , maar wegens het bevel daaromtrent noodzaaldyk is , en by die gelegenheid laat hy zich uit over het geloof der Kinderen , die gerekend vvorden in de kerk te gelooven , en over derzelver wedergeboor- te 5 ofte de inwendige genade - werkingen des Heiligen Geests in de Kinderen, die van weers- kanten buiten het gefchil zou zyn. cap. VIIL 4.) Daarop, dat de woorden van Christus , JOH. III. vs. 5. dit niet medebrengen , naarde- maal de wedergeboorte door den Geest in de Kinderen vallen kan , en tot derzelver zaligheid voldoende is , terwyl de water - doop nergens in het woord als volftrekt noodzaaklyk daar toe geleeraard word. c. IX. 5.) Vervolgens rede- neert hy uit Gods belofte aan Abraham , GEN* XVII. vs. 7. en derzelver uitbreiding , elders in de Heilige Schrift voorkomende , gelyk me- de uit i KORINTH. VII. vs. 14. En hier uit trekt hy, dat, wanneer een Kind in handen van geloovigen komt , en geloovige Doop - heffers heeft , deeze voor het zelve in de plaats van Ouders zyn 5 en zy als deszelfs Ouders aange- ^ Hjerkt worden j : dat oen IsLind van geloovige Oucte- 304 OVER ?IET ZED'ELYK LOT DE* Ouderen , voor het gebruik der rede ftervende , daar door zekere blyken draagt, dat het uitver- koren is ; hoewel daar uit , dat Kinderen van ongeloovige Ouderen vroeg fterven , niet blykt , dat ze verworpen zyn. Want zulke Kindereu komen wel eens tot volwasfene jaa- ren 5 en worden met het geloof en de overige verbonds-goederen begunfligd; offchoon ze wel als vreemdelingen van het verbond der beloften geboren zyn ? waren ze echter in Gods tegen- woordigheid Kinderen Gods. Dus heiligt ook God door verborgen ingeilorte genade de Kin- deren van ongeloovige Ouderen , vergeeft him de erf-fchuld , en brengt ze als onfchuldigen in zyn hemelfch koningryk over. En by al- dien de onmiddelyke Ouders geen waare geloo- vigen , ofte tot het eeuwige leven verordineerd zyn , dan is het echter vbldoende ? wen zy 9 gelyk alle Christenen, in het verbond, ofte het Christendom toegedaan zyn. Het geene in die opzicht ontbreekt , dat word vervuld door het geloof der Kerk 5 en door Christus bloed , ook voor de Kinderen geftort. Dus is het ook ge* legen, wanneerde Ouderen ketters of fcbeurma- Jcers zyn ? als waar door ook de Kinderen van de kerk en van het verbond niet uicgefloten wor- den. Allen Christen - kinderen worden als heilige naar het verbond geboren 9 niet alJeen die uit een wettig huwlyk , maar ook die uit hoerery , echtbreuk en bloed -fchande geteeld zyn. KINDEREN NA DIT LEVEN. 30$ c. X. 6.) Worden eindelyk de Kinde* ren , wanneer ze , ongedoopt , den fnartel- dood ondergaan , zalig , dan volgt 5 dat ook al le Christen - kinderen , die in de bfor-moeder fterven , behouden worden. c. XL Wy 2ien hieruit de gedagten van dien Schry- ver omtrent dit ftak , met derzelver gronden. Het geloof der Oaderen is hem wel een grond voor der Kinderen zaligheid ; dog wanneer het daar aan hapert 5 blyft het geloof der algemee- ne Kerk hem nog altoos eene achter - deur tot Having van zyn gevoelen. , i . X X V L Dan ook in de Voorouderen zoeken zommi- ge den grond van der Kinderen zaligheid , wen die in de onmiddelyke en naaste Ouderen niet naar genoegen en tot voldoening kan gevonden worden. De Ouderen mogen geen waare ge- loovigen, maar flechts uitwendige mond-bely- deren , geveinsden en godloozen geweest zyn , men acht der Kinderen zedelyk en eeuwig be- lang in veiligheid , wanneer 'er flechts onder de Vroegere Voorouderen een Grootvader , Groot- moeder, Over-grootvader enz. geweest is, die een waar geloovige 5 God vreezende 9 en eea Oprecht Bondgenoot van Qod geweest is, XXU. Detl. ? OVER HEX ZEDELYK LOT DER Van dit gevoelen fchynen eenige , oofc ver- maarde Godgeleerden niet vreemd geweest te zyn. J. CALVINUS , Append, ad Llbdl.de ycra Ecclef. reform. Opp. T. VIII. pag. 302. T H. B E z A , ad dfa Colloq. Mompelg. p. 1 1 . 118, 130. J. CLAUDE, I.e. enandere, aan- gehaald by den Heer VKNEMA Differt. Sacr. pag. 520. Veelen hebben zich ook 5 om de wettighcid van den Kinder -doop te bewy- zen, mede van dit gevoelen, als eenen grond,, bediend. En onder de Uitleggeren vindt men 'er ook , die ter verklaaring van den grond , waar mede het tweede gebod der Godlyke Ze- den-wet, EXOD. XX. vs. 6. word aangedron- gen , deeze gedagte mede te baat nemen. Dus vind ik , om maar eenen aan te haalen , by RIVETUS, Explk. Decalogi^ EXOD. XX. Opp. T. i. p. 127?' 5, Alhoewel de loop der Godt 5 , lyke Barmhartigheid zomtyds gcftremd word," ,, die echter tot duizend geUachten word uitge- ftpekfe , moeten wy daaruit niet terftond be- fluiten , dat Kinderen 5 welker onmiddelyke Ouderen Afgoden - dienaars zyn , van Gods varbond werlen ukgeflooten ; naardemaalwy, by de bGdeeiiBgen der Barmhartigheid ^ niet alteen de naaste , maar ook de verdere Voor- j, ouderen moeien in aanmerking neemen. " Dog dfe Barmhartigheid aan duizenden van Gods lief hebfeeren beloofd , begrypen andere niet aaa de jrfdaalende ofta^lkander opvolgende -g^ftecb- ^ KINDER EN NA DIT LEVEN. 307 ten te zullen bewezen worden ; naardemaal 'er dan -eene , voor het Bybel- woord niet pasfen- de , vergrootende fpreekwyze {hyperbole*) , hier zou'moeten plaats hebben, vermits men van de fchepping der weereld af tot hier toe , naauwfelyks tweehonderd zulke geflachten kon tellen , (of by dit te rug gaan zelf tot Adam toe, gelyk de Heer V ENEMA, Dijfirt. Sacr. p. 521. zegt 5 niet eens een derde deel van die rekening kan gevonden worden ) , en , by onze nadering van het emde der weereld, de overige niet kunnen verwacht worden. Hierom bren- gen zulke Uicleggers die uitdrukking liever toe de gelyktydige geflachten , ofte menigte : vooi zoo veel naamelyk God tot het geilachte der Aarts - vaderen duizenden der Heidenen zou toevoegen , die in Abrahams beloofde zaad de zegeningen des verbonds zouden deelachtig wor- den. Zy vertaalen dus het woord cp^tf lie- yep door Families, in welke betekenis het ook zou voorlcomen RECHT. VI. vs. 1 5. MICH. V. vs. i. Peeze opvatting word ook van den Heer GJERDES, Vefper. Vadenf. p. 114. begunftigd. Dan wy laaten die thans aan haare plaats. Cenoeg i s i ie t ons , en dit was flechts ons oog- jnerk , getoond te hebben , dat de grond van der Kinderen zaligheid na dit leven by zommi- gen ook in derzelver Voorouderea ge^ogt word, gelyk wy .23. hebben aangeroerd. V a. $. XXV|[, 308 6vER HET ZEDELYK LOT . XXVII. Dan dewyl zich , wanneer men van de on- middelyke Ouders afgaat , hier geen vaste voet laat zetten , en kwaalyk bcpaalen , welken on- der de Voorouderen men dan zoude mogen aan- nemen , als mede oin andere zwarigheden , die zich hierby opdoen ; zoo menen andere , dat men hier alleenlyk op de naaste en onmid- delyke Ouders het oog moest houden. Onder de begunftigers van dit gevoelen heeft , zoo veel wy weeten, de Heer VENEMA, L c. p. 526 feq. zich wel uitvoerigst daar over uitge- laaten 9 en het zelve met verfcheiden bewyzen gepoogd te onderfteunen. Deszelfs gedachten verdienen hier dus billyk eene plaats. . Alle Kinderen van alle geloovige Ouderen 9 zegt hy , zyn , geduurende derzelver kinder- ^ lyken Itaat , in hunne Ouderen in eenen be- treklyken ftaat van genade , door eene zeke- 5, re byzondere Godlyke huishouding." Door dien ftaat der genade verilaat hy het recht tot de goederen der genade ende der heer- lykheid , en dus de verge ving der zonden , de heiligmaldng en de heerlykmaking, ofte heteett- wig leven. En dus niet de werklyke bezitting en mededeeling van die goederen ; naardemad ze daartoe eerst koinen , wanneer de betrekking op de Ouderea opijpudt, Hierom noemt hv KINDEREN KA DIT LEVEN. 309 hy dien ftaat; eenen betreklyken genade - ftaat ; dewyl de Kinderen niet op zich zelven , maar in hunne Ouderen aangemerkt , in den ftaat der genade zyn , en die enkel in eene betrekking op God beftaat , volgens welke God hen in hunne Ouderen als de zynen aanmerkt , en hen dan eerst met zyne genade - goederen daadelyk begunftigt , wanneer ze op zich zelven begin- nen te ftaan, en hun betreldyke ftaat, door het ophouden van hunne betrekking op hunne Ou- deren , met eenen volftrekten , in welken zy zelve der genade deelachtig worden 5 word af- gewisfeld. Deeze betreklyke genade -ftaat duurt zoo lang als de jaaren der kindsheid , en neemt met deezen zyn einde. Dit einde nu is tweederlei ; want of de dood , die den Ouderen hunne Kinderen ontrukt , vernietigd mede die betrekking : of het gebruik der rede , waar door ze , voor zoo verre , nevens hunne Ouderen gerekend worden ? beneemt hun hef geene , waarom ze in hunne Ouderen gerekend wierden , en ftelt hen in ftaat , om 5 zoo als ook hunne Ouderen 5 hun heil te bevordereru Dan , eigenlyker gefproken , word die be- trekking door den dood afgebroken , maar door het gebruik der rede geeindigd. Hier uit oritftaat nu een zeer verfchillend lot der Kinde- ren. Want zoo veelen ,'er in dien betreklyken . ftaat der genade door den dood worden wegge- rukt 5 moetei* in den volftrekten ftaat der ge- V 3 nade 3TO OVER IIET ZEDELYK Lot DER noodzaakiykovergaan. Want riaardemial 'er in him niets , en van huh ook niets gedaan is , waar door him recht tot cle genrnie - goede- ten kan vernietigd wordeh , do moet dat ook wel beftendig blyven : alle Kinderen der geloo- vigen overzulks 5 die in hunne kindsheid fter- vcn , worden met genade fen heerlykheid , en dus met de zaligheid beganfligd , ofte huii be- tfcklyke genade-ftaat word met e6nen f vclflrek- tcn en dnfterflyken vehvisfeld. - _Maar ge- heel anders is het gelegen met die Kinderen , die toe volwasfene jaareh komen. Want door de rede perfoonen op zich ^elven wordende , zoo bepaald zich him lot naar zy van de rede wel of kwaaFyk gebrtlik maken : Zy behooren dan niet langer tot die byzondere huishouding van God met de Kinderen , volgens welke zy in hunne Ouderen recht op de genade en de heerlykheid hadden ; maar zyn nu getreden in die huis-houding 5 die God met volwasfenen houdt , volgens welke men , bnder voorwaarde van geloof en bekering , niet flechts een recht tot , maar ook die goederen zelve daadelyk vef- krygt : terwyl de geene , die ^an di6 voorvvaar- den riet beantwoorden 5 van het een en ander Verlleken 3 en dus onder Gods toorn blyven. En hier van is , gelyk 'fer wyders getbond word , de grond in eene byzondere huishouding Gods a die merkelyk . verfchilt van den *weg , lajigs KINDEREN NA BIT LEVEN. langs welken God zyne genade bedeelt aan vol- torasfenen. Want geene geefc flechts een recht tot , en deeze brengt mede een daadelyk genot Van die goederen. Geene is maar voor een tyd , deeze duurt voor eeuwig. Gee- ' ne heeft menfchen ? die in anderen , en deeze fculken , die als eigene perfoonen , en op zich zelvcn gerekead worden. Geene behelst geen voorwaarden van haare voorwerpen zelve te vervullen ; maar deeze eifcht van den raenfch in perfoon het geloof. Geene fpruit uit de geboorte ; maar deeze heeft haaren grond in eene daad van den wil , door den Heiligen Geest tot het geloof gebragt. En die onderfcheid moet uit den aart der zaaken , en den vcrfchillenden flaat der onderwerpen afge- leid worden. Want Kinderen kunnen voor het gebruik der rede, hunne vermogens niet met vryheid gebruiken 9 en ook geen voorwaarden volbrengen : zy rnoeten overzulks anders dan yolwasfene behandeld worden. Ook eifcht God van niemand iets , ten zy deszelfs vermo* gens daartpe voldoende zyn, f XXVIII. Dit ftelfel van gedagten vertoont de Hoog- l^eraar vervolgens als zeer wel beftaanbaar met andere leerftukken van den geopenbaarden Gods- dicnst, Mi feet leerftufe , by voorbeeld , van V 4 Gods OVER BET ZEDELYK LOT DER Gods Befluiten, en de Voor-verordineering 5 van de volharding der Heiligen , en van Chris- tus heil - verwervenden zoen-dood. En dus alvorens zyn gevoelen van fchynbaare zwaa- righeden ontheven hebbende 5 breiigt hy tot be- wyzen daar voor , dat deeze de eenige weg is y langs welken men den Kinderen , op eenige Waarfchynlyke gronden , de zaligheid kan toe- fchryven. Dat Gods Heiligheid , die by de oefFening van genade 5 haaren af keer van het zedelyk kwaad openbaaren meet , volgens dee- ze gedagte , erkend en verheerlykt word van de Ouderen 9 het welk voor de Kinderen ? die nog geen daadelyke zonden begaan , en op zich xelven de Godlyke Heiligheid nog niet onteerd, en dus ook niet noodig hebben , om berouw te betoonen , gerekend kan worden voldoende te zyn. Dat Gods Rechtvaardigheid daarvoor ook pleit ; want deeze kan de Kinderen niet met , en als volwasfenen behandelen ? althans geen wetten aan hun voor fchryven , en dezel- ve met beloften , of bedreigingen flaven : zy kan overzulks hen ook niet oordeelen , wegens eigene handelingen , belooning , of ftraf ver- diend , of de middelen tot zaligheid , die voor volwasfene bepaald zyn , verzuimd te hebben. En dit is de rede ? waarom , in de befchryving van het laatfte oordeel , van Kinderen geen mel- ding gevonden word Nu zou men dan een beiden moeten ftellgn , of 7 dat alle Kinde- KINDEREN NA DIT LEVEK. 313 yen zonder onderfcheid zalig wierden , of dat de geene , die de zaligheid verkrygen , van God in anderen gerekend worden. Dewyl nu het eerfte aan groote zwaarigheden , naar des Hoog- leeraars oordeel , onderhevig is , zoo verkiest hy het laatfte , de naaste Ouders naamelyk , door welken zy middelyk fchuldig wierden, inaar ook door derzelver geloof in Christus gerekend en za'ig worden. Dat de oorfpronglyke fmet van de Quderen tot de Kinderen , en we! door middel van de nauiurlyke geboorte , over* gaat ? word mede als een bewys aangehaald , dat 'er eene naauwfte betrekking tusfchen Ou- ders en Kinderen is , en dat deeze , ook ten aanziene van hun zedelyk lot, in geene van God gerekend worden. Zyn nu 9 volgens de onder- vinding in de duidelyke leer der Heilige Schrift , de Kinderen in en met huane Ouderen aan het zelfde zedelyk kwaad onderhevig , terwyl ze door him ook aan ellenden en den dood onderworpen zyn ; dan kan het ook zoo vreemd niet voor- liomen ? dat ze ook met hun in het goede dee- len 9 en door hun genade en zaligheid in Chris- tus verkrygen. Strekt die betrekking der Ou- deren tot verdoemenis van hun onfchuldig kroost, veel meer zal ze die fchuldigen tot ontflag vaa fchuld en derzelver behoudenis te baat komen. Dat het ook onder de oude huishouding niet ontbreekt aan voorbeelden , uit welken blykt > God naar dej: Kinderen bettelsking o? hunne V 5 Ou- SH Ovtea HET ZEDELYK LOT DER Ouderen met dezelve handelt De befnyding , en zelf de geboorte uit Israelitifche Ouders ga- ven toen den Kinderen een recht tot de goede- ren van het Sinai'tifch Verbond , het welk ook met him was opgericht. Hier uit blykt nu met duister , dat ze ook in hunne Ouderen onder het genade verbond gerekend worden. En by al dat onderfcheid tusfchen die beide verbonden blyft echter die betrekking op de Ouderen de grond van Gods handelwyzc omtrent de Kinde^ ten. Dat die zelfde betrekking onder het Nieuwe Testament ook nog plaats heeft , blykt uit HAND. II. vs. 39. alwaar de verbond$-be- loften a aan Abraham en deszelfs zaad gedaan , ook den Kinderen toegeeigend worden , welken overzulks het recht tot de geestlyke goederen in den Ouderen ook toekomt. r Dat ook Christus den Kinderen 5 die van geloovige Ou- deren tot Hem gebragt wierden ^ de handen opgelegd, hengezegend, en het kdningryk der hemelen toegezegd heeft. MATTH. XIX. vs. 3. enz. het geene niec op alle Kinderen ? maar op silken bepaaldelyk ziet , die uit geloovige Ou- deren gefproten , en door deezen een eigendom v T an Christus zyn. Eindelyk Vind de Hodg- l^eraar ook nog i KOR. VII vs. 14 een bewys voor zyn gevoelen 5 het welk , by eene uitvoe- rige verhandeling over die plaats , hier op ne- derkomt , dat de Kinderen , uit zulke Ouderen gefproten a van welken de eene nog een onge- loo- KINDE&EN rt\ WT rfeVfi*. 315 loovig , toftfe rteideh was , haair den bestcn der Otideren 5 den geloovigen Christen naame- lyk , en in deezefi Voor God waarlyk als heih. t gerekend wierden , die recht hebben tot Gods geiiieenfchap , ea verzulks in eencn betrekly- kfen ftaat der genade zyii. Wy hebben das dit gevoelen der geenen , die in de oi^middelyke Oadefen den grand van der Kihdereft feeuwig heil zoeken , het \v r e!*;e de Heer V ENEMA uitvoerig , duidelyk en in felle iynfe fterkte heeft voorgefteld , opgegevea. Van ahdere Voorftanders van deeze mening meldeii wy nu niet ^ en onze aanmerkingen flaar over zullen wy op xyne plaats vervolgens tiaededeeleiio x x i x, In de Dordrechtfche Kerk-vergadering heeft t!it ftuk mede een onderwerp van onderzoeking in beoordeeling viitgeleverd. De Remonflran- ten ftelden naamelyk, dat, naardemaal men aati God geen voorgezien geloof in de Kinderen kon toefchryven , 'er ook geen verkiezing oiF vef- werping van dezelve plaats had. Dan dit wierd genoegzaam algeraeen 5 zoo van buitenlandfdhe als van bitoenl^ndfche Godgeleerden 3 tcgenge- fprokfen : en ^rei riieest zoo , dat &L&I te 4 H ver gi6 OVER .HEX ZEDELYK LOT ver geloovige Ouderen daar by in aanmerking nam. Het oordeel van zommigen hieromtrent kunnen wy niet nalaaten ook hier optegeven. De Britfche Godgeleerden , Aft. Synod. Na- tional. Dordrac. Edit, in fol. Dordr. 1620. P. II. p. 10. beweren > dat zommige Kinderen in het boek des levens zyn aangefchreven , voor Gods rechterjloel gefteld , tot het nieuw Jem- falem toegelaaten worden , en in het koningryk der hemelen ingaan zullen. Deezen word dus het eeuwige leven als eene genade - gifte Gods door Jezus Christus gefchonken : zy moeten overzulks ook daar toe uitverkoren zyn. En by aldien ze ook alien zonder onderfcheid zalig wierden , zoo zou dit echter ook eene verkie- zing uit het getlacht der menfchen , waarby op derzelver ouderdom niet gezien wierd , verdie- nen genoemd te worden. De Zwitferfche Godgeleerden , ibid, p, 48. kunnen eene verkiezing of verwerping der Kin- deren niet ontkennen. En wat de Kinderen der geloovigen aangaat , naardemaal God uit kracht van het genade - verbond zich him God noemt , en die van eenen der Ouderen , die geloovig is ^ by Paulus voor heiligen verklaard 5 en van den Heere des hemels zelve voor erfgenaamen van het hemelryk uitdruklyk gehouden worden; zoo hoopen wy nopens hun> wen ze in hunne kinds- heid KINDER EN NA DIT LEVEN. 317 heid fterven, het beste. En wy twyfelen niet, of derzulken Engelen , die voornaamelyk om hunnen wil worden uitgezonden , befteden hier toe volvaardig hunne dienften. De Nasfauwfche , ibid. p. 44. drukken zich dus uit : Alhoewel God om de erfzonde de Kinderen verdoemen kan , mogen echter Chris- ten -ouderen nopens de zaligheid hunner Kinde- ren niet twyfelen. Want hun , ende hunnen Kinderen komt de belofte toe, HAND. II 39. Die van Breemen verklaarden , ibid' p. 63, Wy zyn van mening , dat alleenlyk de Kinde- ren der geloovigen , die eerder , dan zy voor onderwys vatbaar zyn , fterven , van God be- mind en gezaligd worden ? naar het zelfde wel- behagen van God 5 om , door 5 ende in Chris- tus , gelyk ook de volwasfene. Zy zyn , uit kracht van eene verbonds - betrekking overzulks heilig , en worden , ter bevestiging daar van , door den heiligen doop Christus toegewyd 3 dien ze ook aandoen. Op die wyze hebben ook de inlandfche God- geleerden hunne mening uitgebragt : de Hoog* leeraaren, ibid. P. III. p. 10. en GOMARUS, p. 24 & 26. gelyk mede de Afgevaardigden uit de verfcheidene Nederlandfche Synoden , die , by voorbeeld 5 van Zuid - Holland , p. 39. van Vtrecltt 5 p. 53 en 58. van Qyerysjel 9 p. 76. En i8 OVUR UCT ZEDELYfs: LOT uit die overeenftem#iendq gedagt^n is $ befluit , ofte omtrent cten eerllen artikel , coen in gefchil was , nieezs ftelling btep^l4 i a, Naardcmaal wy nopens GQ&$ wil i}it deszeifs 5, woord raoeten oordeelen , en ditgetuigt, dat de Kinderen der geloovigen heili^ zyn, hoe- 5 , wel niet van natuur , maar door dit wsldadig , genade - verbond , in het welke ze met him? ne Ouderen begrepen zyn ; zoo moetea 5 , vruchtige Oaders aan de verkiezing en 3, heid banner Kinderen , welken Gad i kindsheid uit dit leven wegrukt , niet; twy- 3, felen. " Ad Artie, i. Can. 17. ibid. P. L . xxx. Dan 'er zyn ook , die niet ia de Kerk , ook niet in Ouders 5 of Voorouders , gelyfe \vy tot hier toe zagen , maar alleenlyk in den Zaligma- ^r de naaste gronden van der Kinderen toek,6i mende zaligheid zoeken. En dit gevoelen <^,- nen wy thans ook,wat nader te befchouwen. ' De voortreflyke Poolfche Edelman, A LASCO, die onder de Kerk-herfprme- ren ook zyne verdienften had , hq^ft hierom- trent een byzonder gevoelen gehad > het hier op nederkomt : Dat een v^ia het in 't Evangelie ou- KINDEREN NA DIT LEVEN. onvermydelyk de eeuwige verdoemenis na zich fleept ; maar dat de Kinderen alien ? en over- zulks ook die van de Heidenen , onder die me- nigte van heil-verachters niet mogen betrokken, inaar daar van mpeten uitgenomen worden. Dog laat ons hem zelve hooren , hpe hy zich daar over uitdrukt. In eenen brief aan PH IL, MELANCHTHON, bewaard by den Heere GERDES , Serin. Antiquar. T. II. P. J. pag. 498 & feq. daar in hy zich beklaagd had , dat Philippus eenig ongenoegen daar over had opge- vat , dat hy hem fcheen , in zynen brief , aan alle Kinderen der Heidenen de zaligheid toete- eigenen , fchryft hy vervolgens aldus : Al- ^ hpewel het my niet volftrokt ontbreekt aan Schriftiiur - getuigenisfen , met welken ik meen , dat te kunnen bewyze.n : en fchoon ik ook van oordeel ben , dat het tot heerlyk- lykheid van Christus dient , wanneer wy uife Gods woord verkondigen , dat des Heilands 5 , weldaaden zeer ruim en aitgeftrekt zyn ; heb 3 , ik echter in mynen brief aan u daar van niets 5, willen melden. -^ Ik vroeg flechts aangaande onze , dat is , Christenen Kinde^ ? , ren , die onder de Tttrkep^ of Scythen tot 5) eene altoos duurende flaverny gedoemd, ech^ ter daar onder in het huwlyk leven en kinde* 35 ren voortteelen , die geen wettige, zoo wef- ^ nig in 't byzonder als w \ openbaar > bedie* 320 OVER HST ZEDELYK LOT ,, ning van het woord of de Sacramenten heb- ben. Ik voegde 'er ook zulken by , die on* der des Pausfen dwingelandy zuchteden. Wanneer wy nti aari de Kinderen van alle de zulken de zaligheid toefchry ven ,. dari fluiten wy ze immers geenzins uit van Chris* tus , buiten welken 'er geen zaligheid is : ook kunnen wy ze van de kerk van Christus niet uitfluiten 3 offchoon ze niet gedoopt worden. 35 35 35 55 ?9 95 ?> 5, Aangaande de Kinderen der Hsidenen heb ik u door onzen Albertus (Hardenberg) my- 35 ne gedagten willen mededeelen. Ik ,5 ftaa toe , dat , zoo veelen 'er de van God in- geftelde bediening des woords ende der bond- zegelen niet erkennen willen , Christus \nol- ftrekt niet toekomen , en ook geheel niet tot deszelfs kerk behooren. Want deeze is de 5, duidelykfle regel van Christus : die met zal 5 , gekofd hebben , zal verdoemd worden. En 55 het is 'er zoo verre van af , dat ik ooit eene 5, heil-belofte op eene godlooze menigte zoude hebben willen toepasfen , dat ik veel eerder juist daarom by eenige onkundige zwetfers van de genade flecht te boek ftaa, om dat ik leer, dat de Godlyke beloften derzelver ver- achteren nooit toekwaraen , en ook volftrekt ? 5 niet kunnen toekomen. Maar ik fpreek van )y die verachting , waardoor men de aanbieding van het heil in Christus verfmaadt , lasteft , ear KINDEREN KA DIT LEVEN. >, en 'belacht. En het zelfde onderfcheid , het >? welke gy meent te mogen ftellen tusfchen 3, hen 5 die de ftem van God , wanneer Hy zich openbaart , hooren , en hen , die de- 5 , zelve verachten; dit zelfde cnderfcheid geefc my eenen grond , op welken ik meen te mo- 37 gen ftellen 5 dat men nopens alle Kinderen, zonder onderfcheid ? het goede moge denken. En ik moet zeggen 5 dat ik geenzins op die )5 gedagte gekomen ben , uit eenige verwonde- 5, ring over die ontelbre menigte , welke wy 35 overal op de weereld moedwillig zich in haar eigen verderf zien ftorten ; want deezen aai> 3? gaande , ben ik altoos van oordeel geweest , dat ze naar een rechtvaardig oordeel van God verdoemd wierden. Voor het ove- 55 rige fchynt het my zoo klaar niet 5 dat men 35 onder die menigte de Kinderen ook mede 5 ? zou mogen betrekken : ik kan my , ten min- 55, ften uit de Schriftuur , daarvan niet overtui- 5 , gen , maar denk het tegendeel te mogen be- 3, lluiten.'* Ook fchryft dezelfde aangaande dit onder- werp in eenen brief aan HKNR. BULLINGERUS 9 mede te vinden Serin. Antiquar-. T. IV. P. I. pag. 449 & feq. 59 Ons gevoelen aangaande 35 den vai ende de herftelling des menfchen , ? i ( in Epitome cloftrina fa ler ondergang , ook in de geene , die niet gezondigd hebben in de gelykheid der over- ,, treding van Adam : dan is immers toen ook ,, reeds het begin gemaakt van de vertreding , 5 van den kop der Slang in ons , na dat de Godlyke toegenegenheid t'onswaarts door de bekendmaking der belofte geopenbaard was. Zoo dat ? gelyk wy van natuur geheel en al Kinderen des doods ende des toorns zyn , voor zoo veel wy naamelyk Kinderen van Adam den overtreder zyn: wy ook, aan den anderen kant 5 door de toerekening der God* lyfee gunst , die aan Adam door de belofte 5 , geopenbaard is , ende , na dat hy dezelve geloovig omhelsd heeft, voor geloovigen ge* rekend worden , voor zoo veel wy uit den geloovigen Adam voortfpruiten , by aldien wy maar die Godlyke weldaad niet verfmaa- 9 > den ; alhoewel wy onder de zonden befloo- ten zyn , geboren worden , enleven. Want ik denk , dat de kracht en de verdienften van den dood en het priesterfchap van Chrtstus , die nanr de beftemming van God den Vader reeds van het begin der weereld geleden hecft, KINDER EN NA BIT LEVEN. 323 M heeft , ook van toeii af reeds in Adam ende alle deszelfs zaad de uitwerking gehad heb- ben , om den kop der vergiftende Slang te >, vertreden : zoo wel als de overtreding van Adam krachtig was , om op ons vooitgeplant te worden , en uittewerken , dat wy van na- tuur Kinderen des doods ende des tocrns ge- boren worden : by aldien wy maar niet , door eene moedwillige ondankbaarheid in eene op- 5, zetlyke verfmaading van zulk eene groote weldaad van den Heere Christus ons zelven i, uitfluiten. Want in dat geval komen alle de 5, Godlyke beloften ons even zoo weinig toe , w als wy den Heere Christus toekomen 3 in wel- ken anders alle de Godlyke beloften zamen- loopen. En alhoewel Hy , zelf van het be- gin der weereld af , alle onze zwakheden ge- 5 , draagen en verzoend heeft , zoo heeft Hy ,, nochtans zyne moedwillige verfmaading vol- ftrekt niet gedragen ; maar veel eer den Dui- 5 , vel , die 'er de voorganger in was , en alien , die hem daarin naarvolgen , in zich hem ge- lyk ftellen , zoo dat zy als deszelfs Engelen 5, kunnen aangemerkt worden ? wel duidelyk 5, voorfpeld , dat de helfche ftrafFen hun lot zyn zollen. Das meen ik , dat Gods toe- genegenheid , door de belofte aan Adam ont- 5, dekt 5 toen reeds krachtig geweest zy , in 5 , Adam en all deszelfs zaad alle zonden te ver- j, gevea . z^dert Adam die belofte geloovig X 2 aaa- 324 OVER HET ZEDELYK LOT 'DER. aangenomen heeft , ( maar de verfmaading fluit ik altoos 'er buicen ) , dat de geloovige Adam ook een geloovig zaad teelde , hoewel niet in zich zelve , maar door eene toereke- ning , en wel om Christus wil , die zoo wel aan Adams zaad, als aan Adam beloofd was: gelyk die zelfde Adam , als een overtreder befchouwd , den dood en toorn op ons met de daad en werkelyk heeft voortgeplant. Zyn wy dan in ons fcelven wel kinderen des toorns ende des doods, in Christus echter, die wel eer beloofd , maar nu daargefteld is , worden 5 , wy , van het begin der weereld af , Kinde- ren Gods geboren 5 en zyn de zoodanige , 5, by aldien wy maar deeze weldaad van Chris- tus niet verfmaaden." Door dit leerftelfel , dus vaart hy voort , 5> word , myns oordeels , en de voortplanting der befmetting van Adam op ons , en de kracht van Christus Hoogepriesterfchap op 5 , Adam en" deszelfs zaad , het welk behouden zal worden , zeer eenvouwig voorgedragen. En ik twyfel niet, of de -gcheele Schriftuur, indien wy derzclver plaattcn behoorlyk ver- gelyken , ftemt hier mede overeen. En ze- 5 , kerlyk word de heerlykheid van Christus daar 15 door in 't byzonder bevorderd , en eene me- nigte yan zwaarigheden en twyfelingen , wel- 'ken. wy charts in de Kerk zieg plaats hebben , >r afge- KTNDEREN KA DIT UEVEN. 325 P 55 afgefneden. Het fchynt my toe , dat ZWINGLIUS ook in die mening geweest 5 , is , en dat uwe gemeenten ook niet zeer van my, inditftuk, verfchillen." . X X X I. Onder de geenen , die de zaligheid der Kin- deren uit 'sHeilands verdienften afleiden , be^- hoort ook de Heer D WYTTENBACH, die, 2entam. IheoL fcientif. Loc. VII. . 837. fchol. 2. 'er das over fchreef : 5 , Men vraagt , of de erfzonde alleen 9 zonder de dadelyke zon- de, den eeuwigen dood verdiene ? En, of das de Kinderen , die , alvoorens ze nog ee^ 3 , nige dadelyke zonde begaan hebben , fterven, des eeuwigen doods fchuldig zyn ? Wy ant- woorden daarop , dat God , by aldien Hy naar het geftrenge van zyne rechtvaardigheid handelen wilde 5 hen van het eeuwig leven uitfluiten , en met eene flraf van gemis be- 5 , leggen kon. ( Want men mag hier wel on- derfcheid maken tasfchen ftraffen van gemis en van gevoel : welker eerften ilechts in een enkel ontbeeren , en das alleen in een ge- brek beftaan , terwyl de laatften een tweeder- lei gebrek medevoeren : op hoedanige wyze ? , men ook in de erfzonde , mitsgaders tusfchen 5 , het enkel gemis van genoegen, en de tegen- 5, gcftelde ondervinding van ongenoegen 9 al- X 3 99 toos 326 OVER HET ZEDELYR LOT 3, toos gewoon is onderfcheid te maken. ) Dat 3, God hen met zulk eene ftraf , zoo we 1 om 5, de toegerekende , als om in de inklevende 3,v erfzonde bezoeken kon ; maar dat Hy dit 3 9 niet doen wil, om zyns Zoons wil, in wiens borgtogt Hy zulke Kinderen reke